Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:6197

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
09-08-2017
Datum publicatie
14-08-2017
Zaaknummer
C/10/497870 / HA ZA 16-294
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vonnis in een ‘Waterfront- affaire’-zaak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team haven en handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/497870 / HA ZA 16-294

Vonnis van 9 augustus 2017

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

R.W.C. GROUP B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

niet langer in rechte vertegenwoordigd,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE ROTTERDAM,

zetelend te Rotterdam,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. G.J. Huith te 's-Gravenhage.

Partijen zullen hierna RWC Group en de Gemeente Rotterdam genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 9 februari 2016, met producties 1-3;

  • -

    de conclusie van antwoord in conventie tevens conclusie van eis in reconventie tevens bevattende (incidentele) provisionele vordering, met producties 1-55;

  • -

    de op de rol van 2 november 2016 verleende akte niet dienen ten aanzien van de conclusie van antwoord in het incident ex art. 223 Rv;

  • -

    de onttrekking op de rol van 16 november 2016 van de advocaat van RWC Group;

  • -

    het vonnis van 4 januari 2017 in het incident ex art. 223 Rv;

  • -

    de oproepingsbrieven van deze rechtbank van 26 april 2017 waarbij een comparitie van partijen is bevolen;

  • -

    de zittingsagenda van 30 mei 2017;

  • -

    de akte van de Gemeente Rotterdam, met producties 56-59;

  • -

    de productie 60 van de Gemeente Rotterdam;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 26 juni 2017;

  • -

    de brief van de advocaat van de Gemeente Rotterdam van 14 juli 2007 met betrekking tot het proces-verbaal.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De vaststaande feiten

2.1.

De Gemeente Rotterdam is eigenaar van de panden aan de Boompjeskade 10-14 te Rotterdam (hierna: de panden).

2.2.

RWC Group is een aannemingsbedrijf.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

RWC Group vordert dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis de Gemeente Rotterdam veroordeelt tot betaling aan RWC Group van
€ 1.049.341,51, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 januari 2016, met veroordeling van de Gemeente Rotterdam in de proceskosten.

3.2.

Hieraan legt RWC Group ten grondslag dat de Gemeente Rotterdam haar verbintenis tot betaling die voortvloeit uit de met RWC Group gesloten overeenkomsten van aanneming niet nakomt. Feitelijk stelt zij hiertoe - samengevat - het volgende:

  • -

    RWC Group heeft in de periode van december 2011 tot en met 5 maart 2015 in opdracht en voor rekening van de Gemeente Rotterdam werkzaamheden uitgevoerd en apparatuur geleverd in de panden in verband met de daarin benodigde klimaatbeheersing en brandveiligheid;

  • -

    In deze periode heeft RWC Group aan de Gemeente Rotterdam in verband met deze uitgevoerde werkzaamheden en geleverde apparatuur 106 facturen gestuurd, voor een bedrag van in totaal € 8.453.074,40;

  • -

    Aanvankelijk betaalde de Gemeente Rotterdam de facturen, maar vanaf 27 december 2014 is zij hiermee in gebreke gebleven; het gaat daarbij om zeven facturen over de periode van 15 december 2014 tot en met 5 maart 2015; het totaalbedrag van deze nog te betalen facturen is € 1.049.341,51;

  • -

    RWC Group heeft de Gemeente Rotterdam diverse malen tot betaling van dit bedrag gesommeerd, maar tevergeefs.

3.3.

De Gemeente Rotterdam betwist de door RWC Group gestelde feiten en concludeert tot afwijzing van het gevorderde, met veroordeling van RWC Group bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis in de proceskosten – de kosten van beslaglegging daaronder begrepen –, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag na de datum van het vonnis en in de nakosten.

3.4.

De Gemeente Rotterdam betwist - samengevat - dat zij opdracht heeft gegeven voor het verrichten van de werkzaamheden waarvan RWC Group betaling vordert en betwist dat deze werkzaamheden door RWC Group zijn verricht.

in reconventie

3.5.

