Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:6602

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
24-08-2017
Datum publicatie
28-08-2017
Zaaknummer
10/741194-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verkrachting. Verwerping verweer dat de seksuele handelingen tussen de verdachte en aangeefster met wederzijdse instemming zouden hebben plaatsgevonden. Verwerping verweer logistieke keten met betrekking tot een hoeveelheid hasj. Geen gevolg als bedoeld in artikel 359a Sv. Vrijspraak voor versnijdingsmiddelen omdat voor het onderzoek slechts een indicatieve test is gebruikt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/741194-17

Datum uitspraak: 24 augustus 2017

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren op [geboortedatum verdachte] te [geboorteland verdachte] ,

niet ingeschreven in de basisregistratie personen,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Ter Apel,

raadsman mr. A.C. Bosch, advocaat te Rotterdam.

Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 10 augustus 2017.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd.

De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. N. Jager heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1 tot en met 4 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 40 maanden met aftrek van voorarrest.

Waardering van het bewijs

ten aanzien van feit 1

Standpunt van de verdediging

De verdachte heeft op de zitting erkend dat hij op 17 mei 2015 alle in de tenlastelegging onder feit 1 genoemde seksuele handelingen heeft verricht met het slachtoffer. Dit gebeurde volgens de verdachte met wederzijdse instemming. De verdachte ontkent dat hij het slachtoffer, op welke manier dan ook, tot deze seksuele handelingen heeft gedwongen. Niet staat vast dat het letsel dat het slachtoffer blijkens de medische verklaring in het dossier had op 17 mei 2015 is ontstaan door een worsteling tussen haar en de verdachte. Dat letsel kan ook op andere wijze zijn ontstaan.

Er is dan ook onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voor de ten laste gelegde verkrachting.

Beoordeling

De rechtbank is van oordeel dat de verklaringen van aangeefster, de medische verklaring in het dossier, alsmede de verklaring van de verdachte dat hij seksueel contact met aangeefster heeft gehad (in onderlinge samenhang bezien) voldoende wettig bewijs opleveren voor de ten laste gelegde verkrachting.

Voorts overweegt de rechtbank als volgt.

Toen de verdachte ‘s middags op 17 mei 2015 aangeefster op de metro heeft gezet, heeft zij vanuit de metro vrijwel meteen de politie gebeld en melding gemaakt van het feit dat zij verkracht was. Zij is toen naar het ziekenhuis gegaan, waar de politie haar verklaring heeft aangehoord. Diezelfde avond heeft aangeefster ook gebeld met een vriendin en aan die vriendin verteld wat haar was overkomen die dag. Die beide verklaringen van aangeefster bij de politie en haar vriendin over wat er zou zijn voorgevallen die dag zijn eensluidend, gedetailleerd en consistent, niet alleen met elkaar, maar ook met de uiteindelijke aangifte van aangeefster bij de politie. De verklaring van aangeefster dat de seksuele handelingen tegen haar wil waren wordt bovendien gesteund door de medische verklaring in het dossier, waaruit blijkt dat op 17 mei 2015 bij aangeefster letsel is aangetroffen dat goed past bij een worsteling.

Uit het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, put de rechtbank ook de overtuiging dat de verdachte aangeefster op 17 mei 2015 heeft verkracht zoals ten laste is gelegd.

Conclusie

Het verweer van de verdediging dat de seksuele handelingen tussen de verdachte en aangeefster met wederzijdse instemming zouden hebben plaatsgevonden, wordt verworpen.

ten aanzien van feit 2

Inleiding

Op 3 mei 2017 is in een kamer in de woning aan de [adres delict] te Rotterdam een hoeveelheid van totaal 44,6 kilogram hasj aangetroffen. Deze kamer is een afzonderlijke, afsluitbare wooneenheid.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd - kort gezegd - dat de logistieke keten van deze hoeveelheid niet navolgbaar en controleerbaar is, nadat in het proces-verbaal van bevindingen omtrent de doorzoeking en de inbeslagneming goedcode(s) aan die hoeveelheid is/zijn gegeven. Voorts is gemotiveerd aangevoerd dat deze hoeveelheid hasj niet aan de verdachte toebehoorde. De raadsman heeft vrijspraak bepleit.

