Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:6597

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
22-08-2017
Datum publicatie
28-08-2017
Zaaknummer
10/690322-16 / VI-nummer 99/000248-38
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bewezenverklaring poging tot doodslag, voorhanden hebben vuurwapen, beschadigen van auto’s, aanwezig hebben van MDMA, tweemaal mishandeling en openlijke geweldpleging in vereniging. Verweren (putatief) noodweer(exces) met betrekking tot poging tot doodslag en het beschadigen van de auto’s worden verworpen. De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10/690322-16

VI-nummer: 99/000248-38

Datum uitspraak: 22 augustus 2017

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaken tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd te:

Penitentiaire Inrichting Dordrecht,

raadsman mr. M.J. Lamers, advocaat te Utrecht.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 8 augustus 2017.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. Kort gezegd wordt de verdachte beschuldigd van een poging doodslag (feit 1), het voorhanden hebben van een vuurwapen met munitie (feit 2), de vernieling van meerdere auto’s (feit 3), het voorhanden hebben van MDMA (feit 4), twee mishandelingen (feit 5 en 6) en openlijk geweld (feit 7).

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie, mr. L.C. Visser, heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1 tot en met 7 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaar, met aftrek van voorarrest;

  • -

    herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling, in de zaak met VI-nummer 99/000248-38 voor de volledige termijn, zijnde 1217 dagen.

4 Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft tot vrijspraak dan wel ontslag van alle rechtsvervolging geconcludeerd voor feit 1 en 3 en tot vrijspraak voor feit 4. Voor feit 2 is gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank en voor de feiten 5, 6 en 7 is geconcludeerd dat een bewezenverklaring kan volgen. Daarnaast is verweer gevoerd ten aanzien van de gevorderde straf en de herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling.

5 Waardering van het bewijs

5.1.

Feit 1 (poging doodslag [naam slachtoffer 1] ) en feit 3 (vernieling meerdere auto’s)

5.1.1.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van de feiten 1 en 3. Voor feit 1 is daartoe aangevoerd dat de verdachte geen opzet had op de dood van [naam slachtoffer 1] die de verdachte kent als [nickname slachtoffer] . Hij wilde zich slechts verdedigen en schoot bewust niet op [nickname slachtoffer] maar op de auto waar [nickname slachtoffer] achterstond en in de lucht. Hij heeft de dood van [nickname slachtoffer] niet gewild noch een aanmerkelijke kans daarop willens en wetens aanvaard. De noodzaak tot verdediging tegen [nickname slachtoffer] maakt ook dat de beschadiging van diverse auto’s niet wederrechtelijk was.

5.1.2.

Beoordeling

Vast staat – de verdachte erkent dat ook – dat hij op korte afstand met een automatisch vuurwapen heeft geschoten tegen een auto waar [nickname slachtoffer] op dat moment achter stond. Hij schoot in de lengterichting van die auto: de verdachte stond vlak voor en [nickname slachtoffer] stond direct achter de auto. Meerdere kogels hebben die auto geraakt en één van de kogels is door de voorruit gegaan. Er zijn in totaal 26 hulzen gevonden en een deel van de afgeschoten kogels hebben andere auto’s geraakt die nabij geparkeerd stonden. Vastgesteld wordt daarom dat de verdachte (ook) in de richting van [nickname slachtoffer] schoot en dat van gericht vuur, alleen op de auto waar [nickname slachtoffer] achterstond, geen sprake is. Onder die omstandigheden is er minst genomen sprake van voorwaardelijk opzet op de dood van [nickname slachtoffer] . [nickname slachtoffer] is niet geraakt en dat maakt dat feit 1, een poging doodslag, bewezen kan worden. Ook feit 3 (de vernieling van de auto’s) kan bewezen worden: het beroep op noodweer slaagt niet om de redenen die hierna in § 6 uiteengezet worden.

5.2.

Feit 4 (bezit MDMA pillen)

5.2.1.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van feit 4. De verdediging stelt zich op het standpunt dat het enkele aantreffen van 196 MDMA-pillen in de woning van de verdachte niet voldoende is om het “voorhanden hebben” van deze drugs bewezen te achten. De daarvoor vereiste beschikkingsmacht ontbreekt, nu wetenschap van de aanwezigheid van de pillen niet aanwezig was. Hiertoe is aangevoerd dat normaliter het uitgangspunt is dat wat in de woning wordt aangetroffen in beginsel voor rekening komt van de bewoner. Dit is echter anders indien hier een gedetailleerde, niet onaannemelijke verklaring tegenover wordt gesteld. De verdachte verklaart desgevraagd gedetailleerd over een alternatief scenario, namelijk dat deze pillen van een vriend zijn die zijn huis werd uitgezet door de deurwaarder en die de pillen buiten medeweten van de verdachte in diens huis heeft achtergelaten. De verdachte noemt bovendien de naam van deze vriend, hetgeen de verklaring volgens de verdediging verifieerbaar maakt.

5.2.2.

Beoordeling

Vast staat dat er op 5 september 2016 in de woning van de verdachte 196 pillen zijn gevonden. Verder blijkt uit het NFI-onderzoek d.d. 27 september 2016 dat deze pillen MDMA bevatten. De verdachte stelt daar tegenover dat deze pillen van een vriend, genaamd [naam vriend verdachte] , moeten zijn die zijn huis werd uitgezet. De verdachte zelf weet naar eigen zeggen niets van deze pillen af.

