Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:6321

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
26-07-2017
Datum publicatie
22-08-2017
Zaaknummer
C/10/511617 / HA ZA 16-990
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verdeling huwelijksgoederengemeenschap. Rechtsgevolg van door onzijdig persoon met deelgenoot gemaakte afspraak over peildatum.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 181
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2017/125
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/511617 / HA ZA 16-990

Vonnis van 26 juli 2017

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiseres,

advocaat mr. G.P. Dayala te Amsterdam Zuidoost,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. G.F. van den Ende te Rotterdam.

Partijen zullen hierna de vrouw en de man genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord met producties;

  • -

    het tussenvonnis/de brief van 8 februari 2017;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 13 juni 2017 met de daarin genoemde stukken;

  • -

    de brief van de advocaat van de man van 7 juli 2017, ingekomen ter griffie op 7 juli 2017;

  • -

    de brief van de advocaat van de vrouw van 10 juli 2017, ingekomen ter griffie op 11 juli 2017;

  • -

    de brief van de advocaat van de vrouw van 11 juli 2017, ingekomen ter griffie op 11 juli 2017.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn gehuwd geweest in algehele gemeenschap. Het huwelijk is ontbonden door de inschrijving in de registers van de burgerlijke stand van de beschikking van 26 oktober 2012 van deze rechtbank waarbij de echtscheiding is uitgesproken.

2.2.

De beslissing die in de beschikking (productie 1 van de vrouw) is opgenomen, luidt (voor zover thans van belang):

“(…)

Bepaalt dat partijen overgaan tot verdeling van de gemeenschap.

Benoemt (…) tot notaris ten overstaan van wie de werkzaamheden van de verdeling zullen geschieden: [notaris] , notaris ter standplaats Rotterdam (…).

(…)

Benoemt tot onzijdige persoon van de man, indien hij mocht weigeren voor de notaris te verschijnen, of verschenen zijnde, mocht weigeren aan de verdeling mee te werken, te vertegenwoordigen en hetgeen hij mocht ontvangen te beheren:

[advocaat] , (…).”

2.3.

De advocaat van de man heeft op 1 september 2014 aan notaris [notaris] (hierna: de notaris) een brief gestuurd (een productie bij productie 1 van de vrouw), met de volgende inhoud:

“In opgemelde zaak heb ik vorige week een bespreking gehad met de onzijdig persoon, [advocaat] , en daarbij inzage gekregen in de door mevrouw [eiseres] opgestelde boedellijst.

Namens cliënt heb ik daarbij moeten vaststellen dat deze afwijkt van de lijst die de advocaat van mevrouw [eiseres] mij op 21 juni 2013 heeft toegestuurd, waarvan ik u op 5 mei 2014 reeds een exemplaar heb toegezonden en waarvan ik nogmaals een afschrift bijsluit (bijlage 1).

Voorts heb ik moeten vaststellen dat het door mevrouw [eiseres] thans gepresenteerde overzicht, mede inhoudende een voorstel tot verdeling, niet strookt met de werkelijkheid.

Om de voormelde reden heb ik dan ook uitdrukkelijk aan [advocaat] medegedeeld dat cliënt zich verzet tegen de medewerking van de onzijdig persoon bij het opstellen van een akte tot verdeling die gebaseerd is op de door mevrouw [eiseres] gepresenteerde uitgangspunten. Voor zover nodig heb ik de onzijdige persoon ook verboden zijn medewerking hieraan te geven.

Onder de gegeven omstandigheden verzoek ik u hierdoor dan ook om voor het geval er tussen partijen over de omvang van de onverdeelde boedel en haar verdeling geen overeenstemming bereikt kan worden een proces-verbaal van zwarigheden op te maken met inachtname van de navolgende boedelopstelling.

Volgens mijn cliënt bestaat de boedel uit de navolgende bestanddelen, waarachter ik de door partijen geschatte waarde heb vermeld:

(…).”

