Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:6107

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
04-08-2017
Datum publicatie
13-09-2017
Zaaknummer
5957378
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

rechtsgeldig gegeven ontslag op staande voet ivm 'shop in shop'

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2017-1105

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 5957378 VZ VERZ 17-11333

uitspraak: 4 augustus 2017

beschikking van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

[verzoeker] ,

wonend te [plaatsnaam] ,

verzoeker,

gemachtigde: mr. H.B. Dekker te Rotterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Werzalit B.V.,

gevestigd te Nieuwerkerk aan den IJssel

verweerster,

gemachtigde: mr. A. W. Brantjes te Amsterdam.

Partijen worden hieronder aangeduid als “ [verzoeker] ” en “Werzalit”.

1 Het verloop van de procedure

Van de volgende processtukken is kennisgenomen:

  • -

    het verzoekschrift, met bijlagen, ontvangen op 1 mei 2017;

  • -

    het verweerschrift met bijlagen, houdende een (voorwaardelijk) tegenverzoek, ontvangen op 12 juni 2017;

  • -

    de akte van [verzoeker] houdende een vermeerdering van eis, tevens ter overlegging van aanvullende producties;

  • -

    de door Werzalit overgelegde productie 20 (sub 20a);

  • -

    de bij gelegenheid van de mondelinge behandeling overgelegde pleitnotities van beide gemachtigden;

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 20 juni 2017. [verzoeker] verscheen in persoon, vergezeld van de heer [C.] en bijgestaan door mr. H.B. Dekker. Werzalit verscheen bij de heren [W.] en [F.] , alsmede een tolk in de Duitse taal, bijgestaan door mr. Brantjes en mr. Neijtzell de Wilde.

2 De feiten

In deze procedure wordt uitgegaan van de volgende feiten:

2.1

Werzalit is een onderneming die haar bedrijf maakt van de groothandel in bouwmaterialen, vensterbanken gevelbekleding en tafelbladen. Aandeelhouder (100%) van Werzalit is Werzalit GmbH, een onderneming gevestigd in Duitsland. Een deel van de Werzalit producten wordt in een fabriek van Werzalit GmbH in Duitsland geproduceerd. Werzalit verzorgt de verkoop van de producten van Werzalit GmbH, inclusief de levering en service in Nederland en België.

2.2

Bestuurders van Werzalit zijn [C.] (tot 20 maart 2017) en [W.] die tevens grootaandeelhouder is van de GmbH. [W.] heeft als standplaats zijn kantoor in Duitsland en bestuurt de onderneming derhalve op afstand.

2.3

[verzoeker] , geboren op [geboortedatum] 1970 en thans 46 jaar oud, is op 1 mei 2011 in dienst getreden bij de rechtsvoorganger van Werzalit en is sedert 1 januari 2017 werkzaam in de functie van Verkoopleider Nederland. [verzoeker] hield zich bezig met de verkoop van losse tafelbladen ten behoeve van de tussenhandel. Het salaris van [verzoeker] bedraagt € 5.082,- bruto per maand exclusief vakantietoeslag en exclusief provisie/bonus. De opzegtermijn is twee maanden. In de arbeidsovereenkomsten tussen Werzalit en [verzoeker] is een verbod nevenwerkzaamheden, een relatiebeding, een concurrentiebeding, en een geheimhoudingsbeding opgenomen.

2.4

Tot 12 april 2017 was [C.] medebestuurder en aandeelhouder van Werzalit. [C.] is in de algemene vergadering van aandeelhouders van Werzalit op 12 april 2017 per direct ontslagen als bestuurder.

2.5

De echtgenote en dochters van [C.] hebben in 1993 een eigen onderneming opgericht (handelsonderneming Mopaco BV, hierna: “Mopaco ”). Het handelsregister vermeldt als haar activiteiten: ‘groothandel gespecialiseerd in overige bouwmaterialen. Groothandel in bouwmaterialen en producten van kunststof, hout, metaal en stof, alles in de ruimste zin des woords’.

2.6

De aandeelhouders van Mopaco zijn mevrouw [X.] , [Y.] en [Z.] , respectievelijk echtgenote en dochters van [C.] . Bestuurders van Mopaco zijn mevrouw [X.] en [verzoeker] (sinds 1 september