Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:6356

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
16-08-2017
Datum publicatie
22-08-2017
Zaaknummer
10/661200-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De verdachte en de medeverdachten hebben het slachtoffer, in het openbaar, geschopt en geslagen, onder meer tegen zijn hoofd, als gevolg waarvan hij letsel heeft opgelopen.

Er is mogelijk nog begrip op te brengen voor de omstandigheid dat de verdachte en zijn familie zich gekrenkt voelden door de - in hun ogen zeer vergaande - inbreuk op de eer en integriteit van hun dochter/zus, maar dit rechtvaardigt niet een eigenmachtig en zeer gewelddadig handelen van de verdachte en de medeverdachten jegens het slachtoffer.

Poging tot doodslag bewezenverklaard in de zin van voorwaardelijk opzet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/661200-17

Datum uitspraak: 16 augustus 2017

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Grave te Grave,

raadsman mr. H. Raza, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 2 augustus 2017.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. I. Streefland heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van de primair ten laste gelegde poging tot doodslag;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren met aftrek van voorarrest

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Inleiding

Het gaat in deze zaak om een gebeurtenis die heeft plaatsgevonden op 22 april 2017, ’s ochtends omstreeks 9.30 uur, op de [plaats delict] te Rotterdam, waarbij de verdachte, zijn moeder [naam moeder verdachte] , zijn broer [naam broer verdachte] , zijn zusje [naam zus verdachte] en zijn neef, [naam neef verdachte] , geweld hebben gepleegd tegen [naam slachtoffer] . [naam slachtoffer] is door hen geschopt en geslagen, onder meer tegen het hoofd, als gevolg waarvan hij letsel heeft opgelopen.

4.2.

Standpunten van het openbaar ministerie en van de verdediging

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de primair tenlastegelegde poging tot doodslag. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er sprake is geweest van voorwaardelijk opzet op de dood van het slachtoffer. Ter terechtzitting heeft zij de bewijsmiddelen opgesomd en toegelicht.

De raadsman heeft een bewijsverweer gevoerd en heeft bepleit dat verdachte zowel van het impliciet primair als van het impliciet subsidiair ten laste gelegde feit moet worden vrijgesproken, nu hij geen wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan de geweldshandelingen terwijl zich in het voldoende contra-indicaties bevinden voor de stelling dat van een planmatig handelen geen sprake is geweest. Pas op het moment dat zijn zusje door [naam slachtoffer] werd beetgepakt is het gebeuren geëscaleerd in de in het dossier omschreven geweldsexplosie. Gelet hierop kan niet worden gesteld dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de aangever dodelijk letsel zou oplopen. De raadsman heeft zich ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

4.3.

Beoordeling van het ten laste gelegde feit

De volgende feiten kunnen op grond van de (als in bijlage II bij dit vonnis uitgewerkte) door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen als vaststaand worden aangemerkt. Voor zover deze feiten ter terechtzitting ter discussie hebben gestaan, zal daarop in het navolgende stuk nader worden ingegaan.

4.3.1.

De toedracht

[naam slachtoffer] heeft verklaard dat hij op 21 april 2017 een meisje, de zestien jarige [naam zus verdachte] , heeft aangesproken in de Turkse taal. Zij stond te wachten bij een bushalte. Hij heeft tegen [naam zus verdachte] gezegd dat zij altijd met hem kon praten en dat hij ook wel eens met zijn buurmeisje praat. Vervolgens heeft hij haar op een papiertje zijn telefoonnummer gegeven. Tijdens het gesprek heeft [naam slachtoffer] een opmerking gemaakt tegen [naam zus verdachte] over haar haar dat zo mooi wapperde in de wind.

[naam zus verdachte] heeft tegenover de politie verklaard dat [naam slachtoffer] óók tegen haar heeft gezegd dat zij net zo lief en zo mooi was als zijn buurmeisje en dat zijn buurmeisje dingen tegen hem vertelde die zij niet tegen haar familie kon vertellen. Volgens haar verklaring heeft hij, zonder dat zij daarnaar vroeg, gezegd dat hij zijn buurmeisje geen pijn deed. De man zei haar dat hij in Kralingen woonde. Hij vroeg aan haar om met hem mee te gaan naar het Kralingse bos. [naam zus verdachte] was hiervan erg geschrokken en is de bus ingestapt.