2.4.

In het “besprekingsverslag bijeenkomst 23 januari 2015” (productie 1 van de man) komt, voor zover thans van belang, het volgende voor:

woning aan [adres en woonplaats]

Tijdens de vorige bespreking heeft de man aangegeven dat hij zich niet kon verenigen met de waarde van de woning zoals aangegeven in het vermogensoverzicht. De man heeft naar aanleiding van de vorige bespreking laten weten, in zijn opdracht een taxatie van de woning te laten uitvoeren. Deze taxatie heeft nog niet plaatsgevonden. Wel is de vrouw daags voor de bespreking gebeld door een taxateur zonder dat ze daarover was geïnformeerd. (…) Afgesproken wordt dat de vrouw medewerking zal verlenen aan de taxatie in de zin dat ze de taxateur toegang zal verlenen tot de woning.

Afgesproken wordt dat partijen na deze taxatie nader zullen overleggen of er overeenstemming kan worden bereikt over de waarde van de woning.”

2.5.

In het proces-verbaal van de notaris (productie 2 van de vrouw) komt, voor zover thans van belang, het volgende voor:

“Heden, veertien december tweeduizend vijftien, verklaar ik [notaris] , notaris te Rotterdam, zulks op verzoek van:

mevrouw [eiseres] (…), hierna te noemen: “de vrouw”,

om proces-verbaal op te maken van de procedure met tijdsverloop alsmede een beschrijving van alle goederen en schulden behorende tot de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap tussen de vrouw en de heer [gedaagde] (…), hierna te noemen: “de man”, met vermelding van de afspraken en geschilpunten zoals ten kantore van mij, notaris, met de vrouw en de man, respectievelijk zijn advocaat en vertegenwoordiger mr. G.F. van den Ende, alsmede de heer [advocaat] , handelend als onzijdig persoon van de man, zijn besproken.

AANHEF

  1. (…)

  2. In gevallen als de onderhavige laat ik mij bijstaan door mevrouw [kandidaat-notaris] , die als kandidaat-notaris te mijner kantore werkzaam is. Mevrouw [kandidaat-notaris] en ik, notaris, hierna tezamen aan te duiden als: “ik”.

PROCEDURE

A. Op zeven augustus tweeduizend dertien heb ik de man per brief en de vrouw per mail uitgenodigd aan de verdeling mee te werken en te verschijnen ten kantore van mij op (…).

E. Op vijf september is de onzijdige persoon, [advocaat] , hierna aan te duiden als: “de onzijdig persoon” benaderd, waarna een afspraak is gemaakt met de vrouw en de onzijdig persoon ten kantore van mij op vier en twintig september tweeduizend dertien.

F. Tijdens de bespreking hebben de vrouw en de onzijdig persoon overeenstemming bereikt over de toedeling van de woning aan de vrouw, waarna een akte van partiële verdeling is opgesteld, waarvan een kopie aan deze akte is gehecht.

G. (…)

H. Op negen april tweeduizend veertien heeft er een gesprek met de vrouw en de onzijdig persoon plaatsgevonden ten kantore van mij. Van het gespreksverslag blijkt uit een aan deze akte gehechte e-mail de dato tien april.

I. Op vijf mei tweeduizend veertien respectievelijk een september tweeduizend veertien ontving ik een brief van mr. G.F. van den Ende, advocaat van de man. (…) De heer Van den Ende geeft in gemelde brieven aan dat het door de vrouw gepresenteerde overzicht van de omvang van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap niet strookt met de werkelijkheid. De onzijdig persoon heeft bij e-mail bericht de dato vijf september tweeduizend veertien laten weten, nu de man inhoudelijk een standpunt inneemt, hij niet meer als onzijdig persoon op kan treden. (…)

J. (…)

VERVOLG

Er hebben vervolgens twee besprekingen bij mij op kantoor plaatsgevonden te weten op veertien oktober tweeduizend veertien en drie en twintig januari tweeduizend vijftien, waarvan ik de man en de vrouw een gespreksverslag heb gezonden. Op een en dertig maart tweeduizend vijftien is er tevens een eindverslag aan partijen gezonden.

