Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:6210

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
22-06-2017
Datum publicatie
14-08-2017
Zaaknummer
10/996523-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling tot een taakstraf voor de duur van 200 uur wegens het medeplegen van het voorhanden hebben van 5.990.160 onveraccijnsde sigaretten en het medeplegen van valsheid in geschrifte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/996523-13

Datum uitspraak: 22 juni 2017

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

raadsman mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 8 juni 2017.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. A. Lodder heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1 en 2 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek van voorarrest.

4 Ontvankelijkheid officier van justitie

Aangevoerd is dat de officier van justitie niet-ontvankelijk is in de vervolging van de verdachte, omdat sprake is van een dubbele vervolging. Aan de verdachte is al een naheffingsaanslag accijns met rente opgelegd, gebaseerd op het feitencomplex uit het strafrechtelijk onderzoek waarvoor de verdachte thans wordt vervolgd. Strafvervolging leidt er dan toe dat de verdachte twee maal wordt vervolgd voor hetzelfde feit.

De rechtbank overweegt dat de aan de verdachte opgelegde naheffingsaanslag accijns met (heffings)rente uitsluitend dient om de te weinig geheven belasting (accijns) in de heffing te betrekken. Deze naheffingsaanslag heeft geen boetekarakter en valt niet aan te merken als een ‘criminal charge’ zodat er geen sprake is van een dubbele vervolging van de verdachte. Het verweer wordt verworpen en de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

5 Waardering van het bewijs

5.1.

Bewijswaardering

5.1.1.

Standpunt verdediging

Ten aanzien van feit 1:

Aangevoerd is dat er geen sprake is van medeplegen van het opzettelijk voorhanden hebben van onveraccijnsde sigaretten, zodat de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken. De verdachte nam niet het initiatief voor het transport van de container met meloenen en sigaretten, had geen betrokkenheid bij of wetenschap van de organisatie rond de uitvoer, invoer en bestemming van de sigaretten en fungeerde slechts als katvanger voor de werkelijke organisatoren.

5.1.2.

Beoordeling

De rechtbank stelt vast dat op 10 juli 2013 in de haven van Rotterdam een zeeschip met daarin een container met nummer [containernummer] uit Griekenland is binnengevaren. In deze container bevonden zich onder meer 5.990.160 onveraccijnsde sigaretten. De container was blijkens de Bill of Lading bestemd voor de verdachte. Vast staat ook dat de verdachte de originele Bill of Lading, waarop geen sigaretten stonden vermeld maar uitsluitend de (dek)lading meloenen, op 11 juli 2013 inleverde bij rederij [naam rederij] om de container in ontvangst te kunnen nemen. De container werd op 16 juli 2013 vervoerd naar een loods in Brielle gelegen aan [adres delict] . In die loods werd de container met onveraccijnsde sigaretten gelost en werd de lading van de deklading gescheiden. Op dat moment is de verdachte samen met medeverdachten aangehouden en zijn de onveraccijnsde sigaretten in beslag genomen.

De verdachte heeft onder meer verklaard dat hij al voor aankomst van de container uit Griekenland wetenschap had van de onveraccijnsde sigaretten in die container. De verdachte heeft de originele Bill of Lading gekregen van medeverdachte [naam medeverdachte 1] en vervolgens ingeleverd bij [naam rederij] en de rekening van de rederij betaald met geld dat hij van medeverdachte [naam medeverdachte 1] had ontvangen. De verdachte heeft verder verklaard dat de container in eerste instantie bij zijn loods zou worden afgeleverd. Enkele dagen voor de vrijgave van de container heeft de verdachte zich bedacht omdat zijn loods door onbekenden in de gaten zou worden gehouden en heeft hij medeverdachte [naam medeverdachte 2] benaderd, waarop is afgesproken dat de container in diens loods gelost zou worden.

Gelet op het bovenstaande komt de rechtbank tot het oordeel dat de verdachte een actieve en coördinerende rol heeft gehad. Hij heeft een lading gesmokkelde onveraccijnsde accijnsgoederen, na afgifte van de daarvoor vereiste (valse) documenten, in ontvangst genomen en gelost in een door hem geregelde loods, om de goederen gereed te houden voor verder transport naar de eindbestemming in het Verenigd Koninkrijk. Deze bijdrage van de verdachte is in de onderhavige smokkeloperatie een onmisbare schakel en dus van groot gewicht geweest. De verdachte is daarom aan te merken als medepleger.

