Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:6508

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
23-08-2017
Datum publicatie
23-08-2017
Zaaknummer
C/10/512483 / HA ZA 16-1028
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing van vordering van erven om voor recht te verklaren dat in het verleden door erflater aan een museum in bruikleen gegeven kunst eigendom is van de erven. Vaststelling dat eigendom in het verleden op een derde is overgegaan en dat er destijds een einde is gekomen aan de bruikleenovereenkomst tussen de erflater en het museum

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team haven en handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/512483 / HA ZA 16-1028

Vonnis van 23 augustus 2017

in de zaak van

1 [eiseres 1] ,

wonende te Amsterdam,

2. [eiser 2],

wonende te Örsundsbro, Zweden,

3. [eiseres 3],

wonende te Rotterdam,

4. [eiseres 4],

wonende te Amsterdam,

5. [eiseres 5],

wonende te Amsterdam,

6. [eiseres 6],

wonende te Doorn,

eisers,

advocaat mr. M.Ch. Kaaks te Amsterdam,

tegen

1. de stichting

STICHTING MUSEUM BOIJMANS VAN BEUNINGEN,

gevestigd te Rotterdam,

2. de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE ROTTERDAM,

zetelend te Rotterdam,

3. de stichting

STICHTING TOT BEHEER MUSEUM BOIJMANS VAN BEUNINGEN,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagden,

advocaat mr. W.I. Wisman te 's-Gravenhage.

Partijen zullen hierna [eisers] en Museum Boijmans c.s. genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 11 oktober 2016;

  • -

    de akte houdende overlegging producties bij dagvaarding van 19 oktober 2016;

  • -

    de conclusie van antwoord van 11 januari 2017, met producties;

  • -

    de brief van 8 februari 2017 van de rechtbank, waarbij partijen zijn opgeroepen voor een comparitie van partijen;

  • -

    de brieven van 17 en 18 mei 2017 van de rechtbank, waarbij is gereageerd op een procedureel verzoek van Museum Boijmans c.s. en partijen nader zijn geïnformeerd over de comparitie van partijen;

  • -

    de akte houdende overlegging producties voor de zitting van 1 juni 2017 van [eisers] ;

  • -

    de akte houdende overlegging producties voor de zitting van 1 juni 2017 van Museum Boijmans c.s.;

  • -

    de notitie voor comparitie van mr. Kaaks;

  • -

    de pleitnota van mr. Wisman;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 1 juni 2017;

  • -

    de brief van 12 juni 2017 van mr. Kaaks;

  • -

    de brief van 16 juni 2017 van mr. Wisman.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eisers] zijn erfgenamen (zes van de in totaal veertien) van Franz Wilhelm Koenigs (hierna: Franz Koenigs).

2.2.

Franz Koenigs was een van oorsprong Duitse bankier, geboren op 3 september 1881. In 1922 of 1923 is Franz Koenigs met zijn vrouw Anna gravin von Kalckreuth (hierna: Anna Koenigs) en hun kinderen naar Haarlem verhuisd. In 1939 werd aan Franz Koenigs het Nederlandse staatburgerschap verleend. Op 6 mei 1941 is Franz Koenigs op een treinstation te Keulen om het leven gekomen.

2.3.

Franz Koenigs was zeer gefortuneerd. Hij verzamelde tekeningen en schilderijen.

2.4.

Begin jaren dertig ondervond Franz Koenigs financiële problemen door de wereldwijde economische recessie. Op 9 september 1931 heeft Franz Koenigs een bedrag van 1,5 miljoen gulden geleend van de N.V. Bankierskantoor Lisser & Rosenkranz (hierna: Lisser & Rosenkranz).

2.5.

Lisser & Rosenkranz was een Amsterdamse bank met overwegend Joodse aandeelhouders en een Joodse directeur. Franz Koenigs had een minderheidsbelang van ongeveer 2,4% in Lisser & Rosenkranz. Franz Koenigs en zijn gezin waren zelf niet Joods.

2.6.

Tot zekerheid van de terugbetaling van de geldlening van 9 september 1931 droeg Franz Koenigs zijn tekeningencollectie in fiduciaire eigendom (eigendom tot zekerheid) over aan Lisser & Rosenkranz. Een handgeschreven akte van 9 september 1931 vermeldt - naar de rechtbank begrijpt - het volgende (productie 7 bij conclusie van antwoord):

'Amsterdam 9 Sep 1931

Herren Lisser & Rosenkranz N.V. Amsterdam

Sie haben mir namens einer

Gruppe zugesagt an der Capital

erhöhung von Rhodius Koenigs

Handels Mij im Ausmass von

fl 1.500.000,= mitzuwirken und

halten daraufhin schon ein

grösseres Guthaben bei dieser

Firma. Zur Sicherstellung des

selben übereigne ich Ihnen

hiermit meine Zeichnungs-

sammlung, wie sie sich zur

Zeit in meinem Haus (Wohnung)

Florapark 8 Haarlem befindet.

Hochachtungsvoll

F. Koenigs'

2.7.

Deze handgeschreven akte is bij een akte van 2 oktober 1931 geformaliseerd. De akte van 2 oktober 1931 is echter niet bewaard gebleven.

2.8.

Tot 1935 was de door Franz Koenigs verzamelde kunst ondergebracht in zijn woning te Haarlem. Van zijn uitgebreide tekeningenverzameling is destijds, waarschijnlijk over een periode van een aantal jaren, een getypt overzicht opgesteld door de Duitse kunsthistoricus Dr. H. Lütjens (hierna: Lütjens). Op 15 juni 1935 heeft Lütjens op één A4 een overzicht opgenomen van de 'Zeichnungssammlung F. Koenig'. Dat overzicht vermeldt 2.140 'Blatt'. Verder vermeldt dat overzicht (productie 5 bij dagvaarding):

'Mit Ausnahme der wenigen oben sowie im Katalog angegebenen Zeichnungen, die in Haarlem verblieben sind, und mit Ausnahme der jeweils für beschränkte Zeit auf Ausstellungen befindlichen Zeichnungen, über die besondere Listen geführt werden, befindet sich die gesamte Zeichnungssamlung im Boymans Museum in Rotterdam.'

2.9.

Een door De Waal & Zoon te Amsterdam aan 'de Directie van Museum Boymans' gerichte nota van gesloten Transport assurantie van 15 mei 1935 vermeldt als omschrijving (productie 13 bij conclusie van antwoord):

'ten behoeve van:

den Weled. Geb. Heer F. Koenigs

fl. 2.500.000,--

op Schilderyen en Teekeningen.

per auto-Tapissiere

van Amsterdam en/of Haarlem

naar Rotterdam'

2.10.

Een getypte onderhandse akte van 1 juni 1935 tussen enerzijds Franz Koenigs en anderzijds Lisser & Rosenkranz is op 15 juli 1935 geregistreerd (productie 8 bij conclusie van antwoord). Die akte vermeldt onder meer:

'(…) Zijn het navolgende overeengekomen:

I.

De bij voormelde onderhandsche akte van den 2 October 1931 tusschen partijen aangegane overeenkomst van geldleening wordt ontbonden en buiten effect gesteld, met kwijting en décharge ten aanzien der in die overeenkomst omschreven leenschuld.

Koenigs erkent bij deze van Lisser & Rosenkranz ter leen te hebben ontvangen en mitsdien aan haar schuldig te zijn de somma van f. 1.375.000.-- (…) en £ 17.000.-/- (zeventienduizend pond sterling, Engelsch courant).

Koenigs verbindt zich over zijne voorgeschreven schuld of het daarvan onafgelost gebleven gedeelte, aan Lisser & Rosenkranz eene rente te zullen vergoeden van 4% 's-Jaars, met welke rente de hoofdsom der schuld zal worden vermeerderd en die tegelijk met de terugbetaling dier hoofdsom zal moeten worden voldaan.

II.

Deze geldleening wordt aangegaan voor den tijd van vijf jaren, ingaande op den eersten Juni 1935 en mitsdien eindigende den 31 Mei 1940. Nochtans zal Lisser & Rosenkranz ook na laatstgenoemden datum niet gerechtigd zijn het alsdan door Koenigs onderscheidenlijk aan haar en aan Gustav M.Altmann voornoemd verschuldigde bedrag op te eischen, doch zullen deze vorderingen uit hoofde van kapitaal en rente uitsluitend kunnen en mogen worden verhaald op de hieronder omschreven zekerheden. Intussen heeft Koenigs het recht deze geldleening te allen tijde geheel of bij gedeelten aan Lisser & Rosenkranz af te lossen.

III.

Tot zekerheid voor de richtige terugbetaling van al hetgeen Lisser & Rosenkranz zoo voor zich als ten behoeve van Gustav M.Altmann voornoemd ter zake deze geldleening aan hoofdsom en rente te eeniger tijd van Koenigs te vorderen heeft of mocht krijgen, draagt Koenigs aan Lisser & Rosenkranz in eigendom over, welke laatste van genen in eigendom aanneemt, de teekeningen en schilderijen, als nauwkeurig gespecificeerd op de aan deze akte gehechte en door beide partijen gewaarmerkte lijst, tevens vermeldende waar ter plaatse zij zich bevinden en aan wie zij in bruikleen zijn gegeven.

IV.