Tot de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap behoren, volgens opgaaf van partijen de goederen en schulden zoals blijkt uit het aan dit proces verbaal gehechte overzicht.

Tijdens de eerste bespreking hebben partijen overeenstemming bereikt over de peildatum voor de waardering en de omgang van de ontbonden huwelijksgemeenschap, te weten een april tweeduizend elf , hierna aan te duiden als: “de peildatum”.

Hieronder volgt een puntsgewijs overzicht van de gemelde goederen en schulden met vermelding van de afspraken en geschilpunten.

1. de woning aan [adres en woonplaats] en de hypotheekschuld

De vrouw heeft de woning laten taxeren per de peildatum voor een bedrag van een honderd vijf en zeventig duizend euro (€175.000,00). (…) De man heeft laten weten, in zijn opdracht, een taxatie van de woning te laten uitvoeren. (…) De vrouw heeft naar aanleiding van het eindverslag aangegeven dat de taxatie door de man nimmer heeft plaatsgevonden.

De hypotheekschuld bedraagt volgens opgaaf van de vrouw per de peildatum een honderd twee en twintig duizend vijf honderd twintig euro en zes en zestig cent (€122.520,66). De man heeft dit nimmer betwist.

(…)

huis gelegen in het district Suriname, thans Paramaribo, thans in eigendom van de Stichting

De man heeft aangegeven dat deze woning niet tot de huwelijksgemeenschap behoort maar eigendom is van de Stichting. De woning noch de waarde behoort tot de ontbonden huwelijksgemeenschap.

De vrouw geeft tijdens de besprekingen aan dat de woning inderdaad niet tot de ontbonden huwelijksgemeenschap behoort, maar stelt dat de woning is gebouwd tijdens het huwelijk met geld afkomstig uit de huwelijksgemeenschap.

Een bedrag van vijftig duizend euro (€ 50.000,00) zou volgens de vrouw zijn onttrokken uit de huwelijksgemeenschap, om de woning te bouwen.

De heer [persoon] belt tijdens de bespreking van drie en twintig januari tweeduizend vijftien met de man die aangeeft dat er geen geld is onttrokken uit de huwelijksgemeenschap voor de bouw van deze woning.

Ik notaris, spreek telefonisch met de man en vraag hem hoe de woning is gesticht en met welk geld, waarbij ik aangeef dat indien zaken worden verzwegen die later toch tot de huwelijksgemeenschap behoren, hij het risico loopt zijn aandeel in deze zaken te verliezen. De man heeft naar aanleiding van het verslag van de bespreking van drie en twintig januari vervolgens per mail laten weten te hebben verteld: “Het perceel en het erop staande woning is gebouwd door mijn ouders. Daarna was het onder voorwaarde op mijn naam gekomen. We hadden/hebben hierin geen enkel belang. Zie dat mevrouw [eiseres] mede hiermee uit de Stichting terug getrokken heeft. (bewijzen komen nog). (…)“

2.6.

In de concept-akte van partiële verdeling (concept d.d. 14/12/2015), zoals in het proces-verbaal van de notaris onder F. bedoeld, komt – voor zover thans van belang – het volgende voor:

“(…)

Hypothecaire schuld. Waardering. Peildatum.

Artikel 3.

  1. (…)

  2. Er wordt verdeeld naar de waarde en de toestand per vier en twintig september tweeduizend dertien (“de aangenomen dag van verdeling”);

  3. De in de verdeling te betrekken activa en passiva zijn gewaardeerd als volgt:

a. wat betreft het registergoed is de waarde door partijen vastgesteld op een honderd zestig duizend euro (€ 160.000,00). Zijnde de waarde die blijkt uit een aan deze akte gehecht taxatierapport;

b. (…)”

3 Het geschil

3.1.