Onder deze omstandigheden is het aan de verdachte om aan het door hem geschetste alternatieve scenario handen en voeten te geven, zodanig dat dit verifieerbaar is.

Het enkel noemen van een voornaam door de verdachte maakt evenwel niet dat de lezing van de verdachte verifieerbaar is. De politie heeft om die reden die lezing ook niet kunnen controleren. Daarmee acht de rechtbank de lezing van de verdachte niet aannemelijk.

De rechtbank verwerpt het verweer en acht feit 4 wettig en overtuigend bewezen.

5.3.

Feit 2 (voorhanden hebben vuurwapen met munitie), feit 5 en 6 (twee mishandelingen en feit 7 (openlijk geweld).

De feiten 2, 5, 6 en 7 zijn door de verdachte bekend. Deze feiten zullen zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.

5.4.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank voor de feiten 1, 3 en 4 de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan.

In bijlage III heeft de rechtbank voor de andere feiten een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het voor deze feiten bewezen verklaarde heeft bekend en nadien geen vrijspraak is bepleit. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2, 5, 6 en 7 ten laste gelegde heeft begaan.

De verdachte heeft de bewezen verklaarde feiten op die wijze begaan dat:

1.

hij op 28 augustus 2016 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon genaamd [naam slachtoffer 1] van het leven te beroven met dat opzet meermalen met een vuurwapen heeft geschoten in de richting van die [naam slachtoffer 1] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op 28 augustus 2016 te Rotterdam een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie II onder 2° van de Wet wapens en munitie en munitie in de zin van art. 1 onder 4° van de Wet wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in art. 2 lid 2 van die wet, van de Categorie II onder 1° voorhanden heeft gehad;

3.

hij op 28 augustus 2016 te Rotterdam meermalen telkens opzettelijk en wederrechtelijk personenauto's, toebehorende aan hierna te noemen rechthebbenden, heeft beschadigd , te weten,

- een Volkswagen Passat, met kenteken [kentekennummer 1] , toebehorende aan [naam slachtoffer 2] en

- een Audi A5, met kenteken [kentekennummer 2] , toebehorende aan [naam slachtoffer 3] en

- een Citroën Berlingo, met kenteken [kentekennummer 3] , toebehorende aan [naam slachtoffer] ;

4.

hij op 5 september 2016 te Capelle aan den IJssel opzettelijk aanwezig heeft gehad 196 pillen van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

5.

(pknr. 692039-16)

hij op 14 februari 2016 te Rotterdam [naam slachtoffer 4] heeft mishandeld door meermalen, telkens met kracht op het hoofd en op de rug, van die [naam slachtoffer 4] te stompen;

6.

hij op 14 februari 2016 te Rotterdam [naam slachtoffer 5] heeft mishandeld door meermalen telkens met kracht in het gezicht van die [naam slachtoffer 5] te stompen;

7.

(pknr. 10/742085-16)

hij op 01 november 2015 te Rotterdam in een voor het publiek toegankelijke ruimte, te weten in discotheek "El Rancho", openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [naam slachtoffer 6] , welk geweld bestond uit het meermalen telkens (met kracht) slaan en schoppen op het hoofd en lichaam van die [naam slachtoffer 6] .

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

6. Strafbaarheid feiten en verdachte1

6.1.

Standpunt verdediging ten aanzien van de feiten 1 en 3

Door de verdediging is aangevoerd dat de verdachte ten aanzien van de feiten 1 en 3 een geslaagd beroep op noodweer toekomt. [nickname slachtoffer] had immers, zo stelt de verdediging, een vuurwapen bij zich. De verdachte reageerde op een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van zijn eigen lijf en dat van anderen, door vervolgens in de richting van [nickname slachtoffer] te schieten. Deze reactie staat in verhouding tot de dreigende aanranding en de verdachte kon niet met minder vergaand handelen ingrijpen. Daarmee is voldaan aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit en is het handelen van de verdachte onder de gegeven omstandigheden gerechtvaardigd.

Indien de reactie van de verdachte niet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit voldoet, dan is de overschrijding van die grenzen het rechtstreekse gevolg geweest van een hevige gemoedsbeweging. De verdachte schrok van de aanwezigheid van [nickname slachtoffer] achter het voertuig, in het bijzonder dat hij daar stil bleef staan en uit zijn broeksband een vuurwapen trok. Door de schrik meende de verdachte dat hij moest handelen zoals hij heeft gedaan, namelijk schieten in de richting van die [nickname slachtoffer] . Die schrik werd veroorzaakt door de

- dreigende - ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van zijn/andermans lijf. Nu daarmee is voldaan is aan de eisen van de dubbele causaliteit, komt hem een geslaagd beroep op noodweerexces toe.