Beoordeling

Met de verdediging constateert de rechtbank dat de door de raadsman genoemde logistieke keten niet nader terug te vinden is in het onderhavige dossier. Dit is echter niet van dien aard dat dit tot een gevolg als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering dient te leiden. Uit het proces-verbaal van politie met volgnummer 27 blijkt dat het gaat om een hoeveelheid van totaal 44,6 kilogram hasj. Niet gebleken is dat deze hoeveelheid is verwisseld met een mogelijk andere dergelijke hoeveelheid, derhalve gaat de rechtbank uit van 44,6 kilogram hasj, welke hoeveelheid is aangetroffen op genoemd adres.

De verdachte beschikte verder over een sleutel van de kamer waarin de hasj is aangetroffen, en verbleef en sliep met enige regelmaat in die kamer. De verdachte heeft ter zitting verder aangegeven dat hij ook wist dat de drugs zich in de (kasten van) de kamer bevond. Nu de verdachte zowel beschikkingsmacht als wetenschap had van de hasj, had hij deze opzettelijk aanwezig zoals ten laste is gelegd.

Er is geen wettig en overtuigend bewijs voorhanden waaruit blijkt dat de hasj reeds vóór 3 mei 2017 in de woning aanwezig was.

ten aanzien van feit 3

Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de verdachte ten aanzien van het tenlastegelegde voor wat betreft de vermeende versnijdingsmiddelen dient te worden vrijgesproken, aangezien voor het onderzoek naar deze middelen gebruik is gemaakt van slechts een indicatieve test, waarvan de uitkomst onvoldoende is om als wettig en overtuigend bewijs te dienen.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 tot en met 4 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij op 17 mei 2015 te Schiedam door geweld en andere feitelijkheden

[naam slachtoffer] , heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, namelijk

brengen en houden van zijn penis en tong in haar vagina,

het geweld en andere feitelijkheden hebben bestaan uit het

- naar de slaapkamer trekken van die [naam slachtoffer] en

- vastpakken en vasthouden van die [naam slachtoffer] wanneer zij de woning wilde

verlaten en

- op slot draaien van de voordeur en

- zeggen tegen die [naam slachtoffer] dat zij alleen de woning mocht verlaten nadat zij

seks had gehad met verdachte en dat hij, verdachte, de ex van die [naam slachtoffer]

had vermoord en

- kapottrekken van haar legging

2.

hij op 03 mei 2017 te Rotterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad

ongeveer 44,6 kilogram hasjiesj, zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

3.

hij op 03 mei 2017 te Rotterdam om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet,

voor te bereiden of te bevorderen

- een (drugs)pers,

voorhanden heeft gehad,

waarvan verdachte wist of ernstige redenen had te vermoeden dat die

bestemd was tot het plegen van die feiten;

4.

hij op 03 mei 2017 te Rotterdam

munitie in de zin van artikel 1, lid 1 onder 4º van de Wet wapens en munitie,

te weten munitie als bedoeld in artikel 2 lid 2 van die wet, van de Categorie

III, te weten 5 (volmantel) kogelpatronen, kaliber 9mm voorhanden heeft gehad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

1

verkrachting

2

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod

3

om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, een voorwerp voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstig reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit

4

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

Strafbaarheid verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.

De verdachte is dus strafbaar.

Motivering straf

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een gewelddadige verkrachting van een vrouw. Hierbij heeft hij haar naar de slaapkamer getrokken, haar vastgepakt en vastgehouden wanneer zij de woning wilde verlaten en tegen haar gezegd dat zij alleen de woning mocht verlaten nadat zij met hem seks had gehad en dat hij haar ex had vermoord. Voorts heeft de verdachte haar legging kapotgetrokken.