De vrouw vordert samengevat - veroordeling van de man om over te gaan tot verdeling met de vrouw van de gemeenschapsgoederen overeenkomstig het primair danwel subsidiair door de vrouw gevorderde.

3.2.

De vrouw stelt hiertoe dat zij recht heeft op haar aandeel in de gemeenschap.

3.3.

De man stelt zich op het standpunt dat eerst tot feitelijke verdeling kan worden overgegaan als er algehele overeenstemming bestaat over de omvang van de te verdelen boedel en de waardering van de boedelbestanddelen, danwel in rechte de omvang en de waarde is komen vast te staan.

4 De beoordeling

4.1.

Voor wat betreft de goederenrechtelijke afwikkeling van het huwelijk word tot uitgangspunt genomen dat de Nederlandse rechter die op grond van de Verordening (EG) Nr 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 (ook wel genoemd Brussel IIbis) bevoegd is van de scheiding kennis te nemen (zie art. 10:55 BW), zich ook over de goederenrechtelijke afwikkeling mag ontfermen (zie art. 4 lid 3 Rv).

4.2.

Partijen zijn deelgenoten in een gemeenschap. Indien de deelgenoten in een gemeenschap geen overeenstemming over de verdeling van een gemeenschap kunnen bereiken, kan de rechter de verdeling daarvan op de voet van art. 3:185 lid 1 BW vaststellen. Daarbij dient, zoals in dat artikel is bepaald, naar billijkheid rekening te worden gehouden met de belangen van partijen en het algemeen belang. De rechter die de verdeling vaststelt, geniet een mate van vrijheid en is niet gebonden aan hetgeen partijen over en weer hebben gevorderd en hij behoeft niet expliciet in te gaan op hetgeen partijen aanvoeren (HR 17 april 1998, NJ 1999, 550).

4.2.1.

In dat kader zal de omvang en de waarde van boedel in rechte worden vastgesteld. Het vorenstaande betekent dat het argument van de man dat eerst tot feitelijke verdeling kan worden overgegaan als er algehele overeenstemming bestaat over de omvang van de te verdelen boedel en de waardering van de boedelbestanddelen, faalt.

4.3.

Uit het proces-verbaal van de notaris blijkt dat er nog enkele boedelbestanddelen zijn waarover partijen van mening verschillen.

De latente belastingclaim

4.4.

In het proces-verbaal van de zitting is opgenomen dat de man akkoord was met een (latente) belastingclaim van 52% voor de polissen bij de Amersfoortse (€ 19.958), Axa (€ 10.301) en ASR (€ 9.386) onder de voorwaarde dat de vrouw haar belastingaanslagen uit 2013 en 2014 aan de man zou doen toekomen en dat hieruit blijkt dat zij in het hoogste belastingtarief voor de inkomstenbelasting viel.

De (advocaat van de) man heeft bij zijn brief van 7 juli 2017 aan de rechtbank bericht dat hij de aanslagen van 2013 tot en met 2015 van de vrouw heeft ontvangen en dat daaruit blijkt dat zij in die jaren niet meer dan 42% inkomstenbelasting heeft betaald.

De (advocaat van de) vrouw betoogt in zijn brieven van 10 en 11 juli 2017 dat de vrouw wel in het hoogste tarief valt indien rekening wordt gehouden met de uitkeringen van bedoelde polissen en heeft daartoe een berekening bij de brief van 11 juli 2017 overgelegd.

Omdat partijen in het kader van de verdeling thans met elkaar dienen af te wikkelen en met inachtneming van de hiervoor bedoelde en door de vrouw overgelegde berekeningen, wordt het redelijk en billijk geacht om van het hoogste te dezen toepasselijke belastingtarief uit te gaan. Derhalve dient te worden uitgegaan van een percentage van 52% (in de top) en bedraagt de latente belastingclaim € 20.615,40.

