Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:6178

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
10-08-2017
Datum publicatie
11-08-2017
Zaaknummer
10/661109-17 en 10/038343-17 (ter terechtzitting gevoegd) parketnummer vordering TUL VV: 10/184873-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor twee winkeldiefstallen. Plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD) voor de duur van 2 jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummers: 10/661109-17 en 10/038343-17 (ter terechtzitting gevoegd)

Parketnummer vordering TUL VV: 10/184873-15

Datum uitspraak: 10 augustus 2017

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de gevoegde zaken tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de PI Rotterdam, locatie Hoogvliet,

raadsvrouw mr. L.A. Sjadijeva, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 27 juli 2017.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaardingen. De teksten van de tenlasteleggingen zijn als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. J. Westerhof heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder parketnummers 10/661109-17 en 10/038343-17 ten laste gelegde;

  • -

    oplegging aan de verdachte van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 jaren zonder aftrek van voorarrest;

  • -

    afwijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging onder parketnummer 10/184873-15.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Bewezenverklaring zonder nadere motivering

Het onder parketnummers 10/661109-17 en 10/038343-17 ten laste gelegde is door de verdachte bekend. Deze feiten zullen zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.

4.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en nadien geen vrijspraak is bepleit. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder parketnummers 10/661109-17 en 10/038343-17 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

inzake parketnummer 10/661109-17

hij op of omstreeks 18 april 2017 te Rotterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen twee, althans een, bakje(s) salade, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

inzake parketnummer 10/038343-17

hij op of omstreeks 23 februari 2017 te Rotterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een collectebus met enig geldbedrag, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

inzake parketnummer 10/661109-17

diefstal

inzake parketnummer 10/038343-17

diefstal.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering maatregel

De maatregel die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee winkeldiefstallen. De verdachte heeft bij het plegen van deze feiten niet stil gestaan bij de schade en andere vervelende gevolgen voor de eigenaren. Voorstelbaar is dat de bewezenverklaarde feiten naast materiële schade ook gevoelens van onrust en onveiligheid voor de direct betrokkenen hebben veroorzaakt.

De rechtbank stelt vast dat de verdachte een stelselmatige dader is in de zin van artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht en ook valt onder de definitie van zeer actieve veelpleger als opgenomen in artikel 2 onder b van de Richtlijn voor Strafvordering bij meerderjarige veelplegers van het Openbaar Ministerie (laatstelijk: Stcrt. 2013, 35061). Daartoe wordt het volgende overwogen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee misdrijven (diefstallen) waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. De verdachte is blijkens het op zijn naam gestelde 23 pagina’s tellende uittreksel uit de justitiële documentatie van 19 april 2017 in de vijf jaren voorafgaande aan de door hem begane feiten ten minste driemaal tot een vrijheidsbenemende straf veroordeeld en er zijn processen-verbaal betreffende ten minste tien misdrijffeiten tegen hem opgemaakt, waarvan meer dan één misdrijf in de laatste twaalf maanden. De hiervoor bedoelde vonnissen waarbij de verdachte is veroordeeld, zijn onherroepelijk. De onderhavige feiten zijn begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen.

Gelet op dit één en ander en in aanmerking genomen dat de aan de verdachte opgelegde straffen hem kennelijk niet hebben kunnen bewegen zijn criminele gedrag te beëindigen, kan de rechtbank niet anders concluderen dan dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan.

In het over de verdachte opgemaakte rapport van Bouman GGZ, afdeling reclassering, van 22 juni 2017 is onder meer het navolgende opgenomen:

Vanwege het feit dat de sociaal maatschappelijke situatie van betrokkene al langere tijd marginaal te noemen is (geen huis, geen inkomen, geen dagbesteding, geen beschermend netwerk, aanwijzingen voor middelenproblematiek), het betrokkene niet lukt dit zelfstandig te doorbreken en dit verband lijkt te houden met het delictgedrag, achten wij een langdurig hulpverleningstraject geïndiceerd, ten einde de kans op recidive te doen verminderen. Een verplicht gestelde opname brak hij na één dag af en betrokkene heeft meermaals duidelijk te kennen gegeven geen reclasseringsbemoeienis te willen. Wij moeten zodoende concluderen dat een voorwaardelijk kader niet toereikend is om betrokkene in zorg te krijgen en de kans op recidive te doen verminderen. Wij achten een stringenter kader geïndiceerd.

Indien betrokkene schuldig wordt bevonden en de ISD-maatregel wordt opgelegd, zal er allereerst ingezet moeten worden op het verminderen van de weerstand tegen de ISD-maatregel, daar hij zich hierover negatief uitte ten tijde van ons gesprek.

Binnen de eerste fase van het ISD-traject zal nader persoonlijkheids- en intelligentieonderzoek verricht moeten worden om een eenduidige diagnose te stellen en de (on)mogelijkheden van betrokkene in kaart te brengen. Uit het onderzoek zal naar voren moeten komen wat voor behandeltraject het meest passend is voor betrokkene met het oog op zijn middelenproblematiek, persoonlijkheidsstructuur en cognitieve vermogens en of er contra-indicaties bestaan voor het volgen van gedragstrainingen. Indien het onderzoek geen contra-indicaties uitwijst, kunnen de CoVa(+) -en de Leefstijltraining overwogen worden in de intramurale fase van de ISD-maatregel, maar ook in de extramurale fase (bij snelle doorstroom).

