Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:6239

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
21-07-2017
Datum publicatie
15-08-2017
Zaaknummer
C/10/527764 / KG ZA 17-564
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige daad Staat? Voorwaarden gesteld aan voorwaardelijke invrijheidsstelling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/4300
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/527764 / KG ZA 17-564

Uitwerking vonnis d.d. 21 juli 2017 van het (verkort) vonnis in kort geding van 22 juni 2017

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. I. Appel te Amsterdam-Duivendrecht,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

zetelend te 's-Gravenhage,

gedaagde,

advocaat mr. M.F.H. Hirsch Ballin te Den Haag.

Partijen zullen hierna [eiser] en de Staat genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding d.d. 6 juni 2017 met producties,

  • -

    de aanvullende producties 4 en 5 van [eiser] , toegezonden bij brief van 13 juni 2017

  • -

    de producties van de Staat, toegezonden bij brief van 12 juni 2017,

  • -

    de mondelinge behandeling ter openbare zitting van 14 juni 2017,

  • -

    de pleitnota van [eiser] ,

  • -

    de pleitnota van de Staat.

1.2.

Ten slotte is, mede in verband met de spoedeisendheid, op 22 juni 2017 verkort vonnis gewezen. Het onderhavige vonnis is een uitwerking daarvan.

2 De feiten

2.1.

[eiser] is bij arrest van 23 december 2013 van het gerechtshof Den Haag veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht jaren, met aftrek van voorarrest, voor het medeplegen van poging tot moord, meermalen gepleegd.

2.2.

Bij vonnis van de meervoudige kamer voor strafzaken van de rechtbank Rotterdam van 30 september 2015 met parketnummer 10-681116-15 is [eiser] veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes maanden, met aftrek van voorarrest, voor een tweetal mishandelingen en een bedreiging van [persoon 1] (verder: [persoon 1] ) in 2015. Voorts heeft de rechtbank op de vordering van het Openbaar Ministerie ex artikel 15d Sr tot achterwege blijven van de voorwaardelijke invrijheidstelling, die was gebaseerd op voormeld arrest van 23 december 2013, beslist dat de datum van voorwaardelijke invrijheidstelling met de periode van acht maanden dient te worden uitgesteld op grond van de bij het vonnis bewezen feiten. Daarbij heeft de rechtbank geadviseerd aan de voorwaardelijke invrijheidstelling tenminste de volgende bijzondere voorwaarden te verbinden:

  • -

    de veroordeelde zal op geen enkele wijze contact (laten) opnemen, zoeken of hebben met [persoon 1] , gedurende de proeftijd, of zoveel korter als de reclassering verantwoord vindt;

  • -

    de veroordeelde zal zich niet bevinden in de nabije omgeving van het woon- en werkadres van [persoon 1] , gedurende de proeftijd, of zoveel korter als de reclassering verantwoord vindt.

2.3.

Bij het Besluit voorwaardelijke invrijheidstelling van 28 februari 2017 (verder: het V.I.-besluit) heeft het openbaar ministerie aan de voorwaardelijke invrijheidstelling van [eiser] onder meer als bijzondere voorwaarden verbonden dat [eiser] :

- gedurende de proeftijd, of zoveel korter als de reclassering verantwoord vindt, op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met onder meer [persoon 1] ;

- zich gedurende de proeftijd niet zal bevinden in de gemeente Dordrecht (Zuid-Holland) alsmede in de nabije woon- en werkomgeving van [persoon 1] , zoals bij rechterlijk vonnis van de rechtbank Rotterdam parketnummer 10-681116-15 is geadviseerd (verder: het locatieverbod).

De naleving van het locatieverbod wordt ondersteund door middel van elektronisch toezicht.

2.4.

Het V.I.-besluit is op 23 maart 2017 aan [eiser] in persoon betekend.

2.5.

In het V.I.-besluit is vermeld dat de ingang van de voorwaardelijke invrijheidstelling “thans”: is berekend op 26 april 2017.

2.6.

Het V.I.-besluit is onder meer gebaseerd op het advies van de reclassering d.d. 17-01-2017. Dit advies – voor zover hier van belang – vermeldt:

“[…] 3. Diagnose

Overzicht criminogene factoren/leefgebieden uit RISc

Huisvesting en wonen

Criminogene factoren: aanwezig

[…]

[eiser] heeft in het gesprek op 09-12-2016 aangegeven dat hij zijn V.I. periode wil gaan doorbrengen op het [adres] , waar een goede kennis/vriendin woont.

Uit een deeladvies EC van 16-01-2017, […], is naar voren gekomen dat dit adres ongeschikt is voor een langdurig verblijf. De reden hiervoor is dat dit adres op relatief korte afstand ligt van het woonadres van het slachtoffer en hierdoor zal tijdens de resocialisatie de kans op ongewenst contact toenemen. […].