De woning aan [adres en woonplaats]

4.5.

Uit het proces-verbaal van de notaris (r.o. 2.5) volgt dat de vrouw en de onzijdig persoon die de man ter gelegenheid daarvan vertegenwoordigde in een bespreking op 24 september 2013 overeenstemming hebben bereikt over de toedeling van de woning aan de vrouw.

Uit het aan het proces-verbaal gehechte concept van de akte van partiële verdeling (r.o. 2.6) blijkt dat de vrouw en de onzijdig persoon die de man vertegenwoordigde daarbij als peildatum hebben aangemerkt 24 september 2013. De vrouw heeft kort hierna de opdracht gegeven om de woning te taxeren. Het standpunt van de vrouw is (dagvaarding onder 6a.) dat zij een taxatie heeft doen uitvoeren per de peildatum voor een bedrag van € 175.000.

De man heeft zich daarna op het standpunt gesteld dat hij zich met deze waarde van de woning niet kon verenigen en dat de man in zijn opdracht een taxatie zou laten uitvoeren. Dit laatste heeft echter niet plaatsgevonden. De man meent thans dat de rechtbank een deskundige dient aan te stellen alsmede dat de datum van verdeling dient te worden aangemerkt als de peildatum.

4.5.1.

De waarde van de te verdelen goederen wordt bepaald per datum van de verdeling, tenzij partijen een andere peildatum overeenkomen dan wel een andere peildatum uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit.

In dit geval zijn partijen een andere peildatum dan de datum van de verdeling overeengekomen. Dit volgt uit het proces-verbaal van de notaris (r.o. 2.5). Immers, de onzijdig persoon treedt ten aanzien van de verdeling op als vertegenwoordiger. In die hoedanigheid behartigt hij de belangen van de vertegenwoordigde ‘naar eigen beste inzicht’. Daarmede wordt uitgedrukt dat het inzicht van de vertegenwoordigde er niet toe doet. Zie Parl. Gesch. BW Boek 3 1981, p. 611. Die heeft namelijk het veelal aan zichzelf te wijten dat hij niet aan de verdeling meedoet.

Dit betekent dat de mededeling van de (advocaat van de) man (zie r.o. 2.3) aan de onzijdig persoon dat de man zich verzet tegen de medewerking van de onzijdig persoon bij het opstellen van een akte tot verdeling die gebaseerd is op de door de vrouw gepresenteerde uitgangspunten en het “verbieden” door de man van de medewerking van de onzijdige persoon aan die verdeling, niet afdoet aan de eerder door de onzijdig persoon als vertegenwoordiger van de man met de vrouw gesloten overeenkomst ten aanzien van de peildatum voor de waardering van de woning.

4.5.2.

Ten aanzien van de taxatie wordt verder overwogen dat het op de weg van de man had gelegen om zijn stelling dat de in opdracht van de vrouw verrichte taxatie ondeugdelijk is, te onderbouwen met bijvoorbeeld een in opdracht van hem opgesteld taxatierapport.

Dat de vrouw geen taxateur van de man in de woning wilde toestaan, heeft de man niet onderbouwd. Integendeel, in het door hem overgelegde besprekingsverslag (r.o. 2.4) staat genoteerd dat de vrouw toegang zal verlenen aan de taxateur van de man. Zoals door de vrouw gesteld en door de man niet is betwist, zodat het vaststaat, heeft de man echter geen taxatie laten uitvoeren.