[naam zus verdachte] heeft dit op dezelfde dag, vrijdag 21 april 2017, thuis aan haar moeder, [naam moeder verdachte] , verteld. Zij was toen overstuur. De broer van de verdachte, [naam broer verdachte] , was op dat moment thuis. De politie is gebeld en deze kwam rond 14.00 uur bij de woning van de familie [naam familie] aan. De politie kon op dat moment niet bevestigen dat er door [naam slachtoffer] daadwerkelijk een strafbaar feit was gepleegd, noch konden zij met het naderhand door [naam moeder verdachte] overgedragen telefoonnummer op dat moment met de man in contact komen. De politie heeft de familie vervolgens beloofd om verder onderzoek te verrichten en te proberen de identiteit van de man te achterhalen. Daarna zouden zij weer met de familie contact opnemen. De politie heeft die vrijdag geen contact meer opgenomen met de familie.

Moeder [naam moeder verdachte] voelde zich hierdoor in de steek gelaten door de politie, vooral omdat [naam slachtoffer] in haar ogen zich ernstig had misdragen ten opzichte van haar dochter [naam zus verdachte] . [naam moeder verdachte] heeft tegenover de politie verklaard dat zij er van overtuigd was dat [naam slachtoffer] een Turkse man was die het op kleine meisjes had gemunt. Dit heeft zij met haar echtgenoot, [naam zus verdachte] en met haar zoon [naam broer verdachte] besproken. Later die avond is ook de verdachte op de hoogte gebracht van hetgeen die dag was voorgevallen. Die avond is een plan ontstaan om het werk van de politie niet verder af te wachten maar om zelf actie te ondernemen.

Rond 22.00 uur die avond heeft [naam zus verdachte] op verzoek van haar moeder [naam slachtoffer] gebeld. Zij deed voorkomen alsof zij op zijn aanbod inging en heeft met hem de afspraak gemaakt om elkaar de volgende dag, zaterdag 22 april 2017, om 10.00 uur te ontmoeten bij het kanaal in de buurt van het Oostplein, de [plaats delict] , te Rotterdam. Het telefoongesprek is opgenomen op een mobiele telefoon. Na afloop van dit gesprek is nog te horen dat een vrouw zegt: “wacht maar ik neem je wel te grazen”. Bij dit telefoongesprek waren naast haar moeder nog twee andere familieleden aanwezig.

[naam moeder verdachte] heeft tegenover de politie hierover verklaard dat het de bedoeling was om de man te confronteren met zijn gedrag. De verdachte en zijn broer [naam broer verdachte] hebben aangegeven de volgende dag mee te gaan naar de afspraak van [naam zus verdachte] met [naam slachtoffer] . Zij wilden hun moeder en zus niet alleen deze confrontatie met [naam slachtoffer] aan laten gaan.

Ook [naam nicht verdachte] , het nichtje van de verdachte, heeft verklaard dat zij met [naam zus verdachte] mee zou gaan voor haar veiligheid. Beiden zouden met de metro naar de afgesproken halte gaan, terwijl de anderen op andere wijze naar de ontmoetingsplek zouden komen.

4.3.2.

Het planmatig handelen

Na het op vrijdagavond arrangeren van de ontmoeting tussen [naam zus verdachte] en [naam slachtoffer] hebben in deze avond en/of in de daaropvolgende vroege ochtend van 22 april 2017 nog meer activiteiten plaatsgevonden om die confrontatie met [naam slachtoffer] voor te bereiden en vorm te geven.

Er is onder meer contact geweest met een neef van de verdachte, te weten [naam neef verdachte] , de broer van [naam nicht verdachte] . In de Whatsapp chat die is aangetroffen op de telefoon, die bij [naam moeder verdachte] in gebruik was, spreekt zij met een zekere [naam] , die later geïdentificeerd is als [naam neef verdachte] . In dat gesprek noemt zij hem ook [naam neef verdachte] . Deze in de Turkse taal geschreven chat is uitgelezen op 23 april 2017 en geeft als datum "gisteren" en ziet dus op 22 april 2017.

Het eerste contact tussen [naam moeder verdachte] en [naam neef verdachte] was om 08:15 uur en het laatste bericht in de chat werd verstuurd om 08:38 uur, die ochtend. In deze chat werden zowel berichten verstuurd als ontvangen. In deze berichten wordt onder andere geschreven:

“ik heb iets bedacht, er staat een naam op de bus, kan het kwaad?”,

“op (jouw) bus”, “er staat niets vermeld op die van mij”, en

“hee ok, over 10 minuten vertrekken wij”.

