Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:6190

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
10-08-2017
Datum publicatie
14-08-2017
Zaaknummer
10/661119-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor bezit van vuurwapen met munitie in auto en woning; beroep op psychische overmacht verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/661119-17

Datum uitspraak: 10 augustus 2017

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres
[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

laatstelijk verblijvende op het adres [adres] te [woonplaats] ,

doch thans uit anderen hoofde gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Rotterdam, locatie Hoogvliet,

raadsvrouw mr. A.B.M. Nohl, namens mr. I.A. Groenendijk, advocaat te ‘s-Gravenhage.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 27 juli 2017.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. C.J.A. de Bruijn heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1 en 2 tenlastegelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar en als bijzondere voorwaarden dat de verdachte zich zal gedragen naar de aanwijzingen van de reclassering en zijn medewerking zal verlenen aan begeleiding door Stichting Mozaïk of een soortgelijke instelling op het gebied van praktische zaken.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Bewijswaardering feit 1

4.1.1.

Inleiding

Op 19 april 2017 werd naar aanleiding van een snelheidsovertreding een gehuurde auto staande gehouden. De bestuurder daarvan identificeerde zich bij de politie aan de hand van een rijbewijs op naam van de verdachte, kort waarna de bestuurder is weggerend. In de auto werd door de politie onder de bestuurdersstoel een vuurwapen met munitie aangetroffen.

4.1.2.

Standpunt verdediging

De verdachte ontkent dat hij de bestuurder was van de auto waarin de politie het wapen heeft aangetroffen. Voorts ontkent hij dat het wapen van hem is en dat hij het in die auto heeft gelegd. Niet de verdachte, maar een onbekend gebleven persoon heeft de auto gehuurd en het rijbewijs van de verdachte gebruikt om zich te identificeren toen hij werd aangehouden door de politie.

Voor zover echter de verdachte al de bestuurder van deze auto zou zijn geweest, kan daaruit niet worden afgeleid dat hij daarmee ook zich bewust was van de aanwezigheid van en beschikkingsmacht had over het wapen. De verdachte dient derhalve van dit feit te worden vrijgesproken.

4.1.3.

Beoordeling

Het staat vast dat de bestuurder van de auto bij de staandehouding beschikte over het rijbewijs van de verdachte en dat hij zich daarmee heeft geïdentificeerd. De politie heeft vastgesteld dat de persoon afgebeeld op het rijbewijs dezelfde was als de bestuurder van de auto, namelijk de verdachte. Bovendien heeft de vriendin van de verdachte verklaard dat de verdachte haar verteld had dat hij was aangehouden omdat hij te hard had gereden, dat hij toen is weggerend en dat hij zijn rijbewijs aan de politie had gegeven.

Op grond van bovenvermelde feiten en omstandigheden concludeert de rechtbank dat de verdachte de bestuurder was van de auto ten tijde van de staandehouding.

Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of de verdachte ten tijde van voormelde staandehouding ermee bekend was dat onder de bestuurderstoel van de auto een vuurwapen lag. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend op grond van de volgende overwegingen. De verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij zich al een tijd bedreigd voelt en dat hij een vuurwapen (namelijk een Skorpion) heeft aangeschaft om zich zo nodig te kunnen verdedigen. Het ligt gelet op die verklaring voor de hand dat de verdachte zich ook onderweg in de auto (met die Skorpion dan wel een ander vuurwapen) had bewapend. Voorts is van belang dat de verdachte alleen in de auto zat, terwijl het vuurwapen onder de bestuurdersstoel werd aangetroffen en dat hij, nadat hij door de politie werd staande gehouden, is weggerend, zonder dat daartoe enige aanleiding bestond.

Uit bovenvermelde feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, kan geredelijk worden geconcludeerd dat de verdachte wetenschap moet hebben gehad van de aanwezigheid van, en beschikkingsmacht over het vuurwapen en de munitie in de auto.

De rechtbank komt dan ook tot een bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde.

4.2.

Bewezenverklaring feit 2 zonder nadere motivering

Het onder 2 tenlastegelegde is door de verdachte bekend. Dit feit zal zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.

4.3.

Conclusie

Bewezen zijn de feiten 1 en 2.

