Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:6506

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
28-07-2017
Datum publicatie
23-08-2017
Zaaknummer
C/10/524260 / HA RK 17-284
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek ex art. 187 Rv wordt afgewezen; het voorlopig getuigenverhoor is enkel toegelaten ter voorbereiding van een (eventueel) geding voor de burgerlijke rechter; in geval een ambtenaar een vordering tot schadevergoeding wegens onrechtmatig handelen van het bestuursorgaan aanhangig wenst te maken kan deze zich uitsluitend tot de bestuursrechter wenden; in casu gaat het verzoeker (zijnde een ambtenaar) uiteindelijk om het horen van getuigen met het oog op een aanhangig te maken vordering tot vergoeding van schadevergoeding tegen verweerder (zijnde een bestuursorgaan); hiermee is de ingang tot de burgerlijke rechter afgesloten en is het in strijd met de kennelijke bedoeling van de wetgever om het rechtsmiddel van het voorlopig getuigenverhoor aan te wenden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RBP 2017/98
PS-Updates.nl 2017-0706
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Handel

zaaknummer / rekestnummer: C/10/524260 / HA RK 17-284

Beschikking van 28 juli 2017

in de zaak van

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster,

advocaat mr. M.W.M. Pennings,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENSCHAPPELIJKE REGELING DRECHTSTEDEN,

gevestigd te Dordrecht,

verweerster,

advocaat mr. A.C.G. Kaijen.

Partijen worden verder [verzoekster] en Drechtsteden genoemd.

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift

  • -

    brief met producties aan de zijde van [verzoekster]

  • -

    het verweerschrift, met producties

  • -

    de mondelinge behandeling, ter gelegenheid waarvan de advocaten hun pleitnotities hebben overgelegd.

2 De standpunten van partijen

2.1.

Het verzoek strekt tot het bevelen van een voorlopig getuigenverhoor. [verzoekster] stelt daarbij belang te hebben op grond van het volgende:

- [verzoekster] is sinds 2009 werkzaam bij Servicecentrum Drechtsteden als senior communicatie adviseur;

- [verzoekster] heeft als gevolg van een onveilige werksituatie die veroorzaakt is door haar toenmalige manager een angststoornis ontwikkeld;

- Drechtsteden probeert haar zonder toekenning van schadevergoeding uit haar dienstverband te ontslaan;

- [verzoekster] heeft recht op vergoeding van de door haar geleden schade door het onrechtmatige handelen van haar werkgever.

- Door middel van het voorlopig getuigenverhoor kan zij onrechtmatige gedragingen en uitlatingen onderzoeken, kan zij voorkomen dat bewijs verloren gaat en kan zij haar procespositie bepalen.

2.2.

Drechtsteden concludeert tot afwijzing van het verzoek.

Drechtsteden voert daartoe primair aan dat [verzoekster] niet ontvankelijk is in haar verzoek, nu de civiele rechter niet bevoegd is om te oordelen over een eventuele schadevergoedingsvordering van [verzoekster] ; de bestuursrechter is daartoe exclusief bevoegd.

Drechtsteden voert daartoe subsidiair aan dat er sprake is van misbruik van bevoegdheid, nu zij geen belang heeft bij het horen van getuigen met het oog op een civielrechtelijke schadevergoedingsprocedure waarin zij niet ontvankelijk zal worden verklaard dan wel met het oog een bestuursrechtelijke procedure ter voorbereiding waarvan het voorlopig getuigenverhoor niet kan worden aangewend.

3 De beoordeling

3.1.

De rechtbank zal het verzoek afwijzen en overweegt daartoe als volgt.

3.2.

Als onweersproken staat vast dat [verzoekster] ambtenaar is in de zin van artikel 1 van de Ambtenarenwet en dat zij op 1 september 2009 is aangesteld bij Drechtsteden, een bestuursorgaan in de zin van artikel 1:1 Algemene wet bestuursrecht (Awb).

3.3.

In artikel 187 lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is bepaald dat het verzoek om een voorlopig getuigenverhoor moet worden gericht tot de rechter tot wiens absolute bevoegdheid de zaak behoort, omdat het rechtsmiddel bedoeld is ter voorbereiding van een (eventueel) geding voor de burgerlijke rechter. De Hoge Raad heeft bevestigd dat een voorlopig getuigenverhoor niet is toegelaten in verband met een te voeren procedure voor de bestuursrechter. (zie HR 11 februari 2000, NJ 2001)

3.4.

[verzoekster] heeft zich ter zitting nader op het standpunt gesteld dat zij een verklaring voor recht wenst dat Drechtsteden onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld en dat zij daardoor schade heeft geleden. Kennelijk dient haar verzoek dus ter voorbereiding van een (eventueel) geding voor de burgerlijke rechter en zou het aanwenden van het rechtsmiddel van het voorlopig getuigenverhoor daarom in beginsel mogelijk zijn.

3.5.

Sinds 1 juli 2013 is het voor ambtenaren niet meer mogelijk om voor het vorderen van schadevergoeding wegens een onrechtmatige besluit de civiele route te volgen.

Krachtens het bepaalde in titel 8.4. Awb kan een belanghebbende de bestuursrechter verzoeken om een veroordeling tot schadevergoeding ten laste van een bestuursorgaan. Op grond van artikel 8:89 lid 1 Awb is de bestuursrechter exclusief bevoegd om in ambtenarenzaken te oordelen over schade veroorzaakt door een besluit. Uit artikel 8:88 lid 1 sub d juncto artikel 8:2 lid 1 sub a Awb volgt dat met een besluit wordt gelijkgesteld een andere onrechtmatige handeling van een bestuursorgaan jegens een ambtenaar.

3.6.

Dit betekent dat [verzoekster] zich voor een vordering tot schadevergoeding wegens onrechtmatig handelen van Drechtsteden dient te wenden tot de bestuursrechter.

3.7.

Dat het [verzoekster] uiteindelijk gaat om schadevergoeding blijkt ook uit haar pleitnota (sub 6). De rechtbank oordeelt dat het onder deze omstandigheden in strijd is met de kennelijke bedoeling van de wetgever om toch een ingang te creëren bij de burgerlijke rechter en aldus wel gebruik te willen maken van de regeling ex artikel 186 Rv door thans aan het verzoek ten grondslag te leggen dat getuigen gehoord moeten worden met het oog op een bij de burgerlijke rechter te vorderen verklaring voor recht.

3.8.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het verzoek dient te worden afgewezen. [verzoekster] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De proceskosten aan de zijde van Drechtsteden worden tot op heden begroot op € 618,00 aan griffierecht, en op € 904,00 aan salaris advocaat (€ 452,00 (tarief II) x 2 punten).

4 De beslissing

De rechtbank

wijst het verzoek af,

veroordeelt [verzoekster] in de proceskosten, aan de zijde van Drechtsteden tot op heden begroot op € 1.522,00.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.F.L. Geerdes en in het openbaar uitgesproken op 28 juli 2017.

1287 / 676