Het laatste bericht dat in deze chat is verzonden betreft een foto die door [naam moeder verdachte] als de gebruiker van de telefoon is ontvangen van [naam] ( [naam neef verdachte] ). Op die foto is een zilverkleurige klauwhamer met een zwart handvat te zien. De hamer wordt vastgehouden door een onbekend persoon waarvan alleen de hand zichtbaar is.

Uit de bewijsmiddelen volgt voorts dat op 22 april 2017 [naam zus verdachte] samen met haar nichtje [naam nicht verdachte] met de metro naar de met [naam slachtoffer] afgesproken ontmoetingsplek is gegaan. Ook [naam moeder verdachte] is in haar personenauto naar die plaats toegereden, evenals de verdachte en [naam broer verdachte] . Die laatste twee zijn samen met een derde persoon met de zwarte VW transportbus van het bedrijf van de familie [naam familie] naar de ontmoetingsplek gegaan. Uit de camerabeelden en de foto vanuit facebook van [naam neef verdachte] in combinatie met zijn paspoortfoto acht de rechtbank aannemelijk dat [naam neef verdachte] degene is geweest, die gelijktijdig als derde ter plaatse was en toen de hamer in zijn hand had.

Bovenstaande feiten en omstandigheden leiden de rechtbank tot de conclusie dat sprake is van een gezamenlijk overdacht en uitgevoerd plan om die ochtend de confrontatie aan te gaan met [naam slachtoffer] . Over het doel van die confrontatie en de wijze waarop deze plaats zou vinden overweegt de rechtbank het volgende.

4.3.3.

De confrontatie en het daarbij gebruikte geweld

Op 22 april 2017 is [naam zus verdachte] op het afgesproken tijdstip op een bankje in de buurt van het metrostation Oostplein te Rotterdam gaan zitten. Op de zich in het dossier bevindende en ter zitting getoonde camerabeelden afkomstig van een aantal locaties op de [plaats delict] te Rotterdam is het volgende waargenomen:

De camerabeelden

[naam slachtoffer] loopt op de [plaats delict] in de richting van metrostation Oostplein. Hij heeft een rode broek aan en hij loopt met zijn fiets aan de hand naast zich.

Nadat hij is gepasseerd en uit beeld is, stappen drie mannen uit een op de [plaats delict] geparkeerde zwarte VW transporter: [naam broer verdachte] , die de kade oversteekt en aan de kant van het water met rustige pas in de richting van het Oostplein loopt en aan de zijde van de huizen de verdachte en [naam neef verdachte] die in dezelfde richting lopen. Te zien is dat [naam neef verdachte] een langwerpig voorwerp in zijn hand heeft.

Uit de verklaringen van de verdachte valt af te leiden dat [naam slachtoffer] kort met [naam zus verdachte] bij het bankje gesproken heeft, waarna [naam slachtoffer] weer over de [plaats delict] terug is gefietst in de richting van de drie hem tegemoet lopende mannen.

Wanneer [naam slachtoffer] nog maar een aantal meters van de verdachte verwijderd is, rent [naam broer verdachte] de weg op en slaat [naam slachtoffer] met een vuistslag van diens fiets. Op datzelfde moment rennen ook de verdachte en [naam neef verdachte] van de andere zijde naar [naam slachtoffer] toe en slaan op hem in. [naam neef verdachte] slaat daarbij hard met het voorwerp dat hij in zijn hand heeft in op [naam slachtoffer] . Eerst slaat hij met dat voorwerp van hoog boven zijn hoofd naar beneden en later zwaait hij hard van opzij op [naam slachtoffer] in. [naam slachtoffer] wordt door de verdachte vervolgens naar de grond getrokken, terwijl het inslaan op en het stompen van [naam slachtoffer] door [naam verdachte] en [naam neef verdachte] onverminderd doorgaat. Wanneer [naam slachtoffer] op de grond ligt, wordt hij door de verdachte en zijn mededaders tegen lichaam en hoofd gestompt en geschopt en met het voorwerp hard geslagen. [naam slachtoffer] verdedigt zich niet of nauwelijks. Ook nadat [naam slachtoffer] weerloos op de grond ligt, wordt er op hem met het voorwerp ingeslagen en wordt hij gestompt en geschopt.