Het enkel overleggen van waardepeildata van de WOZ (productie 2 van de man) per 1 januari 2010 (ad € 220.000) en per 1 januari 2015 (ad € 180.000) is onvoldoende voor de betwisting van het taxatierapport van de vrouw. Immers, feit van algemene bekendheid is dat de crisis op de Nederlandse woningmarkt omstreeks begin 2014 tot zijn einde kwam en dat sindsdien de prijzen van de woningen weer zijn gaan stijgen. De door de man overgelegde waardepeildata betreffen nu juist niet het jaar 2013. Dat de woning in 2013 lager is gewaardeerd dan in 2011 komt de rechtbank in het licht van voornoemde crisis overigens ook niet onaannemelijk voor.

Dit betekent dat de door de vrouw gestelde en onderbouwde waarde bij gebrek aan deugdelijke betwisting door de man, is vast komen te staan.

4.5.3.

De man merkt op dat de notaris in het proces-verbaal (r.o. 2.5) uitgaat van de peildatum 11 april 2011 en dat in de door de notaris opgemaakte conceptakte van partiële verdeling (r.o. 2.6) wordt uitgegaan van de peildatum 24 september 2013 en dat de notaris zichzelf dus tegenspreekt. Dienaangaande wordt overwogen dat het uitgangspunt is de peildatum die door partijen is afgesproken. De man heeft niet betwist, zodat het vaststaat, dat er overeenstemming over de peildatum was tussen de vrouw en de man (in de persoon van de onzijdig persoon) op 24 september 2013 (zie verder 4.5.1) in het licht waarvan de vrouw de woning kort daarna heeft laten taxeren. Dat de notaris in het proces-verbaal (r.o. 2.5) kennelijk per abuis is uitgegaan van de peildatum van de overige te verdelen goederen, te weten 11 april 2011 danwel de datum van het beëindigen van de samenwoning doet aan voormelde overeenstemming niet af.

De bankrekeningen ten name van de man en de vrouw

4.6.

De vrouw heeft zich ten aanzien van de saldi van de bankrekeningen die zijn opgenomen in bijlage 6 bij het proces-verbaal van de notaris op het standpunt gesteld dat bij de daar vermelde vraagtekens het volgende dient te worden aangevuld:

  • -

    ING betaalrekening [rekeningnummer] ten name van [moeder gedaagde] € 25.000

  • -

    ING profijtrekening [rekeningnummer] ten name van [moeder gedaagde] € 150.000

  • -

    ABN effectenrekening [rekeningnummer] ten name van [moeder gedaagde]

€ 25.000 (in 2010 nog actief);

 ABN betaalrekening 97.38.15.116 ten name van Bhagwanbali-Oedairadjsing €100.000

Voorts dient het saldo op de ING beleggingsrekening met nummer 10679949 alsmede de waarde van de belegging eveneens te worden betrokken in de verdeling.

De vrouw stelt hiertoe dat het niet zo kan zijn dat de man het geld van zijn moeder (mw. [moeder gedaagde] ) heeft belegd. De ouders van de man woonden in een zeer eenvoudige woning. De vader van de man werkte als arbeider bij Bruynzeel en de moeder van de man was huisvrouw en had de zorg voor acht kinderen. Zij hadden dus geen bedrijf in landbouwactiviteiten. Toen partijen gehuwd waren, leefden partijen van het salaris van de vrouw. Het geld dat overbleef van dit salaris en het salaris van de man werd gespaard. De man is later met dit spaargeld gaan beleggen en op deze wijze is vermogen ontstaan. Het had op de weg van de man gelegen om stukken te overleggen waaruit blijkt dat hij geld van zijn moeder heeft ontvangen om voor haar te beleggen. Om fiscale redenen schoof de man met bedragen tussen de verschillende rekeningen.

De man voert hiertegen aan dat de rekeningen die op naam van zijn moeder staan, geen deel uitmaken van de gemeenschap. Bovendien blijkt uit de door de vrouw als productie 1 bij de stukken ten behoeve van de comparitie overgelegde bankafschriften dat er steeds geld op die rekeningen is bijgeboekt maar dat dat geld ook weer is afgeboekt zodat er per saldo geen toe- of afname heeft plaatsgehad. De ouders van de man hadden een bedrijf in landbouwactiviteiten. De man heeft het vermogen van zijn moeder belegd. Dat is niet altijd gunstig uitgevallen, de man is uit dien hoofde nog een bedrag aan zijn moeder schuldig.