Onverminderd de verplichting van Koenigs om op verlangen van Lisser & Rosenkranz te allen tijde de bruikleen der vorenbedoelde teekeningen en schilderijen op te zeggen en dezelve aan Lisser & Rosenkranz uit te leveren, cedeert en draagt Koenigs bij deze aan Lisser & Rosenkranz over, welke laatste van genen in cessie en overdracht aanneemt, de vorderingen, welke Koenigs zoo uit hoofde der voorschreven bruikleening als ter zake van eventueel geïncasseerde assurantiepenningen tegen den Staat der Nederlanden, de Gemeente Rotterdam en de anderen, die de bovenbedoelde teekeningen en schilderijen in bruikleen mochten ontvangen, tot derzelver teruggaven heeft of zal kunnen doen gelden.

Lisser & Rosenkranz is te allen tijde onherroepelijk gemachtigd deze cessie en overdracht aan de betrokken schuldenaren te doen betekenen.

V.

Koenigs is verplicht de vorenbedoelde teekeningen en schilderijen voor zijne rekening tegen diefstal, brand en andere beschadiging verzekerd te doen houden en de betreffende assurantiepolissen desverlangd, na aanwijzing van Lisser & Rosenkranz als begunstigde, aan deze laatste ter hand te stellen.

Voorts is Koenigs verplicht bij de onderteekening dezes het bewijs bij te brengen, dat de tusschen hem en den Staat der Nederlanden, voor wat betreft de zich in het Rijksmuseum en met de Gemeente Rotterdam, voor wat betreft de zich in het museum Boymans bevindende schilderijen en teekeningen betreft, gesloten bruikleen, bij het overlijden van Koenigs automatisch eindigt.

VI.

Zodra de voorschreven vordering van Lisser & Rosenkranz op Koenigs, zoo wat de hoofdsom als rente betreft, geheel zal zijn gedelgd, doet Lisser & Rosenkranz ten behoeve van Koenigs afstand van haar eigendomsrecht op de bovenbedoelde teekeningen en schilderijen of die, welke daarvan nog over mochten zijn, zullende deze teekeningen en schilderijen alsdan wederom in vollen en vrijen eigendom van Koenigs terugkeeren.

VII.

Na afloop van den in art. 2 genoemden termijn van vijf jaren is Lisser & Rosenkranz onherroepelijk gerechtigd, zoo noodig na opzegging der bruikleening en opeisching der meergenoemde teekeningen en schilderijen, dezelve op haar goeddunkende tijdstippen geheel of bij gedeelten in het openbaar of wel onderhands te verkoopen en de opbrengst te doen strekken in mindering harer vordering.

Ditzelfde recht komt Lisser & Rosenkranz reeds voor den afloop van den gemelden termijn toe, indien Koenigs of een der beide tegenwoordige directeuren van Lisser & Rosenkranz mocht komen te overlijden, dan wel Lisser & Rosenkranz in liquidatie mocht treden of in zoodanige finantieele moeilijkheden geraken, die den verkoop der teekeningen en schilderijen voor hare liquiditeitspositie noodzakelijk maken. Bij overlijden van Gustav M.Altmann voornoemd heeft Lisser & Rosenkranz dit recht eveneens, doch slechts tot een maximum bedrag van £ 17.000.-/-.

In alle gevallen echter zal een openbare verkoop der teekeningen en schilderijen slechts op de gebruikelijke wijze door tusschenkomst eener te goeder naam en faam bekend staande veilingsinstelling mogen geschieden.

Aldus gedaan en in duplo geteekend te Amsterdam, den 1 Juni 1935.'

2.11.

De in voornoemde akte van 1 juni 1935 onder III genoemde 'gewaarmerkte lijst' ('de teekeningen en schilderijen, als nauwkeurig gespecificeerd op de aan deze akte gehechte en door beide partijen gewaarmerkte lijst, tevens vermeldende waar ter plaatse zij zich bevinden en aan wie zij in bruikleen zijn gegeven') is niet in het bezit van partijen.

2.12.

Bij akte van 11 juli 1935, geregistreerd op 15 juli 1935, is de akte van 1 juni 1935 gewijzigd (productie 9 bij conclusie van antwoord). Uit de akte van 11 juli 1935 blijkt dat - kort weergegeven - Lisser & Rosenkranz de vordering van Gustav M.Altmann op Franz Koenigs heeft overgenomen. De door Franz Koenigs verstrekte zekerheid strekt vanaf dat moment uitsluitend tot zekerheid voor de voldoening door Franz Koenigs van zijn verbintenissen jegens Lisser & Rosenkranz.

2.13.

Een stuk van 28 oktober 1935 op briefpapier van mr. N. Beets te Amsterdam (hierna: Beets) vermeldt (productie 8 bij dagvaarding):

'Van Mr. N. Beets voor den Heer Fr. Königs in ontvangst genomen de onderstaande tekeningen:

1. LUCAS VAN LEYDEN: Het huwelijk van Josef en Maria (rond).

2. Richting van FR. COSSA: Mercurius.

3. BRUNSWIJKER MONOGRAMMIST?: Studie van een vrouw met een geplooide kap op.

4. CORNELIS ANTHONISZ: Bouwlieden aan het werk.

5. LUCAS CORNELISZ of CORNELIS CORNELISZ toegeschreven: Christus voor Annas of Cajaphas.

6. TOBIAS STIMMER toegeschreven: Allegorie: Maria en het Kind tegenover Eva en de slang.

7. Onbekende ITALIAAN: Bewegingsstudie van een naakte man.

8. REMBRANDT, naar Titiaan: Hoogepriester.

9. HENDRIK AVERKAMP: Portretten van een man en

10. een vrouw.

11. WATTEAU: naar een figuur in Frans Hals' Rommelpotspeler.'

2.14.

Een brief van 20 november 1935 van de directeur van 'Museum Boymans' aan Franz Koenigs vermeldt (productie 12 bij conclusie van antwoord):

'Hooggeachte heer Koenigs,

Hierbij heb ik het genoegen U een ontvangstbewijs van uw verzameling te doen toekomen. Mocht u de redactie anders wenschen dan zal ik gaarne Uw bericht daaromtrent tegemoet zien.

Met de meeste hoogachting,'

2.15.

Het ontvangstbewijs van 20 november 1935 vermeldt (productie 12 bij conclusie van antwoord):

'Hierbij verklaart ondergetekende van den Heer F. Koenigs te Haarlem tot wederopzegging te hebben ontvangen zijn verzameling oude schilderijen, benevens zijn oude en 19e eeuwsche teekeningen, zoals beschreven in den catalogus der verzameling, welke door Dr. H Lütjens werd opgemaakt.

Een aantal oude, Italiaanse teekeningen bevindt zich thans nog te Parijs, van waar zij binnenkort aan de collectie zullen worden toegevoegd.

De Directeur van het Museum Boymans'

2.16.

Een brief van 17 december 1935 op briefpapier van F. Koenigs aan de 'Directeur van het Boymans Museum' vermeldt (productie 13 bij conclusie van antwoord):

'Mijnheer,

In opdracht van den Heer Koenigs doe ik U hierbij toekomen eene specificatie van schilderijen, boeken en teekeningen, in Uw museum aanwezig, door U tegen brandschade verzekerd.

Met de meeste hoogachting,

Secretaris'

2.17.

Achter de brief van de secretaris van Franz Koenigs is een specificatie gevoegd van twee rubrieken, 'Teekeningen:' en 'Schilderijen:', op twee pagina's A4 met daarachter vermelding van waardes ('Specificatie - Collectie F. Koenigs'). De totaaltelling sluit op een bedrag van f 2.500.000. De tekeningen zijn onderverdeeld in categorieën en gespecificeerd onder 14 nummers. De nummers 12, 13 en 14 van de rubriek 'Teekeningen:' luiden:

'12. 2 boeken Fra Bartolomeo Teekeningen € 20.000

13. 1 vroeg Italiaansch schetsboek € 20.000

14. 6 Pirkheimer boeken € 10.000'

2.18.

In 1939 is aan de orde gekomen dat de door Franz Koenigs bij Museum Boymans ondergebrachte collectie voor Museum Boymans verworven zou kunnen worden.

2.19.

Een brief van 31 augustus 1939 van de 'Directeur van het Museum Boymans' aan de kunsthandelaar de heer J. Goudstikker te Amsterdam (hierna: Goudstikker) vermeldt (productie 11A bij dagvaarding):

'Even wil ik U op de hoogte brengen van den stand van zaken in de onderhandelingen over de verwerving voor het Museum Boymans van de collectie Koenigs.

Zoals U bekend is acht ik deze verzameling van het allergrootste belang. Ik heb reeds vele stappen gedaan om tot een oplossing te komen: De omstandigheden waren echter niet geheel gunstig, aangezien tot heden vele belangrijke vrienden van het Museum in het buitenland vertoefden en de spanning in den internationalen toestand de gedachten meer bezig houdt dan eenig ander onderwerp. Er is echter van meerdere zijden veel belangstelling voor, die zich ongetwijfeld ook in den daad zal uiten.

In ieder geval wordt er aan deze zaak verder gewerkt.'

2.20.

Een brief van 4 september 1939 van J. Goudstikker N.V. aan 'Dr. D. Hannema, Directeur Museum Boymans' vermeldt (productie 11B bij dagvaarding):

'Ten zeerste dank ik U voor Uw schrijven van den 31en Augustus.

