Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:6142

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
14-06-2017
Datum publicatie
10-08-2017
Zaaknummer
10/811063-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Voorhanden hebben van vuurwapens en munitie (categorie III), waardering van DNA-bewijs.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/811063-17

Datum uitspraak: 14 juni 2017

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] ( [geboorteland verdachte] ) op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] (Polen),

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de

PI Rotterdam, locatie Hoogvliet,

raadsman mr. H.L. Heemskerk, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 31 mei 2017.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. C. de Bruijn heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek van voorarrest.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Vrijspraak ten aanzien van feiten 2 en 3

4.1.1.

Standpunt officier van justitie

Aangevoerd is dat de verdachte de MDMA en versnijdingsmiddelen opzettelijk aanwezig respectievelijk voorhanden heeft gehad. De MDMA is aangetroffen in de slaapkamer van de verdachte. De verdachte heeft geen verklaring gegeven over de drugs en de versnijdingsmiddelen. Daarnaast heeft de verdachte tijdens een verhoor spontaan gevraagd of het aangetroffen middel MDMA betrof, dit terwijl dit nog niet aan hem was medegedeeld.

4.1.2.

Beoordeling

Uit het dossier komt het volgende naar voren. In het kader van een onderzoek naar een aantal brandstichtingen wordt er in een woning binnengetreden. Aldaar hield het arrestatieteam een zestal personen aan, waaronder de verdachte. De verdachte bevond zich op dat moment in zijn slaapkamer. De politieambtenaren troffen een tweetal wapens (met munitie) en een hoeveelheid wit poeder in de slaapkamer van de verdachte aan. In de gemeenschappelijke keuken werd het zwavelzuur inbeslaggenomen.

De vraag die beantwoordt dient te worden, is of de verdachte de middelen opzettelijk aanwezig dan wel voorhanden had. Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat dit niet het geval is geweest. Hierbij is allereerst van belang dat de woning regelmatig door meerdere personen werd bevolkt en gebruikt. Het witte poeder bevond zich buiten het zicht in een kast in een niet-afsluitbare slaapkamer. Die slaapkamer werd door de verdachte maar ook door zijn neef gebruikt. De fles zwavelzuur bevond zich in de gemeenschappelijke keuken van de woning, een woning die veelal door meerdere personen werd bevolkt. Het is dus beslist niet uit te sluiten dat een ander of anderen dan de verdachte betrokken zijn geweest bij deze goederen. Dat zou anders kunnen zijn indien biologische sporen of vingerafdrukken van de verdachte op de goederen zouden zijn aangetroffen. Dat is echter niet het geval.

Op grond van deze feiten en omstandigheden is onvoldoende komen vast te staan dat de verdachte de middelen als bedoeld in de feiten 2 en 3 opzettelijk aanwezig dan wel voorhanden heeft gehad.

4.1.3.

Conclusie

Het onder 2 en 3 ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

4.2.

Bewijswaardering en bewezenverklaring ten aanzien van feit 1

4.2.1.

Deskundigenrapportage Forensisch DNA-onderzoek

Uit de deskundigenrapportage forensisch DNA-onderzoek van 7 mei 2017 van het TMFI blijkt het volgende. Het DNA dat is aangetroffen op de vuurwapens is vergeleken met het afgenomen DNA van de verdachte. Op 16 loci zijn de DNA-kenmerken bepaald. Uit de bemonsteringen van de wapens zijn mengprofielen verkregen. De verdachte is niet uitgesloten als één van de mogelijke donoren van die mengprofielen. Hierop is de likelihood-ratio methode toegepast met twee hypotheses. Bij beide wapens luidt de conclusie dat de resultaten van het onderzoek zeer veel waarschijnlijker zijn wanneer het mengprofiel bestaat uit het DNA van de verdachte en twee/drie onbekende, niet verwante personen (hypothese 1) dan wanneer het mengprofiel bestaat uit drie/vier onbekende, niet verwante personen (hypothese 2).

4.2.2.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft zich allereerst op het standpunt gesteld, naar dat de rechtbank begrijpt, dat het aantreffen van DNA-kenmerken die aan de verdachte worden toegerekend mogelijk verklaard kan worden door de aanwezigheid van DNA van de (volle) neef van de verdachte in de bemonsteringen. De neef maakte immers ook gebruik van de slaapkamer.

Daarnaast is aangevoerd dat de hypotheses niet juist zijn opgesteld omdat de neef als verwante persoon niet is meegenomen in de hypothese.

Ook heeft de verdediging bepleit dat er mogelijk sprake is van overdracht van celmateriaal van andere spullen naar de wapens.

Tenslotte, heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de verdachte het wapen niet voorhanden heeft gehad, er waren immers meerdere personen woonachtig in de woning die dat gedaan zouden kunnen hebben.

4.2.3.

Beoordeling

Ten aanzien van het eerste verweer overweegt de rechtbank het volgende. Op basis van de deskundigenrapportage forensisch DNA-onderzoek van 7 mei 2017 stelt de rechtbank vast dat de verdachte één van de donoren is van de mengprofielen die op beide vuurwapens zijn aangetroffen. De kans dat de DNA-kenmerken die aan de verdachte worden toegeschreven eigenlijk het DNA-profiel van de neef van de verdachte betreft, is kleiner dan één op 100 miljoen.1 Gelet op voorgaande acht de rechtbank het door de verdediging geschetste scenario zeer onwaarschijnlijk.

Voorts ten aanzien van het verweer dat hypothese 1 onjuist is, in die zin dat uit wordt gegaan van andere niet verwante personen terwijl de neef een verwante persoon is, overweegt de rechtbank dat aanpassing van de hypothese slechts kan leiden tot de mogelijke conclusie dat naast het celmateriaal van de verdachte tevens het celmateriaal van de neef op het vuurwapen is aangetroffen.