Het diagnostisch onderzoek en de observatie binnen de inrichting zal uit moeten wijzen in

hoeverre de middelenproblematiek vraagt om klinische behandeling. Ondanks dat we geen goed beeld hebben gekregen van het actuele middelengebruik voorafgaand aan zijn preventieve hechtenis, zijn er duidelijke aanwijzingen voor middelenproblematiek. Nagegaan zal moeten worden of een klinische opname ingezet kan worden om abstinentie te bereiken of dat betrokkene ingesteld wordt/blijft op een onderhoudsdosis methadon. De penitentiaire inrichting zal de indicatie hiervoor moeten aanvragen. In het vervolg- (nazorg)traject zal er aandacht moeten zijn voor het vinden van passende dagbesteding en huisvesting in de vorm van zelfstandig/beschermd/begeleid wonen (al dan niet met gedoogd gebruik).

Het recidiverisico wordt ingeschat als hoog. Gelet op de penibele sociaal maatschappelijke situatie van betrokkene en de aanwijzingen voor het bestaan van middelenproblematiek die eerder verband hield met het delictgedrag, achten wij de kans op herhaald delictgedrag groot.

Ingeschat wordt dat er een hoog risico op onttrekken aan voorwaarden is. Betrokkene heeft

meermaals te kennen gegeven niet mee te willen werken aan toezicht en heeft zijn opgelegde

behandeling voortijdig beëindigd.

Betrokkene heeft eerder delicten met een geweldscomponent gepleegd, waardoor wij een risico op letselschade bij anderen niet uit kunnen sluiten.

Geadviseerd wordt de ISD-maatregel op te leggen.

De rechtbank heeft voorts kennisgenomen van het advies van de psycholoog drs. [naam psycholoog] van 25 juli 2017 waarin wordt aangetekend dat op basis van het (beperkte) onderzoek dat heeft plaatsgevonden er geen contra-indicaties zijn voor het opleggen van de ISD-maatregel.

De verdediging heeft verzocht een straf op te leggen gelijk aan het voorarrest en daarnaast een ambulante begeleiding van de verdachte in het kader van een voorwaardelijk op te leggen gevangenisstraf. De verdachte is volgens hemzelf en zijn raadsvrouw bereid en gemotiveerd om hieraan mee te werken.

De rechtbank volgt de verdediging hierin niet. Uit het hiervoor aangehaalde reclasseringsrapport blijkt dat pogingen tot begeleiding en behandeling van de verdachte binnen het kader van een regulier toezicht tot op heden niets hebben opgeleverd, omdat de verdachte aanhoudend weigerachtig was om mee te werken. Met geen enkele zekerheid valt in te zien dat en waarom dat nu anders zou zijn. De enkele toezegging van de verdachte op zitting is daarvoor naar het oordeel van de rechtbank volstrekt onvoldoende. Het hoge recidiverisico en het weinig vruchtbare verloop van de eerdere interventies door de reclassering rechtvaardigen de verwachting dat dezelfde problemen zich zullen voordoen bij een ambulante behandeling in het kader van een voorwaardelijk op te leggen gevangenisstraf. De kans om daaraan mee te werken, is de verdachte, zo is de rechtbank van oordeel, bovendien al in voldoende mate geboden. De rechtbank onderschrijft dan ook de conclusies en het advies van het reclasseringsrapport van 22 juni 2017 - aan de hand waarvan zij zich voldoende voorgelicht acht - dat oplegging van de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD-maatregel) is aangewezen. Daarbij wordt meegewogen dat de maatregel er mede toe strekt de maatschappij te beveiligen en de door de recidive van de verdachte veroorzaakte overlast en schade per direct te beëindigen. De maatregel zal worden opgelegd voor de duur van twee jaren, zonder aftrek van de tijd die de door de verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht.

8 Vordering tenuitvoerlegging

Bij vonnis van 3 januari 2017 van de politierechter in deze rechtbank onder parketnummer 10/184873-15 is de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 1 week voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. De proeftijd is ingegaan op 18 januari 2017.

De hierboven bewezen verklaarde feiten zijn na het wijzen van dit vonnis en voor het einde van de proeftijd gepleegd. Door het plegen van de bewezen feiten heeft de verdachte de aan het vonnis verbonden algemene voorwaarde, dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen, niet nageleefd.

In beginsel kan daarom de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast. Nu de rechtbank aan de verdachte de ISD-maatregel oplegt, zal de vordering echter, zoals ook door de officier van justitie ter terechtzitting is gevorderd, worden afgewezen.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 38m, 38n, 57 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder parketnummers 10/661109-17 en 10/038343-17 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;


gelast dat de verdachte wordt geplaatst in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 (twee) jaren;

wijst af de gevorderde tenuitvoerlegging van de bij vonnis van 3 januari 2017 van de politierechter in deze rechtbank aan de veroordeelde opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. K.T. van Barneveld, voorzitter,

en mrs. V.F. Milders en G.P. van de Beek, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A.K. van Zanten, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

Bijlage I

Teksten tenlasteleggingen

In de zaak met parketnummer 10/661109-17

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 18 april 2017 te Rotterdam

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening

heeft weggenomen twee, althans een, bakje(s) salade, in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander

of anderen dan aan verdachte;

art 310 Wetboek van Strafrecht

In de zaak met parketnummer 10/038343-17

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 23 februari 2017 te Rotterdam

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening

heeft weggenomen een collectebus met enig geldbedrag,

in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer 2] ,

in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

art 310 Wetboek van Strafrecht