Over dit schrijven heb ik mij in verbinding gesteld met den Heer Koenigs, die mij het recht gegeven heeft de onderhandelingen met U en de andere Heeren in Rotterdam over de aankoop van zijn collectie voort te zetten.

(…)'

2.21.

Een ongedateerde conceptbrief van Goudstikker vermeldt (productie 11C bij dagvaarding):

'Ongeveer een half jaar geleden mocht ik mij in verbinding stellen met Dr. Hannema voor den aankoop voor Rotterdam van de verzameling Königs, hiertoe gemachtigd door den eigenaar en de Amsterdamsche Bankinstelling, die zooals U bekend zal zijn, mede zeggenschap over deze verzameling heeft.

(…)

Dat men mij verzocht mij in Augustus tot Rotterdam te wenden vindt zijn oorsprong hierin, dat allen die belang hadden bij de verzameling Königs, deze liever dan waar ook, voor goed in Rotterdam zouden zien, niet alleen omdat deze stad deze verzameling vele jaren achtereen gastvrijheid heeft verleend, maar mede omdat de verzameling, die de heer Königs met zooveel kennis van zaken en zooveel fijnen smaak bijeengebracht heeft, daardoor bijna in haar geheel voor Nederland behouden zou blijven.

Ik meen dan ook dat Rotterdam van de zijde der bezitters kan rekenen op belangrijke concessies, indien er naar een mogelijkheid gezocht wordt de verzameling te verwerven en zoo werden tot nu toe dan ook alle voorstellen van andere kant voorloopig terzijde gelegd.

Het ligt niet op mijn weg U te spreken over het belang dezer collectie. Voor zoover dit noodig was, heeft de voortvarende en veel meer daartoe bevoegde Directeur van het Museum Boymans, Dr. Hannema, dit ongetwijfeld gedaan, terwijl Gij, mijne Heeren, die het voorrecht bezat de verzameling langentijd binnen de dubbele muren van Uw stad en Museum te huisvesten, zeker doordrongen zijt van de wenschelijkheid van dit bruikleen een bezit te maken.

Alvorens op de details in te gaan, mag ik nu ondanks dit alles toch misschien terloops het feit vaststellen, hetgeen naar het mij wil voorkomen, door niemand betwijfeld wordt, dat het hier gaat om een verzameling van 1914 teekeningen, die geacht wordt de beste particuliere collectie van teekeningen ter wereld te zijn, (…)

De verzameling omvat 194 Nederlandsche teekeningen van vóór 1600. Hieronder bevinden zich werken van (…); verder 135 teekeningen van Rembrandt en diens school, daarenboven 260 teekeningen van andere Nederlanders uit de 17e eeuw, 106 Vlaamsche teekeningen, waarbij (…); 303 teekeningen der Fransche School van vóór 1800 met werken van (…); 560 Italiaanse teekeningen, o.a. van (…) en 281 Oud-Duitsche teekeningen, o.a. (…), benevens nog; 19 Engelsche teekeningen, 23 Duitsche teekeningen van nà 1900; 33 Spaansche teekeningen, terwijl zich in de verzameling nog twee boeken met teekeningen van Fra Bartolommeo bevinden.

Moge deze koele opsomming U wellicht herinneren aan den omvang dezer verzameling, waarin zich vele teekeningen bevinden die wereldberoemd zijn, ze kan toch daarom van nut zijn, omdat U hierbij Uzelf rekenschap geeft, dat deze verzameling eigenlijk tegelijkertijd een doorsnede geeft van de teekenkunst in Europa en ook als zoodanig een veelzijdigheid vertoont, die op dit gebied ongeëvenaard is in een particuliere collectie.

De geheele hier opgesomde verzameling bood ik in opdracht mijner lastgevers in Augustus 1939 aan het Museum Boymans aan voor het bedrag van Fl. 2.200.000,-, terwijl de Heer Koenigs mij toentertijd verzocht aan den Directeur Dr. Hannema te willen mededeelen, dat indien de aankoop tot stand zou komen, hij bereid zou zijn aan het Museum Boymans zijn verzameling oude schilderijen af te staan, die mede niet weinig tot de bekendheid van zijn verzameling hebben bijgedragen. Het zijn 47 stukken, waarbij 4 van Hieronymus Bosch en niet minder dan 26 van Rubens. Het beroemde schilderij, de "Kruisiging" van Grünswald valt hier buiten, ook al omdat de Heer Koenigs hieromtrent bindende afspraken met de Duitsche Regeering heeft.

(…)

Gedurende de ruim zes maanden die inmiddels verlopen zijn, hebben er groote veranderingen in de wereld plaats gevonden, desondanks heeft men gedurende dien tijd rustig willen afwachten of Rotterdam alsnog over den aankoop zou willen denken, temeer, daar men gaarne den Heeren zoveel mogelijk tijd zou willen laten om tot een decisie te komen. Deze opzet blijft ook nu onveranderd voortbestaan, zij het dat de uitvoering van dit voornemen technische moeilijkheden biedt waaraan misschien tegemoet gekomen zou kunnen worden.

De eenvoudigste en meest radicale oplossing blijft natuurlijk de aankoop der verzameling. Indien men hiertoe ondanks den oorlogstoestand in Europa nog zou willen overgaan, dan ben ik gemachtigd U te zeggen, dat U ook thans op alle denkbare medewerking van den kant der verkoopers kunt rekenen en dat zij bereid zijn iedere faciliteit te verleenen, die hun mogelijk voorkomt, met dien verstande echter, dat een transactie in de allernaaste toekomst tot stand komt. De omstandigheden maken het n.l. voor een der geïnteresseerden wenschelijk het onderpand van een belangrijke geldleening, n.l. de verzameling Koenigs, naar het buitenland te brengen, dit om redenen die men licht begrijpen zal en hier niet nader onder woorden gebracht behoeven te worden.

(…)

Mochten er echter bezwaren zijn voor een onmiddellijke aankoop, zelfs indien daarbij groote faciliteiten verleend worden en wil men toch de kans benutten de unieke verzameling op den duur te verwerven, dan lijkt dit mogelijk op de volgende wijze;

De Stichting of namens haar een bank verstrekt op onderpand der verzameling Koenigs een som geld van fl. 1.800.000,--, terwijl daardoor Rotterdam het recht verkrijgt tegen een nader overeen te komen som gedurende een bepaald aantal jaren de verzameling over te nemen door aankoop. (…)

Het wil mij voorkomen dat aan deze transactie weinig risico verbonden mag heeten, daar de heer Koenigs bereid is als meerdere zekerheid, als overwaarde dus, als onderpand naast de indertijd tekoop aangeboden deelen zijner verzameling, ook de andere deelen af te staan n.l. de Fransche schilderijen der 19e eeuw. 17 in getal, waarbij 2 schilderijen van Manet, 5 van Degas, en 7 van Toulouse-Lautrec, 1 Cézanne, 1 Corot en 1 Renoir. Verder de Fransche teekeningen van nà 1800, waarbij werken van Delacroix, Daumier, Millet, Courbet, Toulouse-Lautrec, Manet, Pisarro, Degas, Renoir, Cézanne, Ingres, Corot, Rodin, Puvis de Chavannes, Gericault, Prud'hon, Daubigny, Jongkind, Monet, Sisley, Seurat, Gauguin, Gavarni, van Gogh enz., benevens zijn rechten op het schilderij van Grünewald "De Kruisiging".

Hierdoor zou vermeden worden, dat delen der verzameling thans naar het buitenland gezonden zouden behoeven te worden, terwijl, naar het mij wil voorkomen, door het onderpand, als alle teekenen niet bedriegen, de te verstrekken som geld verre overtroffen wordt.

Men bereikt hiermede verder, dat men tot den aankoop der verzameling kan overgaan op het oogenblik dat dit convenant is en men op dit moment nog geen definitieve beslissing hoeft te nemen. Met andere woorden dat men gedurende enkele jaren gelegenheid heeft de verzameling Koenigs of die deelen daarvan die wenschelijk voorkomen, voor goed op te nemen in de collectie van het Museum Boymans.

Daar de Firma die oorspronkelijk de bedragen op onderpand der verzameling verstrekt had, geliquideerd zal worden, vermijdt men hiermede definitief, dat deze verzameling thans op andere wijze verkocht en eventueel misschien zelfs door veiling voor goed verspreid zoude worden, hetgeen op den duur wel eens geen denkbeeldig gevaar zou kunnen blijken te zijn, al zal men ook voorloopig trachten dit te voorkomen.

Ik meende deze uiteenzetting te moeten geven, daar men mijn tusschenkomst verzocht heeft en wensch geen andere rol te spelen dan die van den eerlijken makelaar, die behalve de zakelijke kant van deze transactie, én het belang van het Museum Boymans én dat van de verzameling Koenigs als dat van diens eigenaar, meent te kunnen dienen.'

2.22.

Een brief van 2 april 1940 van Franz Koenigs aan 'de Directie van het Museum Boymans' vermeldt (productie 21 bij conclusie van antwoord):

'Weledele heren,

Aangezien ik met betrekking tot de verzameling teekeningen, welke ik U destyds in bruikleen heb gegeven, niets meer van U mocht vernemen, heb ik my genoodzaakt gezien, deze teekeningen aan de N.V. Bankierskantoor Lisser & Rosenkranz in liq., alhier, in betaling te geven, waardoor deze tekeningen in vollen en vryen eigendom van genoemde zyn overgegaan.