Het verweer dat het DNA mogelijk via andere spullen op het vuurwapen terecht is gekomen, is niet genoegzaam onderbouwd. Daarom schuift de rechtbank dit verweer ongemotiveerd ter zijde.

Tenslotte, vindt het verweer van de verdediging dat de verdachte de vuurwapens en munitie niet voorhanden heeft gehad weerlegging in de bewijsmiddelen. Hoewel diverse mensen gebruik maakten van de woning en de ruimtes niet waren afgesloten, is er op beide vuurwapens DNA-materiaal van de verdachte aangetroffen. De beide vuurwapens en munitie lagen binnen handbereik - één vuurwapen lag in een nachtkastje en het andere vuurwapen lag in een ladekast aan het voeteneind van het bed - in de slaapkamer van de verdachte. De slaapkamer werd alleen gebruikt door de verdachte en diens neef. Dit laatste heeft de medeverdachte [naam medeverdachte] bevestigd. Gelet op die feiten en omstandigheden in samenhang bezien, luidt de conclusie dat de verdachte de vuurwapens en bijbehorende munitie voorhanden heeft gehad.

4.2.4.

Conclusie

De verweren worden verworpen en het onder 1 ten laste gelegde feit kan wettig en overtuigend worden bewezen.

4.3.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij op of omstreeks 11 maart 2017 te Schiedam, althans in Nederland,

een of meer wapen(s) als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder 1º van

de Wet wapens en munitie, te weten

- een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3º van die wet in de vorm van

een pistool van het merk/type Rock Island Factory M1911-A2, kaliber .45 ACP

en/of

- een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3º van die wet in de vorm van

een pistool van het merk/type Voltran 92 Dicle, kaliber 9 mm P.A. MAGNUM

en/of

munitie in de zin van 1 onder 4º van de Wet wapens en munitie, te weten

munitie als bedoeld in artikel 2 lid 2 van die wet, van de Categorie III, te

weten

- een of meer kogelpatro(o)n(en) van het merk/type Fiocchi, kaliber .45 ACP

en/of

- een of meer kogelpatro(o)n(en) van het merk/type Sellier & Bellot, kaliber 9

x 19 mm,

voorhanden heeft gehad;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet (ook) daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd,

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van twee vuurwapens (categorie III) en munitie. Een van deze vuurwapens is een omgebouwd gastpistool dat wel bestemd is om projectielen door een loop mee te verschieten, maar is daarvoor niet geschikt.

Het voorhanden hebben van vuurwapens levert een onaanvaardbaar risico op het gebruik daarvan op. Vuurwapens worden veelal gebruikt voor criminele activiteiten. Dat er slachtoffers vallen door het gebruik van vuurwapens, is een feit van algemene bekendheid. Er moet streng worden opgetreden tegen het voorhanden hebben van vuurwapens (en munitie) ter waarborging van de maatschappelijke veiligheid.

Oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf is zodoende op zijn plaats.

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 1 mei 2017, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. De rechtbank heeft voorts kennis genomen van de mededeling van de raadsman dat de verdachte, zodra hij voor deze strafzaak op vrije voeten zal komen, zal worden uitgeleverd aan Polen in verband met een nog te ondergane gevangenisstraf van ruim 3 jaar.

De rechtbank zal bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf acht slaan op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie

9 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

10 Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte (ook) daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) maanden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. F.W. van Lottum, voorzitter,

en mrs. E.G. Fels en L. Daum, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. B.A.M. Elst, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 14 juni 2017.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 11 maart 2017 te Schiedam, althans in Nederland,

een of meer wapen(s) als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder 1º van

de Wet wapens en munitie, te weten

- een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3º van die wet in de vorm van

een pistool van het merk/type Rock Island Factory M1911-A2, kaliber .45 ACP

en/of

- een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3º van die wet in de vorm van

een pistool van het merk/type Voltran 92 Dicle, kaliber 9 mm P.A. MAGNUM

en/of

munitie in de zin van 1 onder 4º van de Wet wapens en munitie, te weten

munitie als bedoeld in artikel 2 lid 2 van die wet, van de Categorie III, te

weten

- een of meer kogelpatro(o)n(en) van het merk/type Fiocchi, kaliber .45 ACP

en/of

- een of meer kogelpatro(o)n(en) van het merk/type Sellier & Bellot, kaliber 9

x 19 mm,

voorhanden heeft gehad;

(artikel 26 Wet wapens en munitie)

2.

hij op of omstreeks 11 maart 2017 te Schiedam, althans in Nederland,

opzettelijk

aanwezig heeft gehad

ongeveer 98,7 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal

bevattende MDMA,

zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,

dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

(artikel 2 onder c Opiumwet)

art 2 ahf/ond C Opiumwet

art 10 lid 3 Opiumwet

3.

hij op of omstreeks 11 maart 2017 te Schiedam, althans in Nederland,

om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de

Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken,

verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van

Nederland brengen van een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA,

zijnde MDMA een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor

te bereiden en/of te bevorderen

- 1 liter Zwavelzuur (96%) en/of

- 1650 gram cafeïne (versnijding)

voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte wist of ernstige redenen had te

vermoeden dat dat/die zij bestemd was/waren tot het plegen van dat/die

feit(en);

(artikel 10A Opiumwet)

art 10a lid 1 ahf/sub 3 alinea Opiumwet

art 10 lid 4 Opiumwet

art 10 lid 5 Opiumwet

1 A.J. Meulenbroek en Nederlands Forensisch Instituut, De Essenties van het forensisch biologisch onderzoek, humane biologische sporen en DNA, Zutphen: Uitgeverij Paris 2009, p. 214.