4.4.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring van feit 1 redengevende feiten en omstandigheden.

Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan.

In bijlage III heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring van feit 2 redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezenverklaarde heeft bekend en nadien geen vrijspraak is bepleit. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan.

De verdachte heeft de bewezen verklaarde feiten op die wijze begaan dat:

1.

hij op 19 april 2017 te Rotterdam

een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder 1° van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3° van die wet in de

vorm van een pistool van het merk Tanfoglio, model GT-28, kaliber 6,35mm,

en

munitie in de zin van artikel 1 onder 4° van de Wet wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in artikel 2 lid 2 van die wet, van de Categorie III te weten 6 kogelpatronen, kaliber 6,35mm, voorhanden heeft gehad.

2.

hij op 26 april 2017 te Rotterdam

tezamen en in vereniging met een andereen wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie II onder 2° van de Wet

wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3° van die wet, geschikt om automatisch te vuren, van het merk Zastava, type M84 Skorpion, kaliber

7,65mm

en

munitie in de zin van artikel 1 onder 4° van de Wet Wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in art. 2 lid 2 van die wet, van de Categorie III onder 1° te weten te weten 17 kogelpatronen, voorhanden heeft gehad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

1.

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot munitie van categorie III.

2.

Medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie II

en

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot munitie van categorie III.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

6.1.

Standpunt verdediging

De verdediging is van oordeel dat de verdacht ten aanzien van feit 2 een beroep op psychische overmacht toekomt en dat hij dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Daartoe is aangevoerd dat de verdachte al geruime tijd wordt bedreigd, omdat hij heeft gebroken met vroegere vrienden die zich bezig houden met criminele activiteiten en dat hij, verdachte, vorig jaar zelfs is beschoten. Uit angst voor zijn vroegere vrienden en om zichzelf, zijn vriendin en haar zoontje tegen hen te beschermen, zag de verdachte zich genoodzaakt een vuurwapen aan te schaffen.

6.2.

Beoordeling

Voor een geslaagd beroep op psychische overmacht dient sprake te zijn van een van buiten komende sterke drang waaraan verdachte redelijkerwijs geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden.

Hetgeen door de verdachte is aangevoerd, vindt geen nadere ondersteuning in het dossier en is ook niet op enige andere wijze aannemelijk geworden. Maar zelfs als het zo zou zijn dat de verdachte bedreigd wordt door personen uit zijn criminele verleden en vorig jaar door deze lieden op straat is beschoten, dan kan zulks niet tot het door de verdediging bepleite rechtsgevolg leiden. Immers, ook van personen die met de dood bedreigd worden – hoe geestelijk belastend en vreselijk een dergelijke situatie ook moge zijn – kan en mag verwacht worden dat zij weerstand bieden aan de drang om een illegaal vuurwapen te bezitten ter bescherming van zichzelf.

Het door de verdediging gedane beroep op psychische overmacht wordt verworpen.

6.3.

Conclusie

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feiten waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft twee illegale vuurwapens met bijbehorende munitie voorhanden gehad. Onder de stoel van de auto waarin hij reed lag een gebruiksklaar pistool en in de woning van zijn vriendin, waar ook de vijfjarige zoon van zijn vriendin woonde, bewaarde hij in de slaapkamer een Skorpion, een automatisch vuurwapen.

Vuurwapens leveren in de maatschappij een onaanvaardbaar risico op, omdat het bezit van een vuurwapen maar al te gemakkelijk leidt tot het gebruik ervan. Het afvuren van een vuurwapen heeft meestal ernstig lichamelijk letsel of de dood tot gevolg. Alleen al het tonen van een vuurwapen leidt tot grote angst van degenen die ermee geconfronteerd worden. Daarom zijn vuurwapens bij uitstek geschikt om overvallen en berovingen te plegen en worden zij in het criminele circuit ook regelmatig gebruikt voor het plegen van dat soort feiten. Het bezit van dergelijke wapens is dan ook onaanvaardbaar en dient zwaar bestraft te worden.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 22 juni 2017, waaruit blijkt dat de verdachte meermalen is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

7.3.2.

Rapportages

Reclassering Nederland heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 25 juni 2017. Dit rapport houdt het volgende in.