Indien de rechtbank niet aannemelijk acht dat er daadwerkelijk een vuurwapen aanwezig was bij [nickname slachtoffer] , geldt volgens de verdediging dat de verdachte een geslaagd beroep op putatief noodweer(exces) toekomt. [nickname slachtoffer] had alsdan weliswaar kennelijk geen wapen bij zich, maar de verdachte dácht van wel en hij mocht dat ook denken. Zijn vrees was objectiveerbaar en kan de verdachte niet tegengeworpen worden. De reactie van de verdachte is begrijpelijk en overschrijdt de grenzen van de noodzakelijke verdediging niet, afgezet tegen de gerechtvaardigde vrees die bij hem bestond. Hierbij wordt verwezen naar een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 16 december 2015 (ECLI:NL:GHAMS: 2015:5732). Indien de reactie van de verdachte niet zou voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, dan is dit het gevolg van zijn schrikreactie / hevige gemoedsbeweging die het gevolg is van de kennelijk onjuiste aanname van de verdachte dat [nickname slachtoffer] een wapen bij zich had.

Bij het voorgaande dient volgens de verdediging niet alleen rekening gehouden te worden met de feitelijke situatie op 28 augustus 2016, maar ook met eerdere bedreigingen en omstandigheden die zien op de persoon van de verdachte. Daarbij dient dus te worden betrokken een eerdere rapportage omtrent de verdachte, waaruit naar voren komt dat hij onder druk tot agressieve impulsdoorbraken kan komen. In casu is volgens de verdediging aanhoudende druk aannemelijk geworden.

6.2.

Beoordeling

Op grond van de camerabeelden en de overige inhoud van het dossier stelt de rechtbank het volgende vast:

- De verdachte was met zijn vriendin, zusjes, nichten en een vriendin van zijn zusje in de nacht van 27 augustus 2016 op 28 augustus 2016 op stap in een café te Rotterdam. Hierbij was ook een vriend van de verdachte aanwezig. De stapavond verliep naar eigen zeggen van de verdachte zonder problemen. Rond 04.00 uur kwamen er vier jongens het café binnen lopen. Zij deden een drankje en zijn hierna weer weggegaan. Toen het einde van het feest naderde, liep er een menigte naar buiten. De vriend van de verdachte zei tegen de verdachte dat voornoemde jongens raar bezig waren. De vriend van de verdachte vroeg aan [nickname slachtoffer] : “Wat kijk je nou steeds?” waarop [nickname slachtoffer] antwoordde: “dat ze moesten komen”, of woorden van gelijke strekking.

- De politie die kort voor het schietincident aanwezig was, nam een gespannen sfeer waar. Er was (kennelijk) voor de politie niet voldoende aanleiding om te blijven, maar wel genoeg om te zorgen dat de camera’s werden gericht op verdachte en zijn gezelschap.

- Nadat de verdachte het café is uitgegaan, loopt hij richting zijn auto. Zijn gezelschap bevindt zich nog achter hem. Verderop staat [nickname slachtoffer] tussen de geparkeerd staande auto’s met zijn handen op een vreemde manier voor zich geplaatst en als de verdachte over de weg voorbij hem loopt, loopt [nickname slachtoffer] tussen de geparkeerde auto’s met hem op. Als de verdachte stopt met lopen, stopt [nickname slachtoffer] ook met lopen. Het is duidelijk dat [nickname slachtoffer] gefixeerd is op de verdachte. [nickname slachtoffer] legt hierover bij de rechter-commissaris een opmerkelijke ontwijkende verklaring af, die naar het oordeel van de rechtbank eerder kan worden gezien als een verklaring van een verdachte dan van een slachtoffer.

- De rechtbank acht met de officier van justitie aannemelijk dat er sprake is van bedreigingen gericht tot de verdachte, kennelijk vanuit de groep van het slachtoffer van de doodslag op 23 maart 2007, waarvoor verdachte is veroordeeld. Deze bedreigingen worden echter door de verdachte in algemene termen gegoten: hij weigert te zeggen door wie deze bedreigingen worden geuit. Hij zegt ook niet dat die bedreigingen verder gaan dan mondelinge bedreigingen. Volgens de verdachte is dit ook reeds meerdere jaren gaande. De rechtbank stelt zich daarom de vraag waarom de verdachte dacht dat de bedreigingen nu ineens waar gemaakt zouden worden en dat dat juist die nacht zou gebeuren.

Tegen de achtergrond van het voorgaande is de vraag die allereerst beantwoord dient te worden, of er sprake is van een noodweersituatie. Naar vaste rechtspraak is daarvan niet alleen sprake in het geval van een feitelijke aantasting van het lichaam van zichzelf of anderen, maar ook als de betreffende gedragingen een onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor opleveren.

In het dossier bevinden zich de bewegende camerabeelden van de camera’s in de omgeving van de Mijnsherenlaan, alwaar het incident heeft plaatsgevonden. Met name de camerabeelden D1022 (Brielselaan-Maashaven tramhalte) en D1030 (Dordtselaan-Mijnsherenlaan) zijn van belang. Uit deze beelden blijkt dat met zekerheid valt te zeggen dat [nickname slachtoffer] met de verdachte meeloopt en dat [nickname slachtoffer] stopt met lopen zodra de verdachte ook stopt met lopen. Voorts is te zien dat [nickname slachtoffer] achter de auto’s langs loopt met een blikje in zijn handen en hieruit drinkt, zich vervolgens omdraait en dan binnen een fractie van een seconde beschoten wordt. [nickname slachtoffer] duikt hierop weg achter de auto’s. Er is op de camerabeelden niet te zien dat [nickname slachtoffer] iets weggooit. Nadat de verdachte heeft geschoten, blijven de verdachte en [nickname slachtoffer] beiden nog enige tijd op de plaats delict rondhangen, waarbij bij de verdachte een vuurwapen in zijn hand is te zien. De verdachte wordt door zijn familie tegengehouden en [nickname slachtoffer] rent een stukje weg, maar komt daarna weer terug.