Ook [naam moeder verdachte] , die wat later aan is komen rennen, schopt ook meermalen naar [naam slachtoffer] die op dat moment nog steeds op de grond ligt. Naderhand stompt ze hem ook op het hoofd.

Na enige tijd loopt [naam neef verdachte] terug met het voorwerp nog in zijn hand. Op de camerabeelden is te zien dat hij een klauwhamer vast heeft, een hamer vergelijkbaar met de hamer die te zien was op de foto in het eerder genoemde chatbericht. Ook nadat het geweld uiteindelijk uitgewoed lijkt en [naam slachtoffer] weg mag gaan met zijn fiets, dwingen zij hem de andere kant op te gaan en werd hij wederom achtervolgd door [naam moeder verdachte] , [naam broer verdachte] en [naam zus verdachte] , om hem opnieuw te slaan en te schoppen. Op dat moment arriveert de politie.

Het gebeuren is door meerdere personen gadegeslagen. Een enkeling heeft geprobeerd het geweld te stoppen, maar de meesten hebben zich niet dichterbij gewaagd en zijn van enige afstand blijven kijken. Vanaf de posities waar de getuigen zich hebben bevonden, hebben zij voldoende zicht kunnen hebben op de door hen waargenomen gebeurtenissen. Getuigen hebben over de gebeurtenis onder meer het volgende verklaard.

De getuigen

Uit de verklaringen van getuigen is van het volgende gebleken. [naam slachtoffer] , hierna ook als slachtoffer aangeduid, wordt door een groep van zes mensen, drie mannen en drie vrouwen geslagen en geschopt. Er wordt “pedofiel”geroepen en geroepen dat hij “dood moet”. Door de getuigen [naam getuige 1] en [naam getuige 2] wordt gezien dat er een vechtpartij is waarbij meerdere mannen en vrouwen geweld gebruiken tegen één man. [naam getuige 1] ziet dat het slachtoffer met een hamer wordt bewerkt. Hem valt op dat de dames ook echt gericht waren op de man en het leek erop dat de vrouwen de mannen aan het aansporen waren om het slachtoffer te pakken. Hij noemde het een zeer haatvolle actie met een buitensporige mate van geweld. Op een bepaald moment ziet hij drie mannen naar een zwarte Volkswagen bus lopen.

[naam getuige 2] heeft tegenover de politie verklaard, geprobeerd te hebben de vechtpartij te stoppen. Hij ziet op dat moment twee jongens op het slachtoffer inslaan met een kettingslot en een hamer. Tevens ziet hij drie vrouwen het slachtoffer schoppen, terwijl een van hen het gebeuren filmt. Hij ziet daarbij de oudere vrouw met het blonde haar de man duwen en schoppen en de jongere, wat dikkere vrouw het slachtoffer op zijn hoofd en lichaam schoppen. Ook hij hoort dat er geroepen wordt dat de man een pedofiel was, dat hij dood moest en dat ze hem dood zouden maken. Hij heeft de hamer en het kettingslot afgepakt van de jongens en weggegooid.

Waarnemingen van de ter plaatse gekomen politieagenten

Er wordt van deze gebeurtenis een melding gedaan bij de politie en de ter plaatse gearriveerde politieagenten zien dat een man, die later [naam broer verdachte] blijkt te zijn, het slachtoffer twee maal ‘vol’ tegen zijn hoofd schopt.

Dezelfde politieagenten zien dat het slachtoffer op straat ligt op zijn buik en op zijn gezicht met rondom hem een plas bloed. Het gezicht van het slachtoffer is erg dik en opgezwollen en er druppelt bloed uit zijn neus. Op het achterhoofd van het slachtoffer is een blauwe plek te zien die er ‘apart’ uitziet, namelijk een rondvormige blauwe plek. Op straat wordt een zwart kettingslot aangetroffen waarop druppels bloed zitten. Aan het einde van dit kettingslot zat een rondvormig slot. De verbalisanten constateren dat op het achterhoofd van het slachtoffer vergelijkbaar rond letsel te zien is. Van dit letsel op het achterhoofd is een foto gemaakt die zich in het dossier bevindt.

[naam zus verdachte] heeft volgens de waarneming van de verbalisanten een op bloed lijkende substantie op de punt van haar schoen. [naam broer verdachte] heeft spikes op de punten van zijn schoenen.

De verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij [naam slachtoffer] heeft geslagen. Hij heeft aangegeven dat er nadat men uit de auto was gestapt geen onderling overleg meer heeft plaatsgevonden over de wijze waarop de confrontatie met [naam slachtoffer] plaats moest vinden.