Tevens blijkt uit een eerder uitgebrachte rapportage (PP-advies van 10-11-2016) dat er sprake is van een negatief sociaal netwerk in dit gebied wat uitermate zorgelijk genoemd is. In dat licht is een verblijfsadres op afstand gewenst.

[…]

5. Integrale conclusie

[…]

Inschatting recidiverisico

Hoog

[eiser] werd diverse malen veroordeeld wegens ernstige geweldsdelicten en hij recidiveerde tijdens detentie opnieuw met een ernstig geweldsdelict, waardoor zijn V.I. met acht maanden werd opgeschort.

Er zijn problemen op diverse leefgebieden en gelet hierop is er sprake van een hoog recidive- en gevaarrisico.

Risico op onttrekken aan de voorwaarden

Gemiddeld.

[…]”

2.7.

Nadat het V.I.-besluit is genomen is een eerder aan [eiser] opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden, waarvan de tenuitvoerlegging is bevolen, tenuitvoergelegd.

2.8.

Op 25 januari 2017 is een V.I. -advies van de penitentiaire inrichting uitgebracht; daarin is als vermoedelijke einddatum detentie 23 juni 2017 vermeld.

Sinds 20 maart 2017 verblijft [eiser] onder elektronisch toezicht buiten de penitentiaire inrichting.

2.9.

Bij wijzigingsbesluit voorwaardelijke invrijheidstelling van 6 april 2017 (verder: het wijzigingsbesluit V.I.) heeft het openbaar ministerie aan het locatieverbod toegevoegd dat [eiser] zich gedurende de proeftijd niet mag bevinden in de gemeente Papendrecht. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

2.10.

Het openbaar ministerie heeft het verzoek van de raadsman van [eiser] d.d. 13 april 2017 tot heroverweging van het wijzigingsbesluit V.I. gelet op het persoonlijk belang van [eiser] om in Papendrecht te mogen komen en het locatieverbod in zoverre te verwijderen niet gehonoreerd. Ter toelichting heeft het openbaar ministerie op 18 april 2017 medegedeeld dat Papendrecht in het locatieverbod is opgenomen omdat het werkadres van [persoon 1] zich in Papendrecht bevindt.

2.11

De huidige vriendin van [eiser] woont in Papendrecht, evenals de ernstig zieke vader van zijn zwager. Ook een goede vriend woont daar en zijn sportschool is daar gevestigd

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert – samengevat – :

  1. te bepalen dat het wijzigingsbesluit V.I. d.d. 6 april 2017 opgeheven c.q. vernietigd c.q. geschorst dient te worden, aangezien het besluit onrechtmatig en onzorgvuldig is, onvoldoende gemotiveerd, er een onjuiste belangenafweging heeft plaatsgevonden en er sprake is van misbruik van onbevoegdheid;

  2. de Staat op te dragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak van de rechtbank;

  3. Zo nodig te bepalen dat de uitspraak van de rechtbank in de plaats treedt voor het vernietigde besluit.

  4. de Staat te veroordelen in de kosten van deze procedure.

3.2.

De Staat voert verweer en concludeert tot afwijzing.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

[eiser] baseert zijn vordering op onrechtmatig handelen van de Staat.

Binnen het strafrechtelijk kader staan [eiser] geen rechtsmiddelen ter beschikking. Daarmee is in zoverre de bevoegdheid van de civiele rechter - in dit geval de voorzieningenrechter in kort geding - gegeven. Hetzelfde geldt voor het - niet tussen partijen ter discussie staande - spoedeisend belang bij de gevorderde voorzieningen.

4.2.

Het openbaar ministerie heeft een grote mate van beleidsvrijheid bij de beslissing om bijzondere voorwaarden aan een voorwaardelijke invrijheidstelling (hierna ook: V.I.) te verbinden en bij de keuze van die bijzondere voorwaarden. Deze vrijheid vindt haar grens daar waar geoordeeld moet worden dat het openbaar ministerie in redelijkheid niet tot het gevoerde beleid heeft kunnen komen. Bij de beoordeling van de redelijkheid van de aan [eiser] opgelegde bijzondere voorwaarden dienen de voor oplegging aangevoerde gronden en de gevolgen van de voorwaarden voor [eiser] in aanmerking te worden genomen, een en ander bezien in het licht van de V.I.-regeling. Hoofddoelstelling van de V.I.-regeling is het voorkomen van recidive. Hierbij is enerzijds van belang dat het plegen van strafbare feiten wordt ontmoedigd, maar ook dat resocialisatie, de terugkeer van de veroordeelde in de samenleving, wordt bevorderd. Het openbaar ministerie heeft de verantwoordelijkheid om de V.I. zo in te richten dat deze belangen kunnen worden gerealiseerd.