De rechtbank is van oordeel dat uit dit handelen van de verdachte - in tegenstelling tot wat hij verklaart - niet blijkt dat hij bang is, maar dat hij boos is.

Verder zijn er enkele getuigen.

De zus van de verdachte, de getuige [naam zus verdachte] , verklaart bij de rechter-commissaris dat zij heeft gezien dat de verdachte aan het schieten was, zij naar hem toe rende, zij op dat moment een andere man zag en toen besefte dat die man de verdachte wilde doodmaken. Zij zag dat die man zijn hand bij zijn broek deed, alsof hij iets wilde pakken. Zij heeft niet gezien dat die man echt iets uit zijn broek haalde.

Bij de beoordeling van de vraag of er sprake was van een noodweersituatie is relevant op welk handelen van [nickname slachtoffer] de verdachte heeft gereageerd en daarmee dus wat zich voordat de verdachte heeft geschoten heeft afgespeeld. De rechtbank gaat om die reden voorbij aan de verklaring van [naam zus verdachte] , nu de rechtbank van oordeel is dat [naam zus verdachte] de situatie vóór het schieten door de verdachte niet kan hebben gezien. Uit haar verklaring volgt immers dat zij naar de verdachte toe rende toen deze al had geschoten. Dat is ook te zien op de camerabeelden.

De vriendin van de verdachte, de getuige [naam vriendin verdachte] , heeft eveneens bij de rechter-commissaris een verklaring afgelegd. Zij verklaart dat zij achter de verdachte aanliep richting de auto van de verdachte en dat zij zag dat er een jongen achter de geparkeerd staande auto’s aan de rechterkant met hen meeliep. Zij dacht toen: “Wat loopt hij verschuild”. Gelet op de voorgeschiedenis van de verdachte, vond zij dit verdacht. [naam vriendin verdachte] zag dat die jongen opeens tussen de auto’s richting hen kwam en zag hem een ‘move’ maken alsof hij iets wilde pakken bij zijn broekzak. Naar haar gevoel wilde hij een wapen pakken. De hand van die jongen ging in zijn broek, waar je knoop zit. Zijn hand kwam er weer uit en in die hand zag [naam vriendin verdachte] iets. Voor haar was dit een wapen, want een mobiel pak je daar niet. Een fractie later hoorde zij schoten.

De rechtbank acht deze verklaring gelet op het volgende niet betrouwbaar.

Op de camerabeelden is te zien dat [naam vriendin verdachte] bij het lopen naar de auto alsmaar richting de auto van de verdachte kijkt. Niet is waar te nemen dat zij op enig moment kijkt in de richting waar [nickname slachtoffer] loopt (blijkens de camerabeelden loopt hij achter een rij geparkeerde auto’s, rechts van en iets achter haar). Op het moment dat zij aankomt bij de auto, draait zij zich met haar gezicht naar de auto van de verdachte toe en daarmee staat zij met haar rug naar [nickname slachtoffer] toe. Daarna is te zien dat zij zich (in ieder geval deels) omdraait, vlak voordat de verdachte het wapen richt en schiet. Deze getuige verklaart wat betreft het meelopen van [nickname slachtoffer] dus wel conform de camerabeelden, maar haar verklaring dat ze [nickname slachtoffer] steeds in de gaten hield, is niet juist. Dat doet afbreuk aan haar geloofwaardigheid, ook waar het betreft de door haar genoemde ‘move’ van [nickname slachtoffer] .

Voorts neemt de rechtbank bij haar oordeel mee dat de verdachte een lange tijd heeft gezwegen omtrent het schietincident en dat hierna deze getuigenverklaring tot stand is gekomen, terwijl de getuige bovendien geen onafhankelijke getuige is. Ook dit doet afbreuk aan de geloofwaardigheid van de verklaring.

Daarnaast is er de verklaring van de verdachte.

De verdachte heeft verklaard dat hij het vuurwapen uit zijn auto heeft gepakt, waarna hij dat in eerste instantie aan [nickname slachtoffer] heeft getoond om hem af te schrikken en dat hij pas heeft geschoten toen dat niet het gewenste resultaat had. Die lezing wordt echter niet ondersteund door de camerabeelden. Daaruit blijkt namelijk dat de verdachte tussen 04:35:39 en 04:35:43 uur zijn vuurwapen uit de auto pakt, terwijl [nickname slachtoffer] om 04:35:55 uur, derhalve ongeveer 12 à 16 seconden later pas achter het geparkeerde voertuig vandaan komt. Daaruit volgt niet alleen dat de verdachte op het moment dat hij het wapen reeds uit zijn auto had gehaald, nog geen wapen of dreigende beweging bij [nickname slachtoffer] had kunnen waarnemen, maar eveneens dat hij het wapen reeds enige tijd in zijn hand had toen [nickname slachtoffer] tussen de auto’s vandaan kwam lopen. Slechts 2 seconden later, om 04:35:57 uur, schiet de verdachte vervolgens gericht op [nickname slachtoffer] . Op dat moment staat [nickname slachtoffer] achter de auto en op de beelden is geen aanvallende beweging door [nickname slachtoffer] te zien. Hoewel [nickname slachtoffer] zich inderdaad vreemd gedroeg, is het de verdachte die zelf de situatie heeft doen escaleren door het wapen te pakken.