De rechtbank overweegt dat een bankrekening en het daarop (in dit geval op de peildatum) aanwezige banksaldo in beginsel toekomt aan diegene op wiens naam die rekening staat. Dit kan slechts anders zijn indien voldoende gemotiveerd wordt gesteld en eventueel wordt bewezen dat het op die bankrekening aanwezige saldo aan een ander toebehoort. De stelplicht en bewijslast van de stelling van de vrouw dat de hiervoor genoemde bankrekeningen deel uitmaken van de tussen partijen te verdelen gemeenschap rust op de vrouw. Uit de door de vrouw overgelegde stukken blijkt echter niet dat de man bedragen die tot de gemeenschap behoorden heeft overgemaakt of gestort op de bankrekening van zijn moeder en zo ja wanneer en om welke bedragen het dan zou gaan. Uit de overgelegde stukken blijkt wel dat, zoals de man heeft aangevoerd, er per saldo vrijwel niets aan de gemeenschap is onttrokken omdat bedragen steeds “heen en weer” werden geboekt (zie bijv. producties 1 en 9 van de vrouw zoals overgelegd ten behoeve van de comparitie). De stelling van de vrouw dat het niet zo kan zijn dat het hier om vermogen van de moeder van de man gaat maar om vermogen dat door de man is opgebouwd met gelden van de gemeenschap heeft zij derhalve niet voldoende onderbouwd zodat aan bewijslevering niet wordt toegekomen.

De onroerende zaak in Suriname die op naam staat van Stichting Kewal Dhaam

4.7.

Tussen partijen is in geschil de vraag of er, zoals de vrouw stelt en door de man wordt betwist, gelden (volgens de vrouw € 50.000) zijn onttrokken aan de gemeenschap ten behoeve van de bouw van een huis op het perceel dat de man in eigendom verkreeg door schenking onder uitsluitingsclausule van zijn ouders op 15 januari 1993 en welk perceel hij op 21 mei 2008 in eigendom heeft overgedragen aan Stichting Kewal Dhaam.

De man stelt zich op het standpunt dat het huis is gebouwd door zijn ouders en wijst daarbij op de bouwvergunning die aan hen was verleend vóór de schenking, te weten in 1989.

Ook op dit punt rust de stelplicht en de bewijslast op de vrouw van haar stelling dat het huis in Suriname is gebouwd na de schenking aan de man en van haar stelling dat voor die bouw € 50.000 is onttrokken aan de gemeenschap. De verwijzing van de vrouw naar de beschikking van het Gerechtshof te Den Haag van 17 juli 2013 (productie 5 van de vrouw bij de ter gelegenheid van de comparitie overgelegde stukken) waarin het verzoek van de man tot betaling van alimentatie door de vrouw in r.o. 7 is afgewezen en waarin is overwogen “Ook heeft de man niet aangetoond dat de woning in Suriname niet zou kunnen verhuurd waarmee hij evenzeer inkomsten kan genereren.” onderbouwt niet haar stelling dat voor de bouw van die woning gelden aan de gemeenschap zijn onttrokken. De vrouw heeft haar stellingen aldus niet of nauwelijks onderbouwd, zodat aan bewijslevering niet wordt toegekomen en de door haar gestelde feiten niet zijn vast komen te staan.

Het aan de vrouw in eigendom toebehorende perceel grond in Suriname

4.8.

Gelet op hetgeen in de dagvaarding gesteld onder 6.e en in de conclusie van antwoord onder 12 zijn partijen het er (thans) over eens dat de waarde van het aandeel van de vrouw in dit perceel grond (welk aandeel in de gemeenschap valt) gewaardeerd dient te worden voor een bedrag van € 11.793,75.