5.1.3.

Conclusie

Het verweer wordt verworpen.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij op 16 juli 2013, te Brielle, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk accijnsgoederen, te weten 5.990.160 stuks, sigaretten, zijnde accijnsgoederen als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de accijns,

voorhanden heeft gehad, zonder dat die accijnsgoederen overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de accijns in de heffing betrokken waren.

2.

hij op 11 juli 2013 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander,

opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een valse Bill of Lading waarop vermeld was het vervoer in container [containernummer] van 1.050 cartons water melons (gewicht 19.000 kgs/net weight 17.100 kgs) (Bill of Lading No. [nummer 1] , Booking No. [nummer 2] ) (bijlage D/014, D/002), zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, als ware dat geschrift echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken hierin dat verdachte dat genoemde geschrift heeft overgelegd aan [naam rederij] voor de beoordeling van het in ontvangst nemen van en/of het vervoeren van de in die Bill of Lading genoemde goederen en/of voor de beoordeling van het afleveren van de in die Bill of Lading genoemde goederen en bestaande die valsheid hierin dat valselijk in strijd met de waarheid -zakelijk weergegeven- op die Bill of Lading was vermeld en/of opgenomen dat zich in de container [containernummer] (alleen) 1.050 cartons water melons bevonden, terwijl in werkelijkheid in die container (tevens) 5.990.160 stuks sigaretten bevonden en opzettelijk bovenbedoeld/genoemd vals geschrift voorhanden heeft gehad en heeft afgeleverd bij [naam rederij] , terwijl hij, verdachte, en verdachtes, mededader wisten dat dit geschrift bestemd was voor gebruik als ware het echt en onvervalst.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

6 Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

Feit 1.

het medeplegen van opzettelijke overtreding van een in artikel 5 van de Wet op de accijns opgenomen verbod.

Feit 2.

het medeplegen van opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst

en het opzettelijk voorhanden hebben en afleveren van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht, terwijl hij weet dat dit geschrift bestemd is voor gebruik als ware het echt en onvervalst.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

7 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

8 Motivering straf

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan, de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft samen met zijn mededaders een grote hoeveelheid van bijna 6.000.000 onveraccijnsde sigaretten voorhanden gehad. De smokkel van sigaretten verstoort de reguliere markt voor sigaretten in de Europese Unie. Op deze wijze wordt aan bonafide bedrijven, die wel aan de accijnsrechtelijke verplichtingen voldoen, oneerlijke concurrentie aangedaan. Ook wordt het in Europese landen gevoerde beleid om door hoge prijzen het gebruik van sigaretten te ontmoedigen om de schadelijke gevolgen daarvan voor de volksgezondheid te beperken op deze wijze gefrustreerd.

De verdachte heeft zich voorts schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift. Hij heeft samen met een ander een valse Bill of Lading opzettelijk voorhanden gehad en afgeleverd bij [naam rederij] en gebruikt om een container met onveraccijnsde smokkelwaar in te klaren. De verdachte heeft door zijn handelen het vertrouwen dat de maatschappij moet kunnen hebben in de juistheid van een dergelijk document ernstig geschaad. De maatschappij heeft er evident belang bij om te kunnen vertrouwen in de echtheid van een dergelijk geschrift.

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 9 april 2017.

De rechtbank heeft voorts acht geslagen op de omstandigheid dat in deze zaak de redelijke termijn in de zin van artikel 6, eerste lid, van het EVRM is geschonden. Immers, tussen de datum van inverzekeringstelling van de verdachte op 16 juli 2013 - zijnde het moment dat verdachte bekend werd met het feit dat tegen hem een strafrechtrechtelijk onderzoek liep - en de datum van het eindvonnis van heden zit drie jaar en elf maanden, terwijl er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake is van bijzondere omstandigheden die dit tijdverloop rechtvaardigen.

Anders dan de raadsman betoogt, ziet de rechtbank geen aanleiding om rekening te houden met de vernietiging van de inbeslaggenomen sigaretten en de oplegging van een naheffingsaanslag ter zake van de verschuldigde accijnsbelasting bij de strafoplegging. De naheffingsaanslag is bovendien nog niet onherroepelijk zodat de belastingrechter nog rekening kan houden met deze vernietiging.