Beleefd verzoek ik U, hiervan goede nota te willen nemen, alsook, dat ik, voor zooveel nodig onder beëindiging Uwer bruikleen, die teekeningen ter algeheele beschikking der N.V. Bankierskantoor Lisser & Rosenkranz in liq. voornoemd stel, wier instructies U daaromtrent gelieve op te volgen.

Gaarne ontvangstbevestiging tegemoet ziende, verblijf ik,

Hoogachtend,

Uw dw.

F. Koenigs'

2.23.

Een overeenkomst van 2 april 1940, geregistreerd op 3 april 1940, tussen enerzijds Franz Koenigs en anderzijds Lisser & Rosenkranz vermeldt (productie 18 bij conclusie van antwoord):

'In aanmerking nemende:

dat Koenigs als saldo zijner per 2 April 1940 tusschen hem en Lisser & Rosenkranz afgesloten rekening-courantverhouding, inclusief rente, de somma van f 1.662.915.14, benevens £ 20.559.13.7 aan Lisser & Rosenkranz schuldig is;

dat Koenigs bij onderhandsche acte van den 1. Juni 1935, aangevuld bij acte van den 11. Juli 1935, tot zekerheid voor de richtige terugbetaling van al hetgeen Lisser & Rosenkranz ter zake voormeld aan hoofdsom en rente te eeniger tijd van hem te vorderen heeft of mocht krijgen, aan Lisser & Rosenkranz in eigendom heeft overgedragen de teekeningen en schilderijen als nauwkeurig gespecificeerd op de aan eerstgenoemde acte en door beide partijen gewaarmerkte lijst, tevens vermeldende, waar ter plaatse zij zich bevinden en aan wie zij in bruikleen zijn gegeven;

dat Lisser & Rosenkranz krachtens besluit harer algemeene vergadering van aandeelhouders op 2 April 1940 in liquidatie is getreden, tengevolge waarvan zij, op grond van het bij art. VII der overeenkomst van 1 Juni 1935 bepaalde, gerechtigd is, de vorenbedoelde tekeningen en schilderijen op haar goeddunkende tijdstippen geheel of bij gedeelten in het openbaar of wel onderhands te verkoopen en de opbrengst te doen strekken in mindering harer vordering op Koenigs;

dat partijen thans te rade zijn geworden, tot gedeeltelijke delging der schuld van Koenigs aan Lisser & Rosenkranz over te gaan.

ZIJN HET NAVOLGENDE OVEREENGEKOMEN:

I.

Ter gedeeltelijke voldoening zijner voorschreven schuld en wel tot een bedrag van f 1.250.000,--. geeft Koenigs aan Lisser & Rosenkranz in betaling, welke laatste bij deze van genen in betaling aanneemt, de verzameling teekeningen, welke door Koenigs in bruikleen zijn gegeven aan het Museum Boymans te Rotterdam, en als nauwkeurig gespecificeerd op de aan bovenvermelde acte van den 1. Juni 1935 gehechte en door beide partijen gewaarmerkte lijst.

Mitsdien draagt Koenigs bij deze de genoemde teekeningen aan Lisser & Rosenkranz in vollen en vrijen eigendom over, welke eigendomsoverdracht door Lisser & Rosenkranz wordt aangenomen, en waartegenover zij aan Koenigs kwijting zijner voorschreven schuld tot een bedrag van f 1.250.000,- verleent.

II.

Lisser & Rosenkranz is onherroepelijk gerechtigd, deze eigendomsoverdracht mede namens Koenigs te doen betekenen aan de Gemeente Rotterdam, zoomede om die bruikleen en andere daaromtrent door Koenigs gesloten overeenkomsten op te zeggen en de teekeningen voor zich op te eischen en naar zich toe te nemen.

III.

Koenigs verbindt zich bij deze, zijn volledige medewerking te zullen verleenen zoo tot uitvoering dezer overeenkomst als tot uitlevering en eigendomsoverdracht der meergemelde tekeningen aan Lisser & Rosenkranz, alsmede om alle deswege door Lisser & Rosenkranz verlangde verklaringen te teekenen en aan haar af te geven.

(…)'

2.24.

Een tweede overeenkomst van 2 april 1940, geregistreerd op 3 april 1940, tussen enerzijds Franz Koenigs en anderzijds Lisser & Rosenkranz vermeldt (productie 19 bij conclusie van antwoord):

'In aanmerking nemende:

dat Koenigs als saldo zijner per 2 April 1940 tusschen hem en Lisser & Rosenkranz afgesloten rekening-courantverhouding, inclusief rente, de somma van f. 1.662.915.14, benevens £ 20.559.13.7 aan Lisser & Rosenkranz schuldig is;

(…)

dat Koenigs zijn voormelde schuld aan Lisser & Rosenkranz gedeeltelijk, zulks tot een bedrag van f. 1.250.000.-heeft voldaan door in betaling geving van de verzameling teekeningen, welke door Koenigs in bruikleen zijn gegeven aan het Museum Bomans te Rotterdam;

dat partijen thans te rade zijn geworden, tot delging van het restant der schuld van Koenigs aan Lisser & Rosenkranz over te gaan.

ZIJN HET NAVOLGENDE OVEREENGEKOMEN:

I.

Ter gedeeltelijke voldoening zijner voorschreven schuld en wel tot een bedrag van f. 412.915.14 en £ 20.559.13.7 geeft Koenigs aan Lisser & Rosenkranz in betaling, welke laatste bij deze van genen in betaling aanneemt, de schilderijen als nauwkeurig gespecificeerd op de aan bovenvermelde acte van den 1. Juni 1935 gehechte en door beide partijen gewaarmerkte lijst.

Mitsdien draagt Koenigs bij deze de genoemde schilderijen aan Lisser & Rosenkranz in vollen en vrijen eigendom over, welke eigendomsoverdracht door Lisser & Rosenkranz wordt aangenomen, en waartegenover zij aan Koenigs kwijting van het gemeld restant zijner voorschreven schuld verleent.

II.

Lisser & Rosenkranz is onherroepelijk gerechtigd, deze eigendomsoverdracht mede namens Koenigs te doen betekenen aan den Staat der Nederlanden en de Gemeenten Amsterdam en Rotterdam, die de bovenbedoelde schilderijen van Koenigs onderscheidelijk ten behoeve van het Rijksmuseum te Amsterdam, het Museum Boymans te Rotterdam en het Stedelijk Museum te Amsterdam, in bruikleen hebben ontvangen, zoomede om die bruikleen en andere daaromtrent door Koenigs gesloten overeenkomsten op te zeggen en de schilderijen voor zich op te eischen en naar zich toe te nemen.

III.

Koenigs verbindt zich bij deze, zijn volledige medewerking te zullen verleenen zoo tot uitvoering dezer overeenkomst als tot uitlevering en eigendomsoverdracht der meergemelde tekeningen aan Lisser & Rosenkranz, alsmede om alle deswege door Lisser & Rosenkranz verlangde verklaringen te teekenen en aan haar af te geven.

(…)'

2.25.

Een brief van 2 april 1940 van Lisser & Rosenkranz aan 'de Directie van het Museum Boymans' vermeldt (productie 20 bij conclusie van antwoord):

'Weledele heren,

Hiermede hebben wy de eer U te berichten, dat wy van den heer F. Koenigs in betaling hebben genomen de verzameling teekeningen, die hy U destyds in bruikleen heeft gegeven en waarvan een specificatie in ons bezit is.

In verband met deze transactie, waardoor de gemelde teekeningen in onzen vollen en vryen eigensom zyn overgegaan, zyn wy van plan, die teekeningen nog in den loop dezer week door onzen expediteur te doen weghalen en verzoeken wy U beleefd, ons wel te willen mededeelen, op welken dag de afgifte daarvan U het beste schikt.

(…)'

2.26.

Een brief van 8 april 1940 van de heer Hannema (hierna: Hannema), toenmalig directeur van Museum Boymans aan de heer D.G. van Beuningen te Rotterdam (hierna: Van Beuningen) vermeldt (productie 18A bij dagvaarding):

'Ik heb nog eens nagedacht over de hele affaire Koenigs en zou U nog het volgende in overweging willen geven:

Steeds heb ik erop gewezen, dat een aantal schilderijen zonder schade te doen aan het geheel gerust verkocht kunnen worden. Indien gehouden worden de vier stuks van Jeroen Bosch en van Rubens: het groote Bad van Diana, het landschap uit de voormalige verzameling Northbrook, de 5 kleine schetsen, voorstudies voor de versiering in de Torre de la Parada, de Vereeniging van Engeland en Schotland, de drie Kruisen en misschien nog een enkel ander schilderij, dan zou de rest van + 20 schilderijen wel van de hand gedaan kunnen worden. Zelfs zou ik in het uiterste geval ook willen adviseeren ook het Bad van Diana los te laten.

Ik kan niet genoeg de nadruk leggen op de belangrijkheid van de teekeningen. Dit is de grootste en importantste collectie welke op dit gebied in particulier bezit bestaat. Ik acht het uitgesloten om op nieuw een dergelijke verzameling te maken, aangezien het materiaal niet meer aanwezig is.

Vasthoudend aan uw bod van 1 millioen zit er dus nog speling in de schilderijen. (…)'

2.27.