4.3.4.

Het letsel

Uit de medische informatie van Forensisch Artsen Rotterdam Rijnmond van 7 juni 2017 waarin het letsel dat bij het slachtoffer werd geconstateerd, is omschreven, volgt dat bij [naam slachtoffer] sprake was van meerdere bloeduitstortingen, zwellingen en schaafwonden in het gelaat, op het behaarde hoofd, ter plaatse van het linker schouderblad en op beide benen. Röntgenonderzoek toonde aan dat de neus, het rechter jukbeen en de oogkas waren gebroken. Verdere behandeling werd voortgezet door de kaakchirurg en de neuroloog. De geschatte genezingsduur is minimaal 6 weken.

4.3.5.

Conclusie

Uit deze feiten en omstandigheden kan worden afgeleid dat tevoren met elkaar een plan is bedacht en dat dit plan de volgende ochtend verder is geconcretiseerd. Het slachtoffer moest koste wat kost worden geconfronteerd met zijn handelen en wel op zo’n manier dat hij het gewraakte gedrag niet meer zou herhalen. Het verweer van de verdachte dat de confrontatie met [naam slachtoffer] beperkt zou blijven tot het uitpraten en verzamelen van bewijs voor de politie en dat het pas uit de hand liep toen men zag dat [naam slachtoffer] [naam zus verdachte] opnieuw had aangeraakt acht de rechtbank niet geloofwaardig. Immers, men is met drie mannen en drie vrouwen afgegaan op één man; al voor het vertrek van de familie werd op zijn minst al duidelijk dat een klauwhamer bij de confrontatie aanwezig zou zijn en vervolgens zijn de drie mannen, zonder dat daarvoor enig nader overleg nodig bleek, vol op [naam slachtoffer] gesprongen en hebben hem in elkaar geslagen en getrapt. Daarbij is ook al vanaf het begin met een klauwhamer met kracht op [naam slachtoffer] ingeslagen en is hij op en tegen zijn hoofd geslagen, gestompt en geschopt. Op geen enkel moment heeft één van de betrokken familieleden getracht het geweld te stoppen. De wijze waarop het plan dan ook is uitgevoerd leidt de rechtbank tot de conclusie dat het toepassen van dit soort geweld van meet af aan de bedoeling van betrokkenen is geweest.

- Ten aanzien van het (voorwaardelijk) opzet

Blijkens de inhoud van de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen (bijlage II bij dit vonnis) is [naam slachtoffer] genadeloos afgetuigd en heeft de verdachte [naam broer verdachte] in ieder geval twee keer en [naam zus verdachte] een keer tegen het hoofd van het slachtoffer geschopt. Ook verdachte [naam moeder verdachte] trapt [naam slachtoffer] hard tegen het hoofd, wanneer hij probeert op te staan.

[naam neef verdachte] heeft meerdere malen met een klauwhamer met kracht op het slachtoffer ingeslagen, terwijl hij de klauwhamer in eerste instantie van boven zijn hoofd naar beneden naar [naam slachtoffer] sloeg, terwijl de verdachte [naam broer verdachte] op dat moment bezig was [naam slachtoffer] tegen de grond te werken. De verdachte heeft gedurende langere tijd onafgebroken op het slachtoffer ingeslagen en hem gestompt. Ook [naam moeder verdachte] heeft [naam slachtoffer] geslagen en geschopt. De rechtbank stelt vast dat hiermee is komen vast te staan dat zes personen gedurende vele minuten het slachtoffer – ook toen deze al snel op de grond was gewerkt en zich niet verweerde - met kracht en in razernij tegen diens lichaam en hoofd hebben gestompt, geslagen en getrapt en met een klauwhamer hebben bewerkt. Het slachtoffer heeft als gevolg van het tegen hem gebezigde geweld ernstig letsel aan zijn hoofd opgelopen, namelijk: een gebroken neus, een gebroken rechter jukbeen en gebroken oogkas. Ook had hij een verwonding op het achterhoofd.

De brute wijze waarop de handelingen zijn uitgevoerd, het grote aantal personen waarmee het geweld is toegepast en de duur ervan maakt in het licht van het feit van algemene bekendheid dat het geven van harde klappen/schoppen/slagen tegen het hoofd levensbedreigende (hersenfunctie)stoornissen tot gevolg kunnen hebben dat de rechtbank dit aanmerkt als uitvoeringshandelingen van doodslag.