De Gemeente Rotterdam vordert dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis RWC Group veroordeelt tot:

  • -

    i) betaling aan de Gemeente Rotterdam tegen kwijting van € 7.506.065,14 (incl. BTW), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de data van betaling van de onverschuldigd betaalde bedragen, althans vanaf de datum van de conclusie van antwoord (19 oktober 2016), tot de dag van de algehele voldoening;

  • -

    ii) betaling aan de Gemeente Rotterdam tegen kwijting van € 98.224,80 aan kosten ex artikel 6:96 lid 2 sub b BW, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van de conclusie van antwoord (19 oktober 2016) tot de dag van de algehele voldoening,

met veroordeling van RWC Group in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag na de datum van het vonnis en in de nakosten.

3.6.

Hieraan legt de Gemeente Rotterdam ten grondslag

primair dat RWC Group onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld en dat zij door dit handelen schade heeft geleden,

subsidiair dat de Gemeente Rotterdam RWC Group onverschuldigd heeft betaald,

en meer subsidiair dat RWC Group ongerechtvaardigd is verrijkt.

Feitelijk stelt zij hiertoe – samengevat –:

- RWC Group heeft in de periode 2012-2015 talloze valse facturen gestuurd aan de Gemeente Rotterdam voor een bedrag van in totaal € 8.825.407,65 (incl. BTW); deze facturen zijn vals, omdat

 veel van deze facturen betrekking hebben op werkzaamheden die de Gemeente Rotterdam niet (bevoegdelijk) aan RWC Group heeft opgedragen

 van het overgrote deel van deze facturen is gebleken dat er geen prestaties voor zijn geleverd

 deze facturen betrekking hebben op niet uitgevoerde werkzaamheden

 met deze facturen excessieve bedragen in rekening zijn gebracht

 hier sprake is van facturen waarmee veelvuldig werkzaamheden en leveringen dubbel zijn gefactureerd;

  • -

    Van bovengenoemd totale factuurbedrag van € 8.825.407,65 (incl. BTW) heeft de Gemeente Rotterdam in totaal € 7.776.065,14 (incl. BTW) aan RWC Group voldaan;

  • -

    Onderzoek heeft uitgewezen dat de door RWC Group daadwerkelijk verrichte werkzaamheden worden gewaardeerd op maximaal € 270.000,--; de Gemeente Rotterdam heeft derhalve als gevolg van het onrechtmatig handelen van RWC Group schade geleden ten bedrage van € 7.506.065,14 (incl. BTW); RWC Group is dan ook gehouden tot vergoeding van deze schade aan de Gemeente Rotterdam;

  • -

    Ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid heeft de Gemeente Rotterdam kosten moeten maken voor een bedrag van in totaal € 98.224,80; op grond van artikel 6:96 lid 2 aanhef en sub b BW is RWC Group voor deze kosten aansprakelijk.

4 De beoordeling

in conventie

4.1.

De zeven facturen waarvan RWC Group betaling vordert (prod. 1 RWC Group) dateren van de periode van 15 december 2014 tot en met 5 maart 2015. In deze facturen worden de diverse werkzaamheden genoemd die met deze facturen in rekening worden gebracht alsmede de bijbehorende bedragen.

4.2.

De Gemeente Rotterdam heeft in haar conclusie van antwoord uitgewerkt voor welke werkzaamheden zij opdracht heeft gegeven aan RWC Group alsmede dat de laatste opdracht dateert van 21 juli 2014. Voor toewijzing van haar vorderingen had RWC Group dan ook nader moeten onderbouwen dat zij wél opdracht had gekregen voor de onderhavige zeven facturen, die zien op werkzaamheden die zouden zijn uitgevoerd in de periode van december 2014 tot en met maart 2015. Dit heeft RWC Group echter nagelaten en daarmee is vast komen te staan dat de Gemeente Rotterdam geen opdracht heeft verleend voor de werkzaamheden waarvan RWC Group betaling vordert. Daar komt nog bij dat gesteld noch gebleken is dat RWC Group de uit de door haar gestelde overeenkomst voor haar voortvloeiende verbintenis tot het verrichten van aannemingswerkzaamheden wel is nagekomen. Nu vaststaat dat de Gemeente Rotterdam geen opdracht heeft verleend en vaststaat dat RWC Group geen werkzaamheden heeft verricht tegenover de door haar gevorderde betaling, is er geen grond voor de betaling door de Gemeente Rotterdam van de bedoelde zeven facturen. Het gevorderde zal dan ook worden afgewezen.