4.3.

Dat, gelet op de geweldsdelicten waarvoor [eiser] was veroordeeld, in het kader van de oplegging van bijzondere voorwaarden in redelijkheid een locatieverbod kon worden opgelegd ter vermijding van toekomstig contact tussen [eiser] en zijn slachtoffer [persoon 1] staat niet ter discussie. [eiser] baseert de gestelde onrechtmatigheid van het wijzigingsbesluit met name op de stelling dat het locatieverbod daarbij is gewijzigd zonder dat daarvoor voldoende reden bestond. De voorzieningenrechter volgt [eiser] niet in die stelling, omdat – zoals de Staat terecht heeft aangevoerd – het locatieverbod in het oorspronkelijke, aan [eiser] reeds in maart betekende, V.I.-besluit inhoudt dat [eiser] zich niet in de nabije werkomgeving van [persoon 1] mag begeven. Niet ter discussie staat dat het werkadres van [persoon 1] zich –inmiddels- in Papendrecht bevindt. Het wijzigingsbesluit bevat daarom geen wijziging van het locatieverbod maar slechts een uitwerking en precisering daarvan. Met het oog op de nakoming en handhaving van het locatieverbod bestond ook voldoende reden voor die uitwerking en precisering.

4.4.

Op grond van het vorenstaande kan [eiser] evenmin worden gevolgd in zijn stelling dat de reclassering vooraf over de wijziging had moeten adviseren. Ook als dat ten onrechte zou zijn nagelaten zou dat [eiser] overigens naar voorshands oordeel niet hebben kunnen baten. Uit de door [eiser] zelf overgelegde e-mail van 12 juni 2017 van de reclassering blijkt immers, dat de reclassering weliswaar pas achteraf door het CVVI op de hoogte is gesteld, maar de reclassering omschrijft daarin de argumenten voor de (in de woorden van de reclassering) toevoeging van Papendrecht aan het locatieverbod als “gegrond”.

4.5.

[eiser] stelt tevens dat het locatieverbod voor de gemeente Papendrecht verder strekt dan de nabije omgeving van het werkadres van [persoon 1] en dat kan worden volstaan met een beperkter verbod, zodat [eiser] wel in delen van Papendrecht kan komen. Voorts stelt hij dat hij belang heeft bij een beperkter verbod, omdat een groot deel van zijn sociale leven zich in Papendrecht afspeelt en dat er geen juiste belangenafweging heeft plaatsgevonden.

4.6.

De Staat heeft onbestreden aangevoerd dat bij een locatieverbod met elektronisch toezicht een straal van vijf kilometer rond een adres pleegt te worden aangehouden in verband met de aanrijtijd van de politie en dat de gemeente Papendrecht een oppervlakte beslaat van 10,77 km². In beginsel kon het openbaar ministerie op grond daarvan in redelijkheid besluiten dat de gehele gemeente Papendrecht onder het locatieverbod viel. Er mag immers in redelijkheid rekening gehouden worden met de praktische handhaafbaarheid van een dergelijk verbod.

4.7.

Aannemelijk is dat de ex-vriendin, bij wie [eiser] thans tijdelijk woont, niet toestaat dat [eiser] zijn huidige vriendin, die in Papendrecht woont en met wie hij sinds december 2016 een relatie heeft, in de woning van zijn ex-vriendin ontmoet. Niet in te zien valt echter waarom dat meebrengt dat [eiser] onevenredig in zijn belangen geschaad wordt, nu onvoldoende aannemelijk is dat hij zijn huidige vriendin niet buiten Papendrecht kan ontmoeten. De enkele omstandigheid dat dat meer tijd en moeite kost en/of dat zijn vriendin en hij dat onprettig vinden legt onvoldoende gewicht in de schaal, afgezet tegen het belang dat gediend wordt met het locatieverbod. Hetzelfde geldt voor de door [eiser] genoemde andere relaties in Papendrecht. Voorts valt niet in te zien dat [eiser] niet naar een sportschool buiten Papendrecht zal kunnen gaan of waarom dat niet van hem gevergd kan worden.

Bij dit alles komt dat, zoals de Staat heeft aangevoerd, de reclassering het recidiverisico als hoog heeft ingeschat en in haar advies melding maakt van een negatief sociaal netwerk in Papendrecht.

4.8.