Door aldus te handelen heeft de verdachte een zeer grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit en de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer. Een verkrachting heeft meestal tot gevolg dat een slachtoffer daarvan nadelige psychische gevolgen van mogelijk langere duur ondervindt.

Voorts heeft de verdachte ongeveer 44,6 kilogram hasj, een drugspers en vijf kogelpatronen voorhanden gehad.

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van

18 juli 2017, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij het bepalen van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd.

Alles afwegend komt de rechtbank tot de conclusie dat na te melden straf passend en geboden is, waarbij zij zich realiseert dat een en ander lager uitpakt dan door de officier van justitie is geëist. Het verschil laat zich verklaren door de partiële vrijspraak van het onder 3 ten laste gelegde feit en door een andere waardering van het voorgevallene.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Behalve op de reeds genoemde artikelen is gelet op de artikelen 57 en 242 van het Wetboek van Strafrecht, artikelen 10a en 11 van de Opiumwet en artikel 55 van de Wet wapens en munitie.

Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 tot en met 4 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J. van der Groen, voorzitter,

en mrs. B.A. Cnossen en L. Daum, rechters,

in tegenwoordigheid van A.C. de Sain, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 24 augustus 2017.

Bijlage I

Tekst gewijzigde tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 17 mei 2015 te Schiedam

door geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of door bedreiging met

geweld en/of bedreiging met (een) andere feitelijkhe(i)d(en) iemand, te weten

[naam slachtoffer] , heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden

uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, namelijk

brengen en/of houden van zijn penis en/of tong in haar vagina,

het geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of de bedreiging met

geweld en/of de bedreiging met (een) ander feitelijkhe(i)d(en) heeft/hebben

bestaan uit het

- naar de slaapkamer trekken van die [naam slachtoffer] en/of

- vastpakken en/of vasthouden van die [naam slachtoffer] wanneer zij de woning wilde

verlaten en/of

- op slot draaien van de voordeur en/of

- zeggen tegen die [naam slachtoffer] dat zij alleen de woning mocht verlaten nadat zij

seks had gehad met verdachte en/of dat hij, verdachte, de ex van die [naam slachtoffer]

had vermoord en/of

- kapottrekken van haar legging en/of

- likken van en/of zuigen aan en/of bijten in de tepels van die [naam slachtoffer] en/of

- likken van/aan haar vagina en/of

- brengen van zijn tong in haar mond;

art 242 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks de periode 01 december 2016 tot en met 3 mei 2017, althans 03 mei 2017 te Rotterdam

opzettelijk aanwezig heeft gehad

ongeveer 44,6 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van

een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen

van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd (hasjiesj),

zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst

II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

art 3 ahf/ond C Opiumwet

art 11 lid 2 Opiumwet

3.

hij op of omstreeks de periode 01 december 2016 tot en met 3 mei 2017, althans 03 mei 2017 te Rotterdam

om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de

Opiumwet,

te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen,

afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland

brengen van cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende

cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende

lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen

- een (grote) hoeveelheid versnijdingsmiddel(en), te weten 3261,4 gram

paracetamol en/of 146,9 gram fenacetine en/of

- een of meer (drugs)pers(en),

voorhanden heeft gehad,

waarvan verdachte wist of ernstige redenen had te vermoeden dat dat/die

bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en);

art 10a lid 1 ahf/sub 3 alinea Opiumwet

art 10 lid 4 Opiumwet

art 10 lid 5 Opiumwet

4.

hij op of omstreeks de periode 01 december 2016 tot en met 3 mei 2017, althans 03 mei 2017 te Rotterdam

munitie in de zin van artikel 1, lid 1 onder 4º van de Wet wapens en munitie,

te weten munitie als bedoeld in artikel 2 lid 2 van die wet, van de Categorie

III, te weten

5 ( volmantel) kogelpatronen, kaliber 9mm

voorhanden heeft gehad;

art 26 lid 1 Wet wapens en munitie