Gelet op het zeer korte tijdsverloop tussen het zichtbaar worden van [nickname slachtoffer] en het moment dat de verdachte heeft geschoten is de rechtbank van oordeel dat het niet aannemelijk is dat verdachte heeft gezien of heeft kunnen zien dat [nickname slachtoffer] iets uit zijn broeksband haalde. Voorts heeft niemand een vuurwapen bij [nickname slachtoffer] waargenomen, is niet gebleken dat [nickname slachtoffer] op enig moment iets heeft weggegooid en is er - ondanks een gerichte zoekactie van de politie - ook geen vuurwapen bij [nickname slachtoffer] , dan wel in de omgeving aangetroffen waar hij heeft gelopen en is aangehouden. Dat er op de camerabeelden op enig moment bij [nickname slachtoffer] vlak boven zijn broeksband mogelijk een bolling is waar te nemen, doet hier niet aan af, nog daargelaten dat [nickname slachtoffer] direct daaraan voorafgaand en profiel is te zien, waarbij die bolling niet zichtbaar is. Dat [nickname slachtoffer] een vuurwapen bij zich had, valt weliswaar niet geheel uit te sluiten, maar is niet aannemelijk geworden.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de verdachte de hem verweten gedraging niet heeft verricht in een situatie waarin en op een tijdstip waarop voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van zijn eigen of eens anders lijf tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, dan wel het onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor. De verdachte komt geen geslaagd beroep op noodweer toe. Een beroep op noodweerexces kan - reeds wegens het ontbreken van een noodweersituatie - evenmin slagen.

De vervolgvraag is of het beroep op putatieve noodweer(exces) slaagt.

Een beroep op putatief noodweer(exces) slaagt indien de verdachte verontschuldigbaar heeft gedwaald ten aanzien van het bestaan van een noodweersituatie. Daartoe dient te worden vastgesteld, of de verdachte redelijkerwijs kon en mocht menen dat (tenminste) sprake was van een onmiddellijk dreigend gevaar waartegen verdediging geboden was. Beslissend daarbij is de beoordeling van een objectieve waarnemer, geplaatst in de schoenen van de verdachte, ten tijde van het handelen en op grond van hetgeen ter plaatse op dat moment gebeurt. Puur subjectieve vergissingen van de verdachte doen niet ter zake.

De rechtbank leidt uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting af, dat de verdachte tot het schieten is overgegaan, naar zijn zeggen in de veronderstelling dat [nickname slachtoffer] gewapend was - omdat hij zijn hand naar zijn broeksriem bracht en de verdachte daar iets zilverkleurigs zag - waarmee de verdachte in de veronderstelling verkeerde dat [nickname slachtoffer] hem wilde beschieten. De rechtbank is van oordeel dat de omstandigheden van het onderhavige geval, waaronder de voorgeschiedenis van het conflict, die vergissing niet kunnen rechtvaardigen. Niet kan worden gezegd dat een derde, ook indien daarbij de voorgeschiedenis van de verdachte zou worden betrokken, op grond van de hiervoor beschreven feitelijke situatie, redelijkerwijs en objectief tot de conclusie had kunnen komen dat sprake was van een zodanig onmiddellijk (dreigende) aanranding, dat verdediging geboden was.

Daarbij merkt de rechtbank op dat de aangehaalde voorgeschiedenis van de verdachte, waaronder de door hem gestelde bedreigingen, niet concreet genoeg is om een beroep op putatief noodweer(exces) te laten slagen. De verdachte is in elkaar geslagen in de penitentiaire inrichting door een groep, volgens de verdachte van de zijde van het slachtoffer van de in maart 2007 gepleegde doodslag. Echter, dat gebeurde nadat de verdachte op [nickname slachtoffer] had geschoten. Verder is niet gebleken van eerder concreet en specifiek tegen hem gericht geweld daarmee, laat staan door middel van een vuurwapen. De voorgeschiedenis heeft dan ook niet voldoende gewicht en betekenis om te oordelen dat de verdachte in de onderhavige situatie kon en mocht menen dat sprake was van een ogenblikkelijke aanranding.

Zoals hiervoor overwogen is de rechtbank bovendien van oordeel dat het handelen van verdachte, zoals waarneembaar op de camerabeelden, er op wijst dat hij boos was en niet dat hij bang was.

Door de verdediging is aangehaald dat bij de beoordeling van (putatief) noodweerexces dient te worden betrokken dat de verdachte onder druk tot agressieve impulsdoorbraken kan komen. De rechtbank laat de geestesvermogens van de verdachte bij de beoordeling hiervan echter buiten beschouwing, nu het, zoals gezegd, gaat om wat een derde, geplaatst in de schoenen van de verdachte, in de gegeven situatie kon en mocht denken.

6.3.

Conclusies

De verweren worden verworpen.

Er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten 1 en 3 - dan wel de overige ten laste gelegde feiten - en de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar en de verdachte is hier strafbaar voor.