Een brief van 9 april 1940 van Lisser & Rosenkranz aan Van Beuningen vermeldt (productie 22 bij conclusie van antwoord):

'Weledelgeboren heer,

Onder referte aan het onderhoud, dat de heer J. Goudstikker, namens onze firma, de eer had met U te voeren, bevestigen wy hiermede aan U te hebben verkocht een verzameling tekeningen, bekend onder de benaming "Collectie F. Koenigs", zich bevindende in het Museum Boymans te Rotterdam, welke wij u met ons huidig schryven aan genoemd Museum ter beschikking hebben gesteld, alsmede de navolgende schilderijen:

(…) [Opsomming van 11 schilderijen. 3 van Jeroen Bosch en 8 van Peter Paul Rubens]

welke zich eveneens onder de bovenvermelde benaming in Museum Boymans bevinden en U aldaar door ons ter beschikking zyn gesteld.

Voor de tegenwaarde dezer tekeningen en schilderyen belasten wy U volgens afspraak in rekening met f 1.000.000,-

welk bedrag wy gaarne van U op onze rekening by De Nederlandsche Bank, alhier, zullen ontvangen.

Uit Uw desbetreffende toezegging hebben wy met dank genoteerd, dat bovengenoemde verzameling teekeningen en schilderijen, zoolang deze in het Museum Boymans zullen zijn tentoongesteld, aldaar zullen verblyven onder de tot nu toe bestaande benaming van "Collectie F. Koenigs".

Gaarne zien wy bevestiging van het bovenstaande tegemoet en verblijven

Met de meeste hoogachting,'

2.28.

Een brief van 9 april 1940 van Lisser & Rosenkranz aan 'de Directie van het Museum Boymans' vermeldt (productie 19B bij dagvaarding):

'Weledele Heeren,

In aansluiting aan ons schryven van gisteren hebben wy de eer U mede te deelen, dat wy de meerbedoelde verzameling teekeningen "Collectie F. Koenigs" ter beschikking hebben gesteld van den heer D.G. van Beuningen a costi.

Uit de collectie F. Koenigs hebben wy voorts de hiernagenoemde schilderyen eveneens ter beschikking van den heer D.G. van Beuningen gesteld:

(…) [Opsomming van 11 schilderijen. 3 van Jeroen Bosch en 8 van Peter Paul Rubens]

Beleefd verzoeken wy U hiervan nota te willen nemen, terwijl wy gaarne een lyst, houdende de namen der thans resteerende schilderyen, van U zullen ontvangen, waarvoor bij voorbaat onzen dank.'

2.29.

Een tweede brief van 9 april 1940 van Lisser & Rosenkranz aan 'de Directie van het Museum Boymans' vermeldt (productie 20A bij dagvaarding):

'Weledele Heeren,

Zoo juist ontvingen wij Uw schryven van 9 April.

Ofschoon in zakelyk opzicht een beantwoording achterwege kan blyven, willen wy evenwel van deze gelegenheid gebruik maken, U onze gelukwenschen te doen toekomen met het feit, dat deze belangryke verzameling voor Nederland en het Museum Boymans behouden is gebleven, waartoe wy tot onze voldoening hebben kunnen bydragen.

Door de toezegging, welke de heer D.G. van Beuningen ons heeft gedaan, namelyk dat de bestaande benaming voor de verzameling teekeningen en schilderyen gehandhaafd blyft, is tevens de wensch van den heer Koenigs vervuld.'

2.30.

Een brief van 12 april 1940 van Hannema aan de 'voorzitter van de Vereeniging Rembrandt' vermeldt (productie 23 bij conclusie van antwoord):

'Even wil ik U er in vertrouwen van op de hoogte brengen, dat het na harden strijd is gelukt de geheele verzameling Koenigs, op enkele schilderijen na, voor Rotterdam en ons land te behouden.

Reeds was een brief binnengekomen met het verzoek alles in te pakken en gereed te zetten voor transport naar Lissabon, alwaar het Museum de collectie in ontvangst zou nemen.

In overleg met den Heer van der Vorm heeft de Heer van Beuningen na vele onderhandelingen een bod op het geheel gedaan van één miljoen, dat echter afgewezen werd. Ik heb toen geadviseerd enige schilderijen te laten varen en ten slotte is het bod geaccepteerd. Van de schilderijen blijven behouden: de vier van Jeroen Bosch, het landschap, de drie kruisen Engeland en Schotland en de 5 schetsen voor de Torre de la Parada, alle van Rubens. U zult wel begrijpen, dat ik mij in deze transactie verheug.

(…)

Zoudt U misschien den Heer van Beuningen een gelukwensch met deze voor het land zoo uiterst belangrijke verwerving willen sturen? Ik zou dat bijzonder op prijs stellen. (…)'

2.31.

Een brief van 12 april 1940 van de Hannema aan Franz Koenigs vermeldt (productie 21 bij dagvaarding):

'Ik kan niet nalaten U een enkel woord te schrijven nu definitief het grootste gedeelte van Uw verzameling in Rotterdamsch bezit is overgegaan,

Ik kan mij voorstellen dat U deze transactie met gemengde gevoelens beschouwt. U hebt met zooveel kennis en liefde in den loop van vele jaren dit uiterst belangrijke geheel opgebouwd, dat afstand doen een groot ding is. Ik wil u echter de verzekering geven, dat ook in de toekomst de verzameling, waaraan steeds Uw naam verbonden zal blijven, met de meeste zorg beheerd zal worden. Ik hoop daarom ook van harte, dat de band tusschen het Museum Boymans, de verzameling Koenigs en U beiden zal blijven bestaan.'

2.32.

Een brief van 17 april 1940 van Franz Koenigs aan Hannema vermeldt (productie 25 bij conclusie van antwoord):

'Ik dank U zeer voor Uw vriendelijk schrijven van 12 dezer.

Ook ons verheugt het, dat de collectie in Holland is gebleven en wij zien haar natuurlijk het liefst in Museum Boymans.

Om aan deze gevoelens uiting te geven, heb ik U door bemiddeling van den Heer Lütjens twee teekeningen van Carpaccio uit de collectie Oppenheimer, voor het Boyman Museum toegezonden. Zij kunnen wellicht eene steeds door mij gevoelde leemte in de opeenvolging der Venetiaansche teekeningen eenigszins aanvullen.'

2.33.

De notulen van een vergadering van het Curatorium van de Stichting Museum Boymans van donderdag 18 april 1940 vermelden (productie 12C bij dagvaarding):

'De Voorzitter deelt vervolgens mede dat de verzameling Koenigs, welke sinds 1935 in het Museum in bruikleen was en waarover meermalen beraadslagingen gehouden zijn in het Curatorium van de Stichting Museum Boymans thans voor Rotterdam behouden is. De heer Hannema vertelt dat op 2 April het verzoek binnenkwam om praeparatieven te maken voor de verzending van de geheele collectie naar Lissabon. Het Museum aldaar had reeds toegezegd de verzameling te zullen bewaren. Op 5 April had des morgens half negen een bespreking op het Museum plaats tusschen de heeren Koenigs, van der Vorm en van Beuningen. Dien middag ging de heer van Beuningen naar Amsterdam om de zaak te behandelen met de Bankiersfirma Lisser en Rosenkranz die eigenaresse geworden was van de geheele collectie. De heer van B. deed toen een bod dat echter niet aanvaard werd. Op 8 April kwam een tweede brandbrief. Alles zou over eenige dagen opgehaald worden. Op 9 April had des morgens ten kantore van den heer van Beuningen een bespreking plaats met den heer Goudstikker, die optrad als vertegenwoordiger van de firma Lisser en Rosenkranz. Het resultaat was dat dien middag de transactie tot stand kwam. Deze aankoop bevat de geheele verzameling teekeningen zonder uitzondering, de 4 schilderijen van Jeroen Bosch benevens acht schilderijen van Rubens w.o. het prachtige landschap uit de voormalige verzameling Northbrook.

(…)'

2.34.

In december 1940 verkocht Van Beuningen voor een bedrag van f 1.500.000,-- circa 528 tot de "Collectie F. Koenigs" behorende tekeningen uit de Duitse school aan dr. Hans Posse. Posse kocht destijds in opdracht van Adolf Hitler kunst in ten behoeve van het op te richten Führermuseum te Linz.

2.35.

Eveneens in december 1940 schonk Van Beuningen de overige stukken van de door hem gekochte Collectie F. Koenigs aan de Stichting Museum Boymans, dit met uitzondering van enkele stukken die Van Beuningen voor zichzelf behield.

2.36.

De notulen van een vergadering van het Curatorium van de Stichting Museum Boymans van donderdag 17 april 1941 vermelden (productie 27 bij conclusie van antwoord):

'De notulen van de vorige vergadering worden voorgelezen en goedgekeurd. De Voorzitter doet mededeeling van de vorstelijke schenking van den heer D.G. van Beuningen van het grootste gedeelte van de teekeningen verzameling van den heer F. Koenigs en van de vier bekende schilderijen van Jeroen Bosch en van vier schetsen van P.P. Rubens uit dezelfde collectie. Sinds 1847, het jaar van het ontstaan van het Rotterdamsche Museum is dat de grootste schenking die het Museum Boymans heeft ontvangen, De Voorzitter brengt de heer v. Beuningen hulde voor zijn daad. (…)'

2.37.