De rechtbank is van oordeel dat er aanleiding bestaat bij de straftoemeting af te wijken van de strafeis van de officier van justitie. De rechtbank acht de oplegging van een gevangenisstraf niet geïndiceerd maar acht in plaats daarvan, gelet op straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd, de ernst van de feiten en alles afwegend, de oplegging van een onvoorwaardelijke taakstraf van na te noemen duur passend en geboden als sanctie op de bewezenverklaarde strafbare feiten.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 22c, 22d, 47, 57 en 225 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5 en 97 van de Wet op de accijns.

10 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11 Beslissing

De rechtbank:

verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging;

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van tweehonderd (200) uren, waarbij de Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering wordt gebracht volgens de maatstaf van twee uren per dag, zodat na deze aftrek honderdzesenzestig (166) uren te verrichten taakstraf resteert;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 83 dagen.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M.C. Franken, voorzitter,

en mrs. J. Snitker en S. Riege, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. R. van Puffelen, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij

op of omstreeks 16 juli 2013,

in elk geval op een of meer tijdstip(pen)

in of omstreeks de periode van 11 juli 2013 tot en met 16 juli 2013,

te Rotterdam en/of Brielle, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

opzettelijk (een) accijnsgoed(eren),

te weten 5.990.160 stuks, in elk geval een hoeveelheid, sigaretten

zijnde (een) sigaret(ten) (een) accijnsgoed(eren) als bedoeld in artikel

1 van de Wet op de accijns,

voorhanden heeft gehad,

zonder dat dat/die accijnsgoed(eren) overeenkomstig de bepalingen van

de Wet op de accijns in de heffing betrokken was/waren;

zijnde de terminologie in deze tenlastelegging gebezigd in de zin van de

Wet op de accijns

art 5 lid 1 onder b Wet op de accijns

art 97 Wet op de accijns

2.

hij

op of omstreeks 11 juli 2013,

in elk geval op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van

10 juli 2013 tot en met 16 juli 2013,

te Rotterdam en/of elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

meermalen, althans eenmaal,

(telkens) opzettelijk

gebruik heeft gemaakt van en/of ((een) medewerk(st)er(s) van) [naam rederij]

gebruik heeft doen maken van

een valse en/of vervalste Bill of Lading

waarop/waarin vermeld het vervoer in container [containernummer] van 1.050 cartons

water melons (gewicht 19.000 kgs / net weight 17.100 kgs)

(Bill of Lading No. [nummer 1] , Booking No. [nummer 2] )

(bijlage D/014, D/002),

zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen,

als ware dat geschrift (telkens) echt en onvervalst,

bestaande dat (doen) gebruikmaken (telkens) hierin dat

verdachte en/of zijn mededader(s) dat genoemde geschrift heeft/hebben

overgelegd en/of doen overleggen en/of doen toekomen aan

((een) medewerk(st)er(s) van) [naam rederij]

teneinde en/of voor de beoordeling van het in ontvangst nemen van en/of het

(doen) vervoer(en) van de in die Bill of Lading genoemde goederen en/of voor

de beoordeling van het uit- en/of afleveren en/of doen uit- en/of afleveren

van de in die Bill of Lading genoemde goederen

en

bestaande die valsheid of vervalsing (telkens) hierin dat

(telkens) valselijk in strijd met de waarheid

-zakelijk weergegeven-

in/op die Bill of Lading was vermeld en/of opgenomen dat zich

in de container [containernummer] (alleen) 1.050 cartons water melons bevonden,

terwijl in werkelijkheid in die container (tevens) 5.990.160 stuks, in elk

geval een hoeveelheid, sigaretten bevonden en/of in/met die container (tevens)

5.990.160 stuks, in elk geval een hoeveelheid, sigaretten werden vervoerd,

en/of

(telkens) opzettelijk bovenbedoeld/genoemd vals of vervalst geschrift

voorhanden heeft/hebben gehad en/of heeft/hebben afgeleverd en/of heeft/hebben

doen afleveren bij [naam rederij] ,

terwijl hij, verdachte, en/of zijn, verdachtes, mededader(s)

wist(en) en/of redelijkerwijs moest(en) vermoeden

dat dit geschrift bestemd was voor gebruik als ware het echt en onvervalst;

art 225 lid 2 Wetboek van Strafrecht