Het handelen van de verdachte en zijn medeverdachten wordt qua uiterlijke verschijningsvorm ook geacht daarop gericht te zijn geweest. Door aldus te handelen heeft verdachte zich willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat het slachtoffer zou komen te overlijden en heeft hij die kans blijkens de wijze van handelen ook welbewust aanvaard en op de koop toe genomen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte heeft gehandeld met het ten laste gelegde en vereiste voorwaardelijk opzet op de dood van het slachtoffer [naam slachtoffer] .

- Ten aanzien van “medeplegen”

Uit de omstandigheden die (zoals hiervoor reeds beschreven) hebben bijgedragen aan de conclusie dat sprake is geweest van planmatig handelen voorafgaand aan de geweldsexplosie op 22 april 2016 komt de rechtbank tot het oordeel dat tussen de verdachte en zijn medeverdachten sprake was van een zodanige bewuste en nauwe samenwerking dat zij de bewezenverklaarde poging tot doodslag tezamen en in vereniging hebben gepleegd. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de verdachte en zijn medeverdachten voorafgaand, gedurende en na het plegen van het feit gezamenlijk zijn opgetreden en dat het totaal van de gedragingen van verdachte medeplegen oplevert. Gelet op dit samenstel van gedragingen komt de rechtbank tot het oordeel dat de verdachte als medepleger van de poging tot doodslag kan worden aangemerkt.

4.3.6.

Conclusie

De rechtbank acht de primair tenlastegelegde poging tot doodslag dan ook wettig en overtuigend bewezen.

4.4.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij op 22 april 2017 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen,

opzettelijk een persoon genaamd [naam slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet

- meermalen met kracht tegen het hoofd, althans tegen het lichaam, van die

[naam slachtoffer] , hebben geslagen en/of gestompt terwijl die [naam slachtoffer] op de

grond lag en

- meermalen met kracht met een klauwhamer

tegen het lichaam, van die [naam slachtoffer] hebben geslagen terwijl die

[naam slachtoffer] op de grond lag en

- meermalen met kracht tegen het hoofd, althans tegen het lichaam, van die

[naam slachtoffer] hebben geschopt terwijl die [naam slachtoffer] op de grond lag,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

primair:

medeplegen van poging tot doodslag

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het bewezenverklaarde feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feiten waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft samen met zijn medeverdachten [naam slachtoffer] op straat en op klaarlichte dag zo hard met voeten, vuisten en een klauwhamer geslagen en geschopt tegen het hoofd en het lichaam dat hij daardoor het leven had kunnen laten. Het is enkel aan geluk en het ingrijpen van de politie te danken geweest dat dit gevolg zich niet heeft gerealiseerd.

De verdachte heeft door zijn handelen een ernstig strafbaar feit gepleegd. Er is weliswaar begrip op te brengen voor de omstandigheid dat de verdachte en zijn familie zeer gekrenkt waren door de - in hun ogen zeer vergaande - inbreuk op de eer en integriteit van [naam zus verdachte] , maar dit rechtvaardigt ook dan niet het eigenmachtig en zeer gewelddadig handelen van de verdachte en zijn familie jegens [naam slachtoffer] , zeker nu de politie de zaak al in onderzoek had genomen. Niet alleen voor het slachtoffer, maar ook voor de mensen die van dit geweld ongewild getuige moesten zijn, zal dit gevoelens van angst, onveiligheid en verontwaardiging opgeroepen hebben. Deze vorm van eigenrichting kan niet worden getolereerd en dit handelen dient dan ook ten aanzien van alle verdachten te worden bestraft in de vorm van een forse vrijheidsbenemende sanctie.

Het zijn met name dit soort geweldsincidenten die in de samenleving als uitermate schokkend worden ervaren. Het spreekt voor zich dat deze gebeurtenis ook voor het slachtoffer een bijzonder traumatische ervaring moet zijn geweest. Het feit zal, mede gezien het zware letsel dat hij heeft opgelopen, een grote impact op hem moeten hebben gehad. Het feit dat het slachtoffer uit angst voor (verdere) represailles geen aangifte heeft willen doen doet daaraan niet af.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 3 juli 2017, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Strafmaatverweer

De raadsman heeft een strafmaatverweer gevoerd uitgaande van zijn standpunt dat ten aanzien van het primair ten laste gelegde vrijspraak moet volgen en dat aan de verdachte ten aanzien van een eventuele bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde naast een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest, een taakstraf moet worden opgelegd.