Een 'Verslag over de jaren 1939, 1940 en 1941' van Stichting Museum Boymans Rotterdam vermeldt op pagina's 6, 7 en 8 (productie 25 bij dagvaarding):

'DE COLLECTIE KOENIGS.

In 1935 bij de opening van het nieuwe Museum Boymans werd door den bekenden verzamelaar, den heer F. Koenigs te Haarlem, zijn geheele wereldberoemde verzameling oude teekeningen, benevens het grootste gedeelte van zijn schilderijenbezit aan het Rotterdamsche Museum in bruikleen gegeven. Op vele tentoonstellingen in het Museum Boymans, in andere Musea van ons land en in het buitenland heeft men talrijke werken uit deze collectie kunnen bewonderen. Vele kunsthistorici uit de geheele wereld kwamen speciaal naar Rotterdam, om dit rijke bezit van oude teekeningen te bestudeeren.

Het is deze geheele collectie, die kort vóór het uitbreken van den oorlog door den heer D. G. van Beuningen werd aangekocht.

Het grootste gedeelte van de teekeningenverzameling de vier schilderijen van Jeroen Bosch, de Bruiloft van Kanaa, de Sint Christoffel en de twee grisailles de Hel en de Zondvloed met op den achtergrond allegorisch-religieuse voorstellingen, benevens vier geschilderde schetsen van P. P. Rubens, ontwerpen voor de versiering van het jachtslot Torre de la Parada bij Madrid werden met een grootsch gebaar door den heer van Beuningen aan de Stichting Museum Boymans geschonken.

Bij de teekeningen bevinden zich (…)

Bovendien bevonden zich bij deze afdeeling de beroemde in twee rood marokijnen banden vereenigde schetsbladen van Fra Bartolommeo (+ 500 stuks), voorstudies voor bijna alle bekende werken van dezen grooten Florentijnschen meester. (…)

Met diep leedwezen herdenken wij ook in dit verslag het onverwachte overlijden in Mei 1941 van den verzamelaar van deze schitterende collectie. De heer Koenigs was een hartstochtelijk en veelzijdig verzamelaar. In hem waren vereenigd een diepgaande liefde voor de kunst en een groote kennis van zaken. Op internationale veilingen ontbrak zijn markante persoonlijkheid zelden. Voor goede kunstwerken dorst hij terecht hooge prijzen te geven en daardoor was het hem mogelijk een collectie samen te stellen, die op het gebied van oude teekeningen haar weerga onder de particuliere verzamelingen op het vasteland van Europa niet vond. Door het bruikleen van zijn collectie aan het Museum Boymans heeft hij in het bijzonder Rotterdam aan zich verplicht. (…)'

2.38.

Voornoemd verslag is door Hannema toegezonden aan Anna Koenigs. Een brief van 8 mei 1942 van Anna Koenigs aan Hannema vermeldt (productie 29 bij conclusie van antwoord):

'(…) Dat u mij nu al het verslag over het Museum Boymans hebt gestuurd waardeer ik ten zeerste en ik zeg U mijn oprechten dank. U kan zich indenken dat ik de uitstekende reproducties met vreugde en weemoed heb bekeken. Ik ben blij om alles wat in het Museum Boymans en in Nederland is gebleven, want het was altijd de wensch van mijn man, dat zijn verzameling in ons land zou blijven. De regels die U over mijn man als verzamelaar hebt geschreven, vond ik bijzonder kenschetsend voor hem en zijn manier van verzamelen. Ik verzoek U vriendelijk als het verslag gepubliceerd wordt tien exemplaren voor mij te willen reserveren. Ik zou ze graag kopen als herinnering voor mijn kinderen en andere familieleden. (…)'

2.39.

Hannema heeft bij brief van 12 mei 1942 tien extra exemplaren van het verslag aan Anna Koenigs toegezonden. Bij brief van 19 mei 1942 heeft Anna Koenigs hem daarvoor bedankt (productie 29 bij conclusie van antwoord).

2.40.

Anna Koenigs is in 1946 overleden. De (toen bekende) nalatenschap, waaronder een collectie van circa 200 kunstwerken, is in 1946 door de erfgenamen verdeeld.

2.41.

Vanaf 1997 hebben [eisers] , althans een of meer van hen, diverse verzoeken gedaan en procedures geëntameerd, met het doel dat werken die deel uitmaakten van de "Collectie F. Koenigs" aan de erfgenamen van Franz Koenigs ter beschikking zouden worden gesteld. Die verzoeken en procedures hebben niet tot het door [eisers] beoogde resultaat geleid.

2.42.

Een brief van 22 april 2016 van [eisers] aan de Stichting Museum Boijmans van Beuningen vermeldt (productie 35 bij dagvaarding):

'Onlangs hebben wij vernomen dat Museum Boijmans van Beuningen het plan heeft opgevat om in de herfst van dit jaar een tentoonstelling te wijden aan de Fra Bartolomeo tekeningen afkomstig uit de twee Albums van Nicolò Gabburri.

Dit gegeven heeft er toe geleid dat wij nogmaals naar de eigendomsrechten hebben gekeken.

Zoals wij het nu kunnen overzien is de Stichting Museum Boijmans van Beuningen slechts (vermeend) eigenaar van die delen van de Collectie F. Koenigs die D.G. van Beuningen in 1940 volgens het inventaris boek heeft geschonken. In het inventarisboek van de Stichting staan de Gabburri albums en de andere hieronder vermelde kunstwerken niet vermeld. Ook niet als schenking van de heer D.G. van Beuningen.

Niet aangekocht en niet geschonken, betekent dat het bruikleen van Franz Koenigs betreffende die kunstwerken onverminderd voortduurt.

Het betreft de volgende kunstwerken:

- ± 400 tekeningen van Fra Bartolomeo uit de twee Gabburri Albums M en N

- 8 Pirckheimer boeken die genoteerd staan als ‘Collectie F. Koenigs’

- Vroeg Italiaans schetsboek Gozzoli

- 11 tekeningen:

1. Lucas van Leyden ‘Het huwelijk van Jozef en Maria’(rond);

2. omgeving Francesco Cossa ‘Mercurius’;

3. Brunswijker Monogrammist ‘Studie van een vrouw met een geplooide kap’;

4. Cornelisz Anthonisz ‘Bouwlieden aan het werk’;

5. Lucas Cornelisz of Cornelis Cornelisz ‘Christus voor Annas of Cajapas’;

6. Tobias Stimmer toegeschreven ‘Allegorie Maria met Kind tegenover Eva en de slang’;

7. Onbekende Italiaanse tekening: ‘bewegingsstudie van een naakte man’;

8. Rembrandt, naar Titiaan: ‘Hoge Priester’;

9. Hendrik Averkamp ‘Portret van een man’;

10. Hendrik Averkamp ‘Portret van een Vrouw’;

11. Watteau ‘naar een figuur van Frans Hals’ ‘Rommelpotspeler.’

Mocht de Stichting over bewijs beschikken dat aantoont dat de hier voornoemde kunstwerken tot het ‘Geschenk van D.G. van Beuningen 1940’ behoort dan zien wij dit graag tegemoet.

Tot dan gaan wij ervan uit eigenaar te zijn van voornoemde kunstwerken in onverdeelde nalatenschap van de erven Koenigs.

Tevens zullen wij de directeur van de Stichting tot Beheer van het voortduren van dit bruikleen op de hoogte stellen, met de gebruikelijke eisen die aan bruiklenen in het algemeen verbonden zijn.

Graag horen wij in deze,'

2.43.

Bij brief van 30 mei 2016 heeft de Stichting Museum Boijmans van Beuningen de aanspraken van [eisers] afgewezen.

3 Het geschil

3.1.

[eisers] vorderen, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

'voor recht te verklaren dat de navolgende elf tekeningen en elf boeken,

de tekeningen (zoals gespecificeerd in Productie 8):

1. Lucas van Leyden: Het huwelijk van Jozef en Maria; 2. Richting van F.R. Cossa: Mercurius; 3. Brunswijker monogrammist: Studie van een vrouw met geplooide kap op; 4. Cornelis Anthonisz: Bouwlieden aan het werk; 5. Lucas Cornelis of Cornelis Cornelis toegeschreven: Christus voor Annas of Cajaphas; 6. Tobias Stimmer toegeschreven: Allegorie: Maria en het kind tegenover Eva en de slang; 7. Onbekende Italiaan: Bewegingsstudie van een naakte man; 8. Rembrandt, naar Titiaan: Hogepriester; 9 en 10. Hendrik Averkamp: Portretten van een man en een vrouw; 11. Watteau: naar een figuur in Frans Hals’ Rommelpotspeler;

de boeken:

1. de twee Gabburri albums met tekeningen van Fra Bartolommeo, althans alle afzonderlijke tekeningen en losse delen die vóór de ontmanteling in 1982 tezamen deel uitmaakten van deze albums;

2. het Gozzoli schetsboek met 33 tekeningen van Gozzoli;

3. de acht Pirckheimer boeken met daarin miniaturen van A. Dürer;

eigendom zijn van de erven van wijlen Franz Koenigs, en dat deze elf tekeningen en elf boeken door gedaagden sub 1, 2 en/of 3 in bruikleen worden gehouden.

2. gedaagden hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten op de voet van artikel 237 Rv vermeerderd met de nakosten;'

3.2.