De verdachte heeft een belaste voorgeschiedenis. Hij is al op jonge leeftijd met justitie in aanraking gekomen en heeft deel uitgemaakt van een jeugdbende. Hij kent problemen op sociaal-maatschappelijk gebied, beschikt niet over een stabiele dagbesteding en heeft forse schulden. De verdachte is in het verleden begeleid door Stichting Humanitas, maar zijn inzet was onvoldoende en zij kan hem thans geen begeleiding meer bieden.
De verdachte heeft bij de reclassering aangegeven zijn leven nu een andere wending te willen geven. Gelet op zijn huidige houding, het feit dat er in 2010 voor het laatst een reclasseringstoezicht is opgelegd en vanwege het hoge recidiverisico is de reclassering van mening dat het opleggen van een reclasseringstoezicht is geïndiceerd.

Er wordt geadviseerd om een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met bijzondere voorwaarden, waaronder een meldplicht en medewerking aan begeleiding door stichting Mozaïk of een soortgelijke instelling op het gebied van praktische zaken. Mocht dit uit het intakegesprek voortkomen, dan zal de verdachte voorts zijn medewerking moeten verlenen aan een ambulante behandeling op het gebied van psychische problematiek, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd.

Nu de reclassering begeleiding en bijzondere voorwaarden noodzakelijk acht, de officier van justitie gevorderd heeft de geadviseerde bijzondere voorwaarden op te leggen en de verdachte op zitting heeft gezegd dat hij bereid is mee te werken met de reclassering, zal de rechtbank een deel van de voorgenomen straf voorwaardelijk opleggen, met de voorwaarden die hierna worden genoemd. Dit voorwaardelijk strafdeel dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

9 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

10 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden;

bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 6 (zes) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt gesteld op 2 jaar, na te melden voorwaarden overtreedt;

stelt als algemene voorwaarden:

  • -

    de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

  • -

    de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;

  • -

    de veroordeelde zal medewerking verlenen aan reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

stelt als bijzondere voorwaarden:

1. de veroordeelde zal zich melden bij Reclassering Nederland, zolang en frequent als die reclasseringsinstelling noodzakelijk vindt;

2. de veroordeelde wordt verplicht om zijn medewerking te verlenen aan begeleiding door Stichting Mozaïk of soortgelijke instelling voor begeleiding op het gebied van praktische zaken. Daarnaast dient hij zijn medewerking te verlenen aan een intakegesprek bij Stichting Mozaïk en mocht dit uit het intakegesprek voortkomen, dan dient hij zijn medewerking te verlenen aan een ambulante behandeling op het gebied van psychische problematiek, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

geeft aan genoemde reclasseringsinstelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.J. van den Berg, voorzitter,

en mrs. L. Amperse en L. Daum, rechters,

in tegenwoordigheid van M.J. Grootendorst, griffier,

en uitgesproken op 10 augustus 2017.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 19 april 2017

te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen,

(een) wapen(s) als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder 1° van de

Wet wapens en munitie,

te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3° van die wet in de

vorm van een pistool van het merk Tanfoglio, model GT-28, kaliber 6,35mm,

en/of

munitie in de zin van artikel 1 onder 4° van de Wet wapens en munitie,

te weten munitie als bedoeld in artikel 2 lid 2 van die wet, van de Categorie

III te weten 6 kogelpatronen, kaliber 6,35mm,

voorhanden heeft gehad;

(art 26 lid 1 Wet wapens en munitie)

2.

hij op of omstreeks 26 april 2017

te Rotterdam tezamen en in vereninging met (een) ander(en), althans alleen

een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie II onder 2° van de Wet

wapens en munitie,

te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3° van die wet, geschikt

om automatisch te vuren, van het merk Zastava, type M84 Skorpion, kaliber

7,65mm

en/of

munitie in de zin van artikel 1 onder 4° van de Wet Wapens en munitie,

te weten munitie als bedoeld in art. 2 lid 2 van die wet, van de Categorie III

onder 1° te weten te weten 17, althans een of meer kogelpatronen,

voorhanden heeft gehad;

(artikel 26 jo 55 Wet wapens en munitie)

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voor zover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd.