Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:6726

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
19-07-2017
Datum publicatie
31-08-2017
Zaaknummer
10/994528-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gevangenisstraf voor de duur van 30 dagen, waarvan 27 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, alsmede een taakstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis voor het opzettelijk voorhanden hebben van GHB, MDMA en amfetamine.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/994528-16

Datum uitspraak: 19 juli 2017

Tegenspraak (artikel 279 Sv)

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

gemachtigd raadsman mr. Th.J.A. Winnubst, advocaat te Den Bosch.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 5 juli 2017.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. E.C. Nieuwenhuis heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1 en 2 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met aftrek van voorarrest.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Bewezenverklaring zonder nadere motivering ten aanzien van feit 2

Het onder 2 ten laste gelegde is door de verdachte bekend. Dit feit zal zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.

4.2.

Vrijspraak ten aanzien van feit 1

Standpunt officier van justitie

Op 25 april 2015 is een brievenbus aangetroffen op het terrein van de medeverdachte [naam medeverdachte] . [naam medeverdachte] heeft verklaard dat hij de brievenbus heeft gekregen van de verdachte. Uit onderzoek is gebleken dat deze brievenbus van diefstal afkomstig is. Dat [naam medeverdachte] en de verdachte hiervan op de hoogte waren blijkt onder andere uit berichten en telefoongesprekken tussen hen beiden.

Beoordeling

Uit een telefoontap van een gesprek tussen [naam medeverdachte] en de verdachte op 25 april 2015 – de dag dat de brievenbus door de politie is meegenomen – blijkt dat [naam medeverdachte] om 20.24 uur tegen de verdachte heeft gezegd dat de brievenbus die hij van ‘een Chinees’ heeft gekocht is meegenomen en dat hij een bonnetje daarvoor nodig heeft. De verdachte zegt vervolgens over de aankoop van de brievenbus tegen [naam medeverdachte] : “zeg maar dat ik er bij was”.

De inhoud van dit telefoongesprek is strijdig met de latere verklaringen van [naam medeverdachte] en de verdachte, waaruit zou moeten volgen dat [naam medeverdachte] de brievenbus van de verdachte zou hebben gekregen. Niet uit te sluiten valt dat [naam medeverdachte] en de verdachte hun verklaringen over de verkrijging van de brievenbus, om welke reden dan ook, op elkaar hebben geprobeerd af te stemmen. Gelet daarop acht de rechtbank die verklaringen onbetrouwbaar en zullen deze niet worden gebezigd voor bewijs.

Nu op basis van de overige stukken in het dossier kan niet worden vastgesteld dat de verdachte enige betrokkenheid heeft gehad bij de aankoop/verwerving van de bij [naam medeverdachte] aangetroffen brievenbus, is het onder 1 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen en zal de verdachte daarvan worden vrijgesproken.

4.3.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en nadien geen vrijspraak is bepleit. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij in de periode van 18 oktober 2015 tot en met 2 november 2015 te Den Bosch, opzettelijk aanwezig heeft gehad

- 5 gram MDMA en

- een hoeveelheid van een materiaal bevattende GHB en MDMA en amfetamine, zijnde, telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feiten

Het bewezen feit levert op:

2.

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft een hoeveelheid MDMA en een hoeveelheid van een materiaal bevattende GHB, MDMA en amfetamine voorhanden gehad voor eigen gebruik.

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 12 juni 2017, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld, ook voor soortgelijke strafbare feiten.

Voorts houdt de rechtbank er rekening mee dat de inmiddels ruim twee jaren zijn verstreken na het plegen van het feit.

Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat een taakstraf in combinatie met een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf een passende en geboden reactie vormt. Omdat de verdachte zal worden vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde, zal de op te leggen straf lager zijn dan de officier van justitie heeft gevorderd.

8 In beslag genomen voorwerpen

De officier van justitie heeft gevorderd de in beslag genomen kentekenplaten, de magneet met de tekst ‘werkverkeer’ en het Lockmasterskoffertje met inhoud te onttrekken aan het verkeer.

De rechtbank oordeelt daaromtrent als volgt.

De kentekenplaten betreffen duplicaat kentekenplaten van de originele kentekenplaten van een Mercedes Vito Bus. Blijkens de verklaring van de verdachte is deze Mercedes Vito Bus afgebrand. De twee in beslag genomen kentekenplaten zullen derhalve worden onttrokken aan het verkeer, nu het ongeoorloofde bezit daarvan in strijd is met de wet.

Ten aanzien van de in beslag genomen magneet met de tekst ‘werkverkeer’ en het Lockmasterskoffertje met inhoud zal een last worden gegeven tot teruggave aan de verdachte.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36b, 36d en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

10 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11 Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) dagen;

bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 27 (zevenentwintig) dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt gesteld op 2 jaar, na te melden voorwaarde overtreedt;

stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig zal maken;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht (drie dagen), bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;


veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 40 (veertig) uren, waarbij de Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 20 (twintig) dagen;

beslist ten aanzien van de voorwerpen, geplaatst op de lijst van inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, als volgt:
- verklaart onttrokken aan het verkeer:

twee kentekenplaten;

- gelast de teruggave aan verdachte van:

magneet met de tekst ‘werkverkeer’;

Lockmasterskoffertje met inhoud.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M.C. Franken, voorzitter,

en mrs. F.W. van Lottum en L. Daum, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. E. Kerens, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 19 juli 2017.

De griffier en de voorzitter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij in of omstreeks de periode van 7 april 2015 tot en met 25 april 2015 te

Den Bosch en/of te Dordrecht, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

een brievenbus (merk Vitré, Mezo design) heeft verworven, voorhanden heeft

gehad en/of heeft overgedragen,

terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven of het

voorhanden krijgen van die brievenbus wist(en), althans redelijkerwijs

had(den) moeten vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren)

betrof;

art. 416 lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

2.

hij in of omstreeks de periode van 18 oktober 2015 tot en met 2 november 2015

te Den Bosch, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk aanwezig heeft gehad

- 5 gram, althans een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en/of

- 250 gram, althans een hoeveelheid van een materiaal bevattende GHB en/of

MDMA en/of amfetamine,

zijnde, telkens (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende

lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die

wet.

art. 2 ahf/ond C Opiumwet

art. 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art. 10 lid 3 Opiumwet