De bewezen feiten leveren op:

Feit 1:

poging tot doodslag.

Feit 2:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit

begaan met betrekking tot een wapen van categorie II.

Feit 3:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander

toebehoort, beschadigen, meermalen gepleegd.

Feit 4:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet

gegeven verbod.

Feit 5 en 6:

mishandeling.

Feit 7:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

7 Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feiten waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft zich in de nacht van 27 op 28 augustus 2016 schuldig gemaakt aan poging tot doodslag doordat hij na de afloop van feest voor een uitgaansgelegenheid met een automatisch vuurwapen heeft geschoten in richting van [naam slachtoffer 1] . Hierbij zijn diverse auto’s in de omgeving doorboord door kogels, wat des te meer aangeeft hoe de kogels in het rond hebben gevlogen. [naam slachtoffer 1] mag van geluk spreken dat hij niet is geraakt en dit schietincident heeft kunnen navertellen. Bovendien was er nog aantal mensen dat zich in de buurt van dit schietincident bevond en die door de rondvliegende kogels hadden kunnen worden geraakt. De rechtbank weegt zwaar in het nadeel van de verdachte mee dat er door zijn toedoen een zeer gevaarzettende situatie is ontstaan voor zijn omgeving.

Naast de poging tot doodslag heeft de verdachte zich tegelijkertijd schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een automatisch vuurwapen met munitie en vernieling van een drietal voertuigen.

De rechtbank acht dit zeer ernstige strafbare feiten. Een poging tot doodslag schokt de rechtsorde zeer en brengt ook buiten de directe omgeving van het slachtoffer angst en gevoelens van onveiligheid teweeg, zeker nu dit feit is gepleegd op de openbare weg en vlakbij een uitgaansgelegenheid.

Uit verdachtes handelen blijkt dat hij het risico op de dood van een mens heeft willen nemen. Daarnaast is het voorhanden hebben van een vuurwapen met bijbehorende munitie volstrekt onaanvaardbaar, omdat de beschikbaarheid van vuurwapens een groot risico van het gebruik van deze wapens met zich mee brengt, zoals zich in dit geval ook heeft verwezenlijkt, en hetgeen een groot gevaar voor de samenleving oplevert.

Door het op deze manier uitoefenen van grof geweld is bovendien schade ontstaan aan de voertuigen. Dit soort feiten zorgt bij de eigenaren van de voertuigen voor gevoelens van grote onveiligheid en onmacht. Het is voor hen immers niet of nauwelijks mogelijk zich tegen deze vorm van geweld te beveiligen.

De verdachte heeft zich aan dit alles echter niets gelegen laten liggen.

Voorts bleek de verdachte tijdens een huiszoeking 196 pillen die MDMA bevatten in zijn kelderbox aanwezig te hebben.

Verder heeft de verdachte zijn vriendin en haar nichtje mishandeld door hen meermalen te slaan. De verdachte en zijn vriendin zijn heftig met elkaar in conflict geraakt in de woning van de vriendin. Het nichtje van de vriendin - die die avond op de twee kinderen van de vriendin van de verdachte aan het passen was en die ook aanwezig was op het moment van de vechtpartij - zag dit gebeuren en wilde de verdachte stoppen. Hierop is ook zij het slachtoffer geworden van het fysieke geweld, toegepast door de verdachte.

Tot slot heeft de verdachte zich samen met anderen schuldig gemaakt aan openbare geweldpleging, waarbij het slachtoffer werd geschopt en geslagen op zijn hoofd en lichaam. Dit soort uitgaansgeweld heeft een grote invloed op de samenleving. Het gevoel van onveiligheid en intolerantie in de openbare ruimte wordt hierdoor versterkt.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 13 juli 2017 op naam van de verdachte, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. De rechtbank rekent het de verdachte in het bijzonder zwaar aan dat dit niet de eerste keer is dat hij met een vuurwapen heeft geschoten op/richting een persoon. De thans bewezen verklaarde poging doodslag is nota bene gepleegd terwijl de verdachte in een periode van vervoegde invrijheidstelling betreffende een eerdere veroordeling voor doodslag liep.

7.3.2.

Rapportages

De rechtbank heeft kennis genomen van het rapport van Reclassering Nederland van

7 december 2016.

Psycholoog drs. W.J.L. Lander heeft een rapport over de verdachte opgemaakt gedateerd 22 november 2016. Hieruit blijkt onder andere dat uit het Pro Justitia-rapport uit 2008 is gebleken dat bij de verdachte een persoonlijkheidsstoornis NAO (Niet Anderszins Omschreven) met afhankelijke, narcistische en antisociale kenmerken is vastgesteld en er wordt geconcludeerd dat de verdachte op zwakbegaafd niveau functioneert. Het is bekend dat een persoonlijkheidsstoornis een stabiel karakter heeft en moeilijk veranderbaar is en zwakbegaafdheid is een statisch fenomeen dat niet veranderbaar over tijd is.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van lange duur. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd. De verdediging heeft de rechtbank verzocht om te volstaan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van maximaal 1 jaar. De rechtbank ziet hier geen aanleiding voor, gelet op de ernst van de feiten en het strafblad van verdachte.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

8 In beslag genomen voorwerpen

De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht om geen beslissing te nemen op de in beslag genomen voorwerpen, gelet op het conservatoire beslag dat er thans op rust.