Museum Boijmans c.s. voeren verweer en concluderen tot afwijzing van het gevorderde met veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad, van [eisers] in de kosten van het geding, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis, en met veroordeling van [eisers] in de nakosten.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

[eisers] gronden hun vorderingen op de stellingen a) dat Franz Koenigs eigenaar was van de in de vordering onder 3.1 gespecificeerde kunstwerken, b) dat hij die in 1935 in bruikleen heeft gegeven aan de rechtsvoorganger van Stichting Museum Boijmans van Beuningen en c) dat die bruikleenovereenkomst tot heden nog altijd van kracht is.

4.2.

De rechtbank zal de vorderingen afwijzen. Daartoe is het volgende redengevend.

4.3.

Tussen partijen is niet in geschil a) dat Franz Koenigs eigenaar was van de in de vordering onder 3.1 gespecificeerde kunstwerken, noch b) dat hij die in 1935 in bruikleen heeft gegeven aan de rechtsvoorganger van Stichting Museum Boijmans van Beuningen. In geschil is echter c) of die bruikleenovereenkomst tot heden nog altijd van kracht is.

4.4.

In het licht van de door Museum Boijmans c.s. gemotiveerde en gedocumenteerde betwisting hebben [eisers] hun stelling dat de onder 3.1 gespecificeerde kunstwerken eigendom zijn van de erfgenamen van Franz Koenigs en dat de bruikleenovereenkomst met betrekking tot die kunstwerken sedert 1935 nog immer van kracht is onvoldoende onderbouwd. De vorderingen van [eisers] zijn gebaseerd op veronderstellingen die onvoldoende steun vinden in de vaststaande feiten. De rechtbank zal dat hierna toelichten.

4.5.

[eisers] gaan ervan uit dat de door hen gespecificeerde 11 tekeningen geen deel hebben uitgemaakt van de eigendomsoverdracht tot zekerheid van 1 juni 1935 tussen enerzijds Franz Koenigs en anderzijds Lisser & Rosenkranz (zie hiervoor onder 2.10) en daarmee niet van de inbetalinggeving van 2 april 1940 (zie hiervoor onder 2.23). Zij wijzen op een stuk op briefpapier van Beets waaruit is af te leiden dat die 11 tekeningen eerst op 28 oktober 1935 van Beets voor Franz Koenigs in ontvangst zijn genomen door Museum Boymans (zie hiervoor onder 2.13).

4.6.

Uit de beschikbare bewijsstukken leidt de rechtbank af dat voor wat betreft de in 1935 door Franz Koenigs bij Museum Boymans ondergebrachte tekeningen in de visie van alle toenmalige betrokkenen sprake was van één samenhangende collectie. Die collectie wordt in de stukken van destijds veelvuldig aangeduid als de "Collectie F. Koenigs". Van die collectie maakten ook een aantal schilderijen deel uit. Die zijn voor het voorliggende geschil echter niet van belang.

4.7.

Dat een gedeelte van de als "Collectie F. Koenigs" bekend staande collectie tekeningen mogelijk pas in oktober 1935 bij Museum Boymans is afgeleverd, vormt in de visie van de rechtbank geen aanwijzing dat die tekeningen niet waren begrepen in de eigendomsoverdracht tot zekerheid per 1 juni 1935. Dat de volledige collectie tekeningen niet in eenmaal bij Museum Boymans is afgeleverd, is zonder meer aannemelijk. Vast staat immers dat niet alle delen van de collectie zich op dezelfde plek bevonden. Voor zover niet reeds uit de laatste woorden van artikel III van de akte zelf volgt dat die tekeningen zich op meerdere plaatsen bevonden, volgt dat ook uit het feit dat in verband met het beoogde transport van de collectie op 15 mei 1935 een transportverzekering was afgesloten voor transport van schilderijen en tekeningen 'van Amsterdam en/of Haarlem naar Rotterdam' (zie hiervoor onder 2.9). Het feit dat Museum Boymans pas op 20 november 1935 een ontvangstbewijs voor de verzameling aan Franz Koenigs toezond (zie hiervoor onder 2.14 en 2.15), duidt er op dat het enige tijd heeft geduurd voordat het grootste deel van de verzameling door Museum Boymans was ontvangen. Uit de tekst van het ontvangstbewijs blijkt zelfs dat zich op 20 november 1935 nog immer een deel van de verzameling elders bevond.

4.8.

Reeds in 1931 droeg Franz Koenigs zijn toenmalige tekeningencollectie, welke zich destijds kennelijk bevond in zijn woning te Haarlem, zonder nadere specificatie over aan Lisser & Rosenkranz (zie hiervoor onder 2.6).

4.9.

De akte van 1 juni 1935 vermeldt als de op dat moment in zekerheidseigendom over te dragen objecten 'de teekeningen en schilderijen, als nauwkeurig gespecificeerd op de aan deze akte gehechte en door beide partijen gewaarmerkte lijst, tevens vermeldende waar ter plaatse zij zich bevinden en aan wie zij in bruikleen zijn gegeven' (zie hiervoor onder 2.10). Aangenomen mag worden dat die door beide partijen gewaarmerkte lijst in 1935 bestond en de omvang van de zekerheidseigendom dus bepaalbaar was. Thans, in 2017, is deze gewaarmerkte lijst echter niet meer beschikbaar.

4.10.

[eisers] hebben zich erop beroepen dat de in de vordering onder 3.1 gespecificeerde kunstwerken niet vermeld waren in de door Lütjens tot medio 1935 opgestelde catalogus en evenmin waren opgenomen in de kaartenbak die volgens [eisers] minutieus werd bijgehouden door Anna Koenigs, daarbij geassisteerd door Lütjens (zie dagvaarding onder 19). Wat daar ook van zij, de rechtbank acht dat niet van doorslaggevend belang. Het is nu eenmaal onbekend welke kunstwerken precies waren gespecificeerd op de aan de akte van 1 juni 1935 gehechte en door beide partijen gewaarmerkte lijst. Uit de vaststaande feiten kan niet worden afgeleid dat de aan de akte gehechte en door beide partijen gewaarmerkte lijst exact overeenkwam met de door Lütjens opgestelde catalogus en met de kaartenbak. Ook als de tot dan toe door Lütjens opgestelde catalogus en/of de kaartenbak destijds de basis vormde voor de aan de akte gehechte lijst, is zeer wel denkbaar dat daar door Franz Koenigs (en Lisser & Rosenkranz) nog enkele werken aan zijn toegevoegd, die mogelijk nog niet in de rubrieken van de door Lütjens samengestelde catalogus en/of de kaartenbak waren verwerkt.

4.11.

De wèl beschikbare bewijsstukken laten naar het oordeel van de rechtbank in ieder geval geen andere conclusie toe dan dat Franz Koenigs in 1940 heeft beoogd aan Lisser & Rosenkranz in betaling te geven en in eigendom over te dragen de gehele collectie tekeningen welke in 1935 door hem aan Museum Boymans in bruikleen was verstrekt. De rechtbank wijst ter nadere toelichting op het volgende.

4.12.

In zijn brief van 2 april 1940 aan 'de Directie van het Museum Boymans' geeft Franz Koenigs duidelijk (en met doorklinkende teleurstelling) aan dat hij met betrekking tot 'de verzameling teekeningen, welke ik U destyds in bruikleen heb gegeven' niets meer van Museum Boymans heeft vernomen zodat hij zich genoodzaakt heeft gezien deze tekeningen aan Lisser & Rosenkranz in betaling te geven, waardoor de tekeningen in volle en vrije eigendom van Lisser & Rosenkranz zijn overgegaan (zie hiervoor onder 2.22). In dezelfde brief maakt Franz Koenigs duidelijk dat hij de bruikleen beëindigt en dat hij de tekeningen ter algehele beschikking van Lisser & Rosenkranz stelt, wier instructies met betrekking tot de tekeningen Museum Boymans zal dienen op te volgen. De rechtbank kan deze mededelingen in juridische zin niet anders begrijpen dan dat de oude eigenaar, Franz Koenigs, Museum Boymans berichtte dat zij vanaf dat moment de destijds in bruikleen gegeven verzameling tekeningen niet meer hield voor hem, maar voor de nieuwe eigenaar, Lisser & Rosenkranz en dat zij derhalve de instructies van die nieuwe eigenaar diende op te volgen.

4.13.

Er bestaat geen reden om aan te nemen dat de kennelijk op 28 oktober 1935 door Beets ten behoeve van Franz Koenigs bij Museum Boymans afgegeven 11 tekeningen niet tot de aan Lisser & Rosenkranz in eigendom overgedragen tekeningen behoren en/of dat de bruikleen ten aanzien van die tekeningen wèl zou zijn blijven voortbestaan. Indien Franz Koenigs ook andere tekeningen aan Museum Boymans in bruikleen had gegeven dan de door hem in 1940 aan Lisser & Rosenkranz in betaling gegeven tekeningen, had het in de rede geleden dat hij dat in zijn hiervoor genoemde brief van 2 april 1940 tot uitdrukking zou hebben gebracht. Dat is niet geschied. Naar het oordeel van de rechtbank kan dan ook als vaststaand worden aangenomen dat Museum Boymans na 2 april 1940 geen tot deze collectie behorende tekeningen van Franz Koenigs meer in bruikleen onder zich had.

4.14.

In lijn met het voorgaande is ook het volgende.

4.15.

