Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:627

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
20-01-2017
Datum publicatie
25-01-2017
Zaaknummer
4985411
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij een overeenkomst met een zekere (betalings)verplichting voor de consument, tegenover een onzekere verplichting van (in deze zaak) het opleidingsinstituut, moet de consument duidelijk gewezen worden op de risico's die hij loopt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/414
Prg. 2017/80
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 4985411/CV EXPL 16-16299

uitspraak: 20 januari 2017

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid,

H. RUGENBRINK WERKMAATSCHAPPIJ B.V. h.o.d.n. IPD,

gevestigd te Utrecht,

eiseres bij exploot van dagvaarding van 31 maart 2016,

gemachtigde: AGC Gerechtsdeurwaarders & Incasso,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [plaatsnaam],

gedaagde,

gemachtigde: mr. M. J. G. Schroeder.

Partijen worden hierna aangeduid als “IPD” en “[gedaagde]”.

1 Het verdere verloop van de procedure

Het verdere verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen:

  • -

    het tussenvonnis van 23 september 2016 en de daaraan ten grondslag liggende processtukken;

  • -

    de akte van IPD d.d. 25 oktober 2016;

  • -

    de akte van [gedaagde] d.d. 20 december 2016.

2 De nadere beoordeling van het geschil

2.1

Aangesloten wordt bij hetgeen in bovengenoemd tussenvonnis werd overwogen en beslist. In dit tussenvonnis werd IPD tot het bewijs toegelaten van haar stelling dat [gedaagde] heeft ingestemd met het volgen van de opleiding Praktijkdiploma Boekhouden.

2.2

IPD heeft onder verwijzing naar de ter voorbereiding van de comparitie van partijen overgelegde stukken bij akte een audio-cd in het geding gebracht ter voldoening aan haar bewijsopdracht. [gedaagde] heeft bij akte gereageerd en geconcludeerd dat IPD in haar bewijsopdracht niet is geslaagd.

2.3

De door IPD overgelegde cd was leeg en bevatte geen geluidsfragment. Kennelijk bevatte de aan [gedaagde] verstrekte cd dat wel want [gedaagde] heeft een transcriptie van het opgenomen gesprek gegeven en aan de hand daarvan geconcludeerd.

2.4

In plaats van te oordelen dat met het in het geding brengen van een lege cd geen bewijs wordt geleverd, zal de kantonrechter uitgaan van het juistheid van de transcriptie van [gedaagde] en beoordelen of daarmee –de overgelegde schriftelijke bewijsmiddelen daarbij betrekkend– voldoende bewijs heeft bijgebracht van de uitdrukkelijke instemming met het volgen van de opleiding Praktijkdiploma Boekhouden (“PDB”).

2.5

Tussen partijen is niet in geschil dat [gedaagde] zich op 5 maart 2014 heeft aangemeld voor de opleidingen Basiskennis Boekhouden (“BKB”) en Basiskennis Calculatie (“BKC”). Verder staat vast dat de opleiding PDB niet gevolgd kan en mag worden als de opleidingen BKB en BKC niet met succes zijn afgerond. Het vorenstaand houdt in dat IPD een ‘product’ aan [gedaagde] verkoopt dat mogelijk nooit geleverd zal hoeven worden. Anders gezegd, IPD gaat een overeenkomst aan met een zekere (betalings)verplichting voor de consument, waartegenover een onzekere verplichting van haar zijde staat. Het sluiten van een dergelijke, voor de consument mogelijk nadelige overeenkomst, vereist een duidelijke informatie van de consument vooraf en een duidelijke instemming van de consument waaruit valt af te leiden dat hij zich van het risico bewust is. Dat aan een dergelijke “pakketverkoop” een 10% prijsreductie is verbonden doet aan het risicovolle karakter van de overeenkomst niet af.

2.6

De kantonrechter zal aan de hand van deze maatstaf beoordelen of uit de overgelegde bewijsmiddelen, waaronder het transcript van het gesprek, voldoende bewijs valt te putten.

Uit de overgelegde e-mail van 7 maart 2014 (waarvan [gedaagde] de ontvangst niet heeft betwist) en het transcript dat kennelijk op 7 maart 2014 plaatsvond (“want u heeft zich eergisteren (lees: 5 maart 2014) bij ons aangemeld voor de boekhoudopleidingen…”) kan worden afgeleid dat [gedaagde] zich aangemeld heeft voor de PDB opleiding en dat hij die wil volgen na de BKB/BKC opleidingen. Uit dit bericht, noch uit het transcript van het gesprek is echter af te leiden dat aan [gedaagde] is voorgehouden dat hij de PDB opleiding pas mag volgen na het met succes afronden van de BKB/BKC opleidingen. Dit betekent dat niet komt vast te staan dat aan [gedaagde], voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst, voor hem belangrijke informatie is verstrekt en dat hij daarmee heeft ingestemd.

2.7

IPD is dus niet geslaagd in haar bewijsopdracht zodat de vordering wordt afgewezen met veroordeling van haar in de proceskosten. Deze worden aan de zijde van [gedaagde] tot aan deze uitspraak vastgesteld op € 250,00 (2,5 punten à € 100,00).

3 De beslissing

De kantonrechter:

wijst de vordering af;

veroordeelt IPD in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [gedaagde] vastgesteld op € 250,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Vlaswinkel en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

693