De rechtbank zal, gelet op het verzoek van de officier van justitie, daarop geen beslissing nemen.

9 Vorderingen benadeelde partijen

9.1.

Vorderingen

Als benadeelde partijen hebben zich in het geding gevoegd:

- [naam benadeelde 1] en [naam benadeelde 2] ter zake van het onder 3 ten laste gelegde feit.

Zij vorderen respectievelijk een vergoeding van € 8.669,79 en € 10.711,61 aan materiële schade;

- [naam benadeelde 3] ter zake van het onder 5 ten laste gelegde feit.

De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 400,- aan immateriële schade;

- [naam benadeelde 4] van het onder 7 ten laste gelegde feit.

De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 1.411,00 aan materiële schade en een vergoeding van € 4.340,00 aan immateriële schade.

9.2.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat:

  • -

    de vorderingen van de benadeelde partijen [naam benadeelde 1] en [naam benadeelde 2] geheel dienen te worden toegewezen, gelet op de onderbouwingen daarvan;

  • -

    de vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde 3] gedeeltelijk dient te worden toegewezen, namelijk tot € 300,-, en voor het overige niet-ontvankelijk dient te worden verklaard;

  • -

    de vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde 4] gedeeltelijk dient te worden toegewezen, namelijk tot € 300,-, en voor het overige niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. De verdachte is hiervoor samen met zijn mededaders hoofdelijk aansprakelijk, zodat wordt verzocht de vordering hoofdelijk toe te wijzen;

- in alle gevallen dient toepassing te worden gegeven aan de schadevergoedingsmaatregel.

9.3.

Standpunt verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat:

- de vorderingen van de benadeelde partijen [naam benadeelde 1] en [naam benadeelde 2] dienen primair te worden afgewezen, gelet op de vrijspraak die ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde feit is bepleit.

Subsidiair dienen de vorderingen niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard. De vorderingen zijn niet genoegzaam onderbouwd. Voorts zijn de vorderingen niet voldoende begrijpelijk onderbouwd, daar zij zijn opgesteld in de Duitse taal, terwijl de procestaal Nederlands is;

- de vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde 3] te summier is onderbouwd om toegewezen te kunnen worden.

Subsidiair dient deze vordering gematigd te worden;

- de benadeelde partij [naam benadeelde 4] mogelijk voor de vechtpartij die zich binnen heeft afgespeeld enige geringe vergoeding toegekend zou kunnen krijgen. Echter, de rol die de aangever daarbij zelf had, als agressor en als persoon die als eerste geweld gebruikte, staat aan toewijzing in de weg.

9.4.

Beoordeling

De benadeelde partijen [naam benadeelde 1] en [naam benadeelde 2] zullen in hun vorderingen niet-

ontvankelijk worden verklaard. De omvangrijke vorderingen zijn in de Duitse taal

opgesteld. Voorts zijn de benadeelde partijen niet verschenen ter terechtzitting om de

vorderingen mondeling toe te lichten, zodat er geen reactie is gekomen op het verweer dat de schade mogelijk door de verzekering is gedekt. De behandeling van de vorderingen behoeven al met al nader onderzoek en leveren daarom een onevenredige belasting van het strafgeding op. De vorderingen kunnen slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De benadeelde partij [naam benadeelde 4] zal in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, nu thans onvoldoende is komen vast te staan dat de schade waarvan vergoeding wordt gevorderd rechtstreeks verband houdt met feit 7. Uit de toelichting van de benadeelde partij blijkt namelijk dat het gevorderde bedrag voornamelijk ziet op het incident dat zich buiten de discotheek heeft afgespeeld. Daarvoor staat de verdachte echter niet terecht.

Nu de vorderingen van de benadeelde partijen [naam benadeelde 1] , [naam benadeelde 2] en [naam benadeelde 4] niet-ontvankelijk zullen worden verklaard, zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten door de verdachte ter verdediging van de vordering gemaakt, welke kosten tot op heden worden begroot op nihil.

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij [naam benadeelde 3] door het onder 5 bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Die schade zal op dit moment op basis van de thans gebleken feiten en omstandigheden naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 300,-. De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard.

De benadeelde partij [naam benadeelde 3] heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 14 februari 2016.

Nu de vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde 3] in overwegende mate zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt tot op heden begroot op nihil.

9.5.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij [naam benadeelde 3] een schadevergoeding betalen van

€ 300,-, vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

De andere benadeelde partijen worden niet-ontvankelijk in hun vordering verklaard.

10 Vordering herroeping voorwaardelijke invrijheidstelling

10.1.

Beslissing waarvan herroeping wordt gevorderd

Bij vonnis van 15 april 2008 van de meervoudige kamer van deze rechtbank is de verdachte veroordeeld voor zover van belang tot een gevangenisstraf van 10 jaar, met aftrek van voorarrest.

De verdachte is op 20 januari 2014 voorwaardelijk in vrijheid gesteld, onder de algemene voorwaarde dat hij zich voor het einde van de hierbij gestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. De proeftijd is ingegaan op 20 januari 2014 en bedraagt 1217 dagen.

10.2.