Bij brief van 2 april 1940 bericht Lisser & Rosenkranz Museum Boymans dat zij van Franz Koenigs in betaling hebben genomen de verzameling tekeningen die hij destijds in bruikleen heeft gegeven (zie hiervoor onder 2.25).

4.16.

Bij brief van 9 april 1940 bevestigt Lisser & Rosenkranz aan Van Beuningen dat zij aan hem heeft verkocht 'een verzameling tekeningen, bekend onder de benaming "Collectie F. Koenigs", zich bevindende in het Museum Boymans te Rotterdam' (zie hiervoor onder 2.27).

4.17.

Bij brief van 9 april 1940 bericht Lisser & Rosenkranz aan Museum Boymans dat zij 'de meerbedoelde verzameling teekeningen "Collectie F. Koenigs" ter beschikking hebben gesteld van den heer D.G. van Beuningen' (zie hiervoor onder 2.28).

4.18.

Bij brief van 12 april 1940 bericht Hannema de voorzitter van de Vereniging Rembrandt dat het is gelukt 'de geheele verzameling Koenigs, op enkele schilderijen na, voor Rotterdam en ons land te behouden' (zie hiervoor onder 2.30).
Achteraf is gebleken dat deze op 12 april 1940 door Hannema geuite visie te optimistisch was. Van Beuningen verkocht immers in december 1940 alsnog circa 528 tot de Collectie F. Koenigs behorende tekeningen uit de Duitse school door aan een in opdracht van Adolf Hitler werkende kunstinkoper (zie hiervoor onder 2.35). Dat neemt echter niet weg dat Hannema er op 12 april 1940 kennelijk van overtuigd was dat de gehele tot voor kort door Museum Boymans voor Franz Koenigs in bruikleen gehouden verzameling tekeningen door Van Beuningen was gekocht. De rechtbank ziet in de overgelegde bewijsstukken ook geen indicatie van het tegendeel.

4.19.

Bij brief van 17 april 1940 van Franz Koenigs aan Hannema laat Franz Koenigs weten dat het hem verheugt dat 'de collectie in Holland is gebleven' (zie hiervoor onder 2.32). Franz Koenigs stuurt het Museum Boymans bovendien als gift nog twee tekeningen toe die in zijn visie een door hem gevoelde leemte in de opeenvolging van de Venetiaanse tekeningen enigszins zouden kunnen aanvullen. Hieruit is af te leiden dat (ook) Franz Koenigs de in Museum Boymans aanwezige collectie tekeningen - de Collectie F. Koenigs - zag als een samenhangend geheel. Er is geen indicatie dat er afgezien van die collectie ook nog een aantal andere door Franz Koenigs eveneens aan Museum Boymans in bruikleen gegeven tekeningen bestond, dat - hoewel tot die verzameling behorend - na 1940 nog eigendom was van Franz Koenigs. De rechtbank wijst in dit verband ook nog op het volgende.

4.20.

De notulen van de vergadering van het Curatorium van de Stichting Museum Boymans van 18 april 1940 vermelden: 'Deze aankoop bevat de geheele verzameling teekeningen zonder uitzondering' (zie hiervoor onder 2.33).

4.21.

In het door Hannema opgestelde 'Verslag over de jaren 1939, 1940 en 1941' van Stichting Museum Boymans Rotterdam' is vermeld dat Franz Koenigs in 1935 zijn gehele wereldberoemde verzameling oude tekeningen aan Museum Boymans in bruikleen heeft gegeven. Voorts is in het verslag vermeldt: 'Het is deze geheele collectie, die kort vóór het uitbreken van den oorlog door den heer D. G. van Beuningen werd aangekocht.' (zie hiervoor onder 2.36). Hannema heeft dit verslag aan Anna Koenigs toegezonden. Zij heeft daarvan kennis genomen en hem daarvoor bedankt. Daarbij vermeldt zij: 'Ik ben blij om alles wat in het Museum Boymans en in Nederland is gebleven, want het was altijd de wensch van mijn man, dat zijn verzameling in ons land zou blijven' (zie hiervoor onder 2.38).

4.22.

Indien het door Hannema opgestelde verslag in de visie van Anna Koenigs onjuiste informatie bevatte met betrekking tot de Collectie F. Koenigs, had het in de rede gelegen dat Anna Koenigs Hannema daarop zou hebben geattendeerd. Dat is niet geschied.

4.23.

Na het overlijden van Anna Koenigs in 1946 is de (toen bekende) nalatenschap door de erfgenamen verdeeld. Van die nalatenschap maakten circa 200 kunstwerken deel uit. Destijds hebben de erfgenamen zich niet op het standpunt gesteld dat zich daarnaast onder Museum Boymans nog van die nalatenschap deel uitmakende tekeningen bevonden waarvan een in 1935 door Franz Koenigs verleende bruikleen voortduurde.

4.24.

Ook nadien heeft zich, tot de brief van 22 april 2016 van [eisers] aan de Stichting Museum Boijmans van Beuningen (zie hiervoor onder 2.42), geen van de erfgenamen van Franz Koenigs op het standpunt gesteld dat de bruikleen ter zake van een aantal van de in 1935 door Franz Koenigs aan Museum Boymans in bruikleen verstrekte tekeningen nog immer voortduurde. Weliswaar stellen [eisers] thans dat zij tot 2010 onbekend waren met de exacte omvang van de collectie welke onbekendheid in hun visie door Museum Boijmans c.s. bewust in stand werd gehouden door toegang tot het archief van Stichting Museum Boijmans te weigeren, maar die stellingen acht de rechtbank onvoldoende onderbouwd. Het door partijen uit de archieven opgediepte materiaal dat in deze procedure is overgelegd, in samenhang bezien, biedt geen steun aan de conclusies die [eisers] wensen te trekken.

4.25.

Behalve op de door hen gespecificeerde 11 tekeningen maken [eisers] ook aanspraak op hetgeen zij aanduiden als 11 boeken. In feite gaat het ook hier om tekeningen (van Fra Bartolommeo, schetsen van Gozzoli en miniaturen van A. Dürer). Die kunstwerken staan reeds vermeld op de 'Specificatie - Collectie F. Koenigs', welke was gevoegd bij de brief van 17 december 1935 van de secretaris van Franz Koenigs aan Hannema, gerubriceerd onder de rubriek 'Teekeningen:' (zie hiervoor onder 2.17). Ook voor de aanspraak op die kunstwerken bestaat geen feitelijke basis. De rechtbank is van oordeel dat ook die kunstwerken in 1935 naar de toenmalige bedoelingen van de betrokken partijen deel uitmaakten van de bij Museum Boymans ondergebrachte tekeningencollectie van Franz Koenigs en, relevanter, dat ook die kunstwerken in 1940, als onderdeel van de totale bij Museum Boymans ondergebrachte collectie tekeningen, door Franz Koenigs in betaling zijn gegeven aan Lisser & Rosenkranz en vervolgens door Lisser & Rosenkranz zijn verkocht aan Van Beuningen. In dit verband wijst de rechtbank ook op de conceptbrief van Goudstikker, die vermeldt: 'terwijl zich in de verzameling nog twee boeken met teekeningen van Fra Bartolommeo bevinden.' (zie hiervoor onder 2.21)

4.26.

De rechtbank verwijst naar hetgeen zij hiervoor heeft overwogen. Er is geen aanwijzing dat de bruikleen van 1935 met betrekking tot de door [eisers] als '11 boeken' aangeduide kunstwerken tot na 1940 voortduurde.

4.27.

De stellingen van [eisers] die erop neer komen dat Museum Boijmans c.s. op basis van hun eigen administratie niet overtuigend hebben kunnen aantonen dat de in de hiervoor onder 3.1 weergegeven vordering gespecificeerde kunstwerken deel uitmaakten van de schenking die Van Beuningen in december 1940 deed aan de Stichting Museum Boymans acht de rechtbank, wat er ook zij van die stellingen, irrelevant. Immers, in ieder geval dient thans als vaststaand te worden aangenomen dat Franz Koenigs de eigendom van die kunstwerken al op 2 april 1940 definitief had verloren en dat de bruikleenovereenkomst tussen Franz Koenigs en Museum Boymans met betrekking tot die kunstwerken al op 2 april 1940 door Franz Koenigs was beëindigd.

4.28.

Voor de vorderingen van [eisers] bestaat derhalve geen deugdelijke grond. Dit brengt mee dat de overige verweren (waaronder een beroep op verjaring) onbesproken kunnen blijven.

4.29.

[eisers] zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De rechtbank ziet aanleiding bij de begroting van de proceskosten het tarief toe te passen met betrekking tot zaken van een geldswaarde boven € 1.000.000,00. In dit tarief wordt ieder punt gewaardeerd op € 3.211,00. De kosten aan de zijde van Museum Boijmans c.s. worden begroot op:

- griffierecht € 619,00

- salaris advocaat 6.422,00 (2,0 punten × tarief € 3.211,00)

Totaal € 7.041,00

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eisers] in de proceskosten, aan de zijde van Museum Boijmans c.s. tot op heden begroot op € 7.041,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na de datum waarop dit vonnis is gewezen tot de dag van volledige betaling,

5.3.

veroordeelt [eisers] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [eisers] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

5.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. C. Bouwman, mr. P.C. Santema en mr. C.M.E. van der Hoeven en in het openbaar uitgesproken op 23 augustus 2017.
[1729;32;39]