Beoordeling

De rechtbank volgt dit verweer evenwel niet omdat de rechtbank komt tot een bewezenverklaring van een poging tot doodslag. Hetgeen door de raadsman is aangevoerd ten aanzien van de strafmaat is gelet op de ernst van het bewezenverklaarde geen passende afdoening.

De strafeis van de officier van justitie tot oplegging van een gevangenisstraf van vijf jaar doet naar het oordeel van de rechtbank echter evenmin recht aan de bewezenverklaarde feiten. De rechtbank heeft bij het bepalen van de hoogte van de straf gelet op de voor een dergelijk strafbaar feit geldende (LOVS)richtlijnen. Oplegging van een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twee jaar zou bij een dergelijk feit zonder meer gerechtvaardigd zijn.

De rechtbank houdt in positieve zin rekening met het blanco strafblad van de verdachte.

Voorts houdt de rechtbank in het voordeel van de verdachte rekening met de omstandigheid dat de apert onfatsoenlijke bejegening van zijn zestienjarig zusje door het slachtoffer en het gevoel voor haar en zijn familie op te moeten komen het voor hem moeilijker heeft gemaakt om een juiste afweging te maken. De spijt die hij ter zitting over zijn handelen heeft betuigd is op de rechtbank oprecht overgekomen.

Desondanks is het zorgelijk dat de verdachte zich zo heeft laten gaan dat een ander het leven had kunnen laten. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank aan de verdachte een lagere straf opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd, en daarvan tevens een deel voorwaardelijk opleggen teneinde de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.

Bevel gevangenhouding

De rechtbank heeft na sluiting van het onderzoek ter terechtzitting van 2 augustus 2017 en naar aanleiding van de beraadslaging de gevangenhouding van verdachte bevolen voor een termijn van dertig dagen.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c, 45, 47 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

9 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

10 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte het primair, impliciet primair ten laste gelegde feit (poging tot doodslag), zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden;

bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 6 (zes) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt gesteld op 2 jaar, na te melden voorwaarden overtreedt;

stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. C.G. van de Grampel, voorzitter,

en mrs. G.P. van de Beek en D. Visser, rechters,

in tegenwoordigheid van S. Wongsokerto, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 22 april 2017 te Rotterdam ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen, opzettelijk een persoon genaamd [naam slachtoffer] van het

leven te beroven, met dat opzet

- ( meermalen) (met kracht) tegen het hoofd, althans tegen het lichaam, van die

[naam slachtoffer] , heeft/hebben geslagen en/of gestompt (terwijl die [naam slachtoffer] op de

grond lag) en/of

- ( meermalen) (met kracht) met een klauwhamer en/of een (ketting)slot, althans

één of meer harde en/of scherpe voorwerp(en), tegen het hoofd, althans

tegen het lichaam, van die [naam slachtoffer] heeft/hebben geslagen (terwijl die

[naam slachtoffer] op de grond lag) en/of

- ( meermalen) (met kracht) tegen het hoofd, althans tegen het lichaam, van die

[naam slachtoffer] heeft/hebben geschopt (terwijl die [naam slachtoffer] op de grond lag),

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 22 april 2017 te Rotterdam, op of aan de openbare weg,

[plaats delict] , in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in

vereniging geweld heeft gepleegd tegen [naam slachtoffer] , welk geweld bestond uit

uit het meermalen, althans éénmaal (met kracht)

- beetpakken van die [naam slachtoffer] en/of

- duwen tegen het lichaam van die [naam slachtoffer] en/of

- naar de grond trekken van die [naam slachtoffer] en/of

- tegen het hoofd en/of tegen het lichaam, van die [naam slachtoffer] , slaan en/of

stompen (terwijl die [naam slachtoffer] op de grond lag) en/of

- met een klauwhamer en/of een (ketting)slot, althans één of meer harde en/of

scherpe voorwerp(en), tegen het hoofd en/of tegen het lichaam, van die

[naam slachtoffer] slaan (terwijl die [naam slachtoffer] op de grond lag)

en/of

- tegen het hoofd en/of tegen het lichaam, van die [naam slachtoffer] schoppen (terwijl

die [naam slachtoffer] op de grond lag);

art 141 lid 1 Wetboek van Strafrecht