Standpunt verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling van de officier van justitie dient te worden afgewezen. Het is van belang dat de verdachte ondersteuning van de reclassering behoudt, omdat hij een nieuw leven wil opbouwen in een nieuwe omgeving. Ook de geschiedenis en feiten en omstandigheden van het onder 1 ten laste gelegde feit maken dat het niet opportuun is de vordering toe te wijzen.

10.3.

Beoordeling

Door het plegen van de bewezen feiten heeft de verdachte de aan de voorwaardelijke invrijheidstelling verbonden algemene voorwaarde niet nageleefd. Daarom zal de rechtbank de vordering van de officier van justitie tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling toewijzen en gelasten dat het gedeelte van de vrijheidsstraf dat niet ten uitvoer is gelegd, alsnog geheel, te weten 1217 dagen, moet worden ondergaan. De ernst van de bewezen verklaarde feiten rechtvaardigen volledige tenuitvoerlegging.

11 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 36f, 45, 57, 141, 287, 300, 350 van het Wetboek van Strafrecht,

artikel 26 van de Wet Wapens en Munitie en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

12 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

13 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte de ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) jaren;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

verklaart de benadeelde partijen [naam benadeelde 1], [naam benadeelde 2] en [naam benadeelde 4] niet-ontvankelijk in de vorderingen;

veroordeelt de benadeelde partijen [naam benadeelde 1], [naam benadeelde 2] en [naam benadeelde 4], ieder voor zich, in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, en begroot deze kosten op nihil;

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde 3], te betalen een bedrag van € 300,- (zegge: driehonderd euro), bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 14 februari 2016 tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart de benadeelde partij [naam benadeelde 3] niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij [naam benadeelde 3] gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam benadeelde 3] te betalen € 300,- (hoofdsom, zegge: driehonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 februari 2016 tot aan de dag van de algehele voldoening; beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van € 300,- vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 6 dagen; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij [naam benadeelde 3], tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;

wijst toe de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling;

gelast dat het gedeelte van de vrijheidsstraf dat niet ten uitvoer is gelegd, groot 1217 dagen, alsnog moet worden ondergaan.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. N. Doorduijn, voorzitter,

en mrs. R.J.A.M. Cooijmans en R. Brand, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. L. Lobs-Tanzarella, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 28 augustus 2016 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon genaamd [naam slachtoffer 1] en/of (een) of meer tot op heden onbekend gebleven perso(o)n(en) van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet meermalen, althans eenmaal met een vuurwapen (althans met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp) heeft geschoten op, althans in de richting van die [naam slachtoffer 1] en/of die tot op heden onbekend gebleven perso(o)n(en), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 28 augustus 2016 te Rotterdam (een) wapen(s) als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie II onder 2° en/of Categorie III onder 1° van de Wet wapens en munitie, in elk geval een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3° van die wet in de vorm van een pistool en/of munitie in de zin van art. 1 onder 4° van de Wet wapens en munitie, te weten

munitie als bedoeld in art. 2 lid 2 van die wet, van de Categorie II onder 1° en/of van de Categorie III, voorhanden heeft gehad;

3.

hij op of omstreeks 28 augustus 2016 te Rotterdam meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk en wederrechtelijk (een) (personen)auto('s), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan hierna te noemen rechthebbende(n), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en / of beschadigd en / of onbruikbaar gemaakt, te weten,

- een Volkswagen Passat, met kenteken [kentekennummer 1] , geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer 2] en/of

- een Audi A5, met kenteken [kentekennummer 2] , geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer 3] en/of

- een Citroën Berlingo, met kenteken [kentekennummer 3] , geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer] ;

4.

hij op of omstreeks 05 september 2016 te Capelle aan den IJssel opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 196, althans een of meer pillen MDMA, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

5.

(pknr. 692039-16)

hij op of omstreeks 14 februari 2016 te Rotterdam [naam slachtoffer 4] heeft mishandeld door meermalen, althans éénmaal (telkens) (met kracht) tegen/op het hoofd en/of tegen/op de rug, in elk geval tegen/op het lichaam van die [naam slachtoffer 4] te slaan en/of te stompen;

6.

hij op of omstreeks 14 februari 2016 te Rotterdam [naam slachtoffer 5] heeft mishandeld door meermalen, althans éénmaal (telkens) (met kracht) tegen/in het gezicht en/of tegen/op (een) arm(en) en/of tegen/op (een) be(e)n(en), in elk geval tegen/op het lichaam van die [naam slachtoffer 5] te slaan en/of te stompen;

7.

(Pknr 10/742085-16)

hij op of omstreeks 01 november 2015 te Rotterdam op een voor het publiek toegankelijke plaats en/of in een voor het publiek toegangkelijke ruimte, te weten in discotheek "El Rancho", openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [naam slachtoffer 6] , welk geweld bestond uit het meermalen, althans eenmaal (telkens) (met kracht) slaan/stompen en/of schoppen/trappen in/op/tegen het hoofd en/of gezicht en/of lichaam van die [naam slachtoffer 6] .

1 Opmerking rechtbank: voor de leesbaarheid van dit vonnis wordt het beroep op noodweer, noodweerexces, putatief noodweer en putatief noodweerexces ten aanzien van de feiten 1 en 3 in dit vonnis gezamenlijk behandeld, ondanks het feit dat een geslaagd beroep daarop deels betrekking heeft op de bewezen verklaring van feit 3.