De notariskosten en de taxatiekosten

4.9.

De vrouw stelt in het lichaam van de dagvaarding dat de man haar een bedrag verschuldigd is vanwege de kosten van de notaris. De man voert als verweer dat hij alle kosten heeft voldaan die de notaris hem heeft doorbelast.

Bij productie 7 zoals door de vrouw overgelegd ten behoeve van de comparitie, is door de vrouw een overzicht overgelegd waaruit uit volgt dat het in totaal zes facturen van de notaris betreft. Vijf facturen zijn aan beide partijen gestuurd. Eén factuur met nummer 30806 ad € 2.414,95 is volgens dit overzicht door de notaris alleen aan de vrouw gestuurd. Derhalve valt zonder nadere onderbouwing, die niet is gegeven, niet in te zien waarom de man de helft van laatstbedoelde factuur aan de vrouw verschuldigd zou zijn.

4.9.1.

Van de overige vijf facturen stelt de vrouw dat zij met betrekking tot twee facturen meer heeft voldaan aan de notaris dan de helft die zij verschuldigd was. De vrouw stelt dat zij de factuur met nummer 29901.1 ad € 1.750,28 in zijn geheel heeft voldaan en dat zij van de factuur met nummer 31716 ad € 5.616,82 € 5.000 heeft betaald en de man € 616,82.

Daar de notaris de werkzaamheden bij de beschikking van de rechtbank als boedelnotaris is benoemd, dienen partijen ieder voor de helft de door de notaris aan hen beiden in rekening gebrachte kosten te voldoen. De man heeft zijn verweer dat hij alle aan hem doorbelaste notariskosten heeft betaald niet onderbouwd met bijvoorbeeld betalingsbewijzen zodat in het licht van de gemotiveerde betwisting door de vrouw is vast komen te staan dat zij ter zake wel een bedrag te vorderen heeft omdat zij meer heeft betaald dan de man. Nu de man van deze twee facturen slechts € 616,82 heeft betaald in plaats van € 3.683,55, is hij een bedrag van € 3.066,73 aan de vrouw verschuldigd.

4.10.

De vrouw heeft de door de taxateur van de woning aan [adres en woonplaats] gestuurde rekening ad € 325 voldaan. Zij vordert thans de helft van de man. De man heeft geen verweer gevoerd op dit punt, zodat de vordering van € 162,50 voor toewijzing gereed ligt. Daar komt nog bij dat de kosten die gemaakt zijn teneinde tot een verdeling te geraken naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid voor beide partijen komen, ieder voor de helft.

Wettelijke rente

4.11.

Wettelijke rente over de voldoening van een geldsom in het kader van verdeling van een gemeenschap is slechts verschuldigd vanaf het moment dat de verdeling definitief is vastgesteld.

4.11.1.

De wettelijke rente over het bedrag dat de man aan de vrouw is verschuldigd wegens door haar voorgeschoten kosten is toewijsbaar vanaf de dag der dagvaarding daar de man noch tegen de vordering noch tegen de ingangsdatum verweer heeft gevoerd.

Proceskosten

4.12.

De proceskosten zullen gelet op de relatie van partijen (ex-echtgenoten) worden gecompenseerd, zodat iedere partij de eigen kosten zal dragen.

5 De beslissing

De rechtbank

gelast de verdeling van de gemeenschap van partijen met inachtneming van dit vonnis en voor het overige conform het opgemaakte proces-verbaal van notaris [notaris] van 14 december 2015;

veroordeelt de man om ter zake van de notariskosten en de taxatiekosten aan de vrouw te voldoen een bedrag van € 3.299,23 (€ 3.066,73 + € 162,50), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot de dag van betaling;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de proceskosten tussen partijen;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. Eerdhuijzen en in het openbaar uitgesproken op 26 juli 2017.

2294/2053