4.3.

Als de in het ongelijk gestelde partij zal RWC Group in de proceskosten worden veroordeeld. Deze kosten aan de zijde van de Gemeente Rotterdam worden tot aan deze uitspraak begroot op:

  • -

    griffierecht € 3.903,--

  • -

    salaris advocaat € 6.422,-- (2 punten in Liquidatietarief VIII)

  • -

    totaal € 10.325,--.

De door de Gemeente Rotterdam gevorderde wettelijke rente zal worden toegewezen op de wijze als in het dictum van dit vonnis is bepaald.

4.4.

De door de Gemeente Rotterdam gevorderde nakosten worden toegewezen op de wijze als in het dictum van dit vonnis is bepaald.

in reconventie

4.5.

Noch voorafgaande aan noch tijdens de comparitiezitting heeft RWC Group een conclusie van antwoord in reconventie genomen.

4.6.

De vorderingen van de Gemeente Rotterdam zijn niet weersproken. Aangezien zij de rechtbank ook niet onrechtmatig of ongegrond voorkomen, zullen deze vorderingen worden toegewezen.

4.7.

Als de in het ongelijk gestelde partij zal RWC Group in de proceskosten worden veroordeeld. Deze kosten aan de zijde van de Gemeente Rotterdam worden tot aan deze uitspraak begroot op:

  • -

    salaris advocaat € 3,211,-- (1 punt in Liquidatietarief VIII)

  • -

    totaal € 3.211,--.

De door de Gemeente Rotterdam gevorderde wettelijke rente zal worden toegewezen op de wijze als in het dictum van dit vonnis is bepaald.

4.8.

De door de Gemeente Rotterdam gevorderde nakosten worden toegewezen op de wijze als in het dictum van dit vonnis is bepaald.

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

wijst het gevorderde af;

5.2.

veroordeelt RWC Group in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de Gemeente Rotterdam vastgesteld op € 10.325,--, te vermeerderen met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW vanaf 15 dagen na de datum van dit vonnis tot de dag van de algehele voldoening;

5.3.

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in reconventie

5.4.

veroordeelt RWC Group tot betaling aan de Gemeente Rotterdam tegen behoorlijk kwijting van € 7.506.065,14 (zegge: zevenmiljoenvijfhonderdzesduizendvijfenzestig euro en veertien eurocent) (incl. BTW), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de data van betaling van de onverschuldigd betaalde bedragen tot de dag van de algehele voldoening;

5.5.

veroordeelt RWC Group tot betaling aan de Gemeente Rotterdam tegen behoorlijk bewijs van kwijting van € 98.224,80, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 oktober 2016 tot de dag van de algehele voldoening;

5.6.

veroordeelt RWC Group in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de Gemeente Rotterdam vastgesteld op € 3.211,--, te vermeerderen met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW vanaf 15 dagen na de datum van dit vonnis tot de dag van de algehele voldoening;

5.7.

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

5.8.

wijst het meer of anders gevorderde af,

zowel in conventie als in reconventie

5.9.

veroordeelt RWC Group, indien zij niet binnen genoemde termijn vrijwillig aan haar verplichting tot het betalen van de proceskosten in conventie en reconventie heeft voldaan, in de nakosten van € 205,00, te verhogen met een bedrag van € 68,00 aan kosten voor betekening onder de voorwaarde dat betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, ;

5.10.

verklaart ook deze nakostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.C. Santema, mr. A. Eerdhuijzen en mr C. Sikkel en in het openbaar uitgesproken op 9 augustus 2017.

901/32/2294/1573