Op grond van het vorenstaande brengt een afweging van het belang bij het voorkomen van recidive en het belang van [eiser] bij ongewijzigde voortzetting van zijn sociale leven naar het oordeel van de voorzieningenrechter mee, dat eerstgenoemd belang zwaarder weegt, zodat het openbaar ministerie in redelijkheid tot een locatieverbod voor de gehele gemeente Papendrecht kon besluiten. Van een onjuiste belangenafweging bij of disproportionaliteit van het wijzigingsbesluit is naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen sprake.

Wel zou, in voorkomend geval, het beletten van een bezoek aan de vader van de zwager van [eiser] die, naar [eiser] stelt, ongeneeslijk ziek is en in het terminale stadium verkeert en met wie [eiser] een hechte band heeft onredelijk kunnen zijn. [eiser] heeft echter ter zitting verklaard dat hij in eerdere incidentele gevallen een tijdelijke ontheffing van het thans geldende locatieverbod heeft gevraagd en gekregen. Aannemelijk is daarom dat [eiser] voor een bezoek aan laatstbedoelde persoon (en/of zijn begrafenis), zo nodig een tijdelijke ontheffing van het locatieverbod zal kunnen verkrijgen.

4.9.

Aannemelijk is voorts, dat de V.I. (in formele zin) pas op 23 juni 2017 ingaat, zodat de nadere voorwaarde [eiser] tijdig daarvoor bekend is gemaakt. Immers, de aanvankelijk op 26 april 2017 berekende datum van de V.I. is door de –vaststaande, tussenkomende - tenuitvoerlegging van twee maanden gevangenisstraf (zie 2.7) met twee maanden opgeschort. Voorts blijkt uit het door de raadsman van [eiser] op 13 april 2017 aan het openbaar ministerie gedane verzoek dat [eiser] toen al bekend was met het wijzigingsbesluit. Op grond hiervan kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter het openbaar ministerie geen onzorgvuldigheid bij de tijdige formulering van het aan de V.I. verbonden locatieverbod en/of de tijdige bekendmaking daarvan aan [eiser] worden verweten.

4.10.

Evenmin is aannemelijk dat sprake is van schending van het vertrouwensbeginsel omdat, zoals [eiser] stelt, hij sinds 20 maart 2017 buiten de penitentiaire inrichting verblijft en regelmatig in Papendrecht is geweest en het voor hem pas met ingang van 23 juni 2017 uitdrukkelijk verboden is zich in die gemeente te begeven. Immers, op grond van hetgeen hiervoor over de ingangsdatum van de V.I. is overwogen, is aannemelijk dat, zoals de Staat aanvoert, het verblijf van [eiser] buiten de penitentiaire inrichting tot 23 juni 2017 in het kader van een penitentiair programma plaatsvindt. Met het oog op de resocialisatie van [eiser] valt het aan te bevelen dat de aan een penitentiair programma en de V.I. verbonden voorwaarden met elkaar overeenstemmen, maar dat betekent niet dat [eiser] er redelijkerwijs op mag vertrouwen dat dat in alle opzichten zo zal zijn. [eiser] heeft ook geen bijkomende feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit zou kunnen volgen dat hij daar wel redelijkerwijs op mocht vertrouwen, nog daargelaten dat een dergelijk vertrouwen niet zonder meer meebrengt dat het openbaar ministerie zijn beleidsvrijheid te buiten is gegaan, gelet op hetgeen hiervoor werd overwogen onder 4.2-4.8.

4.11.

[eiser] heeft geen feiten of omstandigheden gesteld waaruit volgt dat de voormelde precisering van het locatieverbod geen ander doel had dan om hem te schaden of dat de bevoegdheid daartoe is gebruikt voor een ander doel dan het voorkomen van recidive. Voorts is, zoals hiervoor is overwogen, de door [eiser] gestelde onevenredigheid van het locatieverbod voor de gemeente Papendrecht niet aannemelijk, zodat zijn beroep van misbruik van bevoegdheid naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen steek houdt.

4.12.

Samengevat is hetgeen door [eiser] is aangevoerd is, mede gelet op het doel van die voorwaarden en hetgeen aannemelijk is geworden omtrent het recidivegevaar, onvoldoende voor de conclusie dat het openbaar ministerie zijn voormelde beleidsvrijheid te buiten is gegaan.

4.13.

Het vorenstaande leidt tot afwijzing van de vorderingen.

4.14.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de Staat worden begroot op nihil aan verschotten en € 816,00 aan salaris van de advocaat. De proceskostenveroordeling zal op de voet van artikel 258 Rv uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

wijst de vorderingen af;

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van de Staat tot op heden begroot op € 816,00;

verklaart dit vonnis ten aanzien van de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten en in het openbaar uitgesproken en in verkorte vorm verstrekt op 22 juni 2017.Het volledig uitgewerkte vonnis is verstrekt op 21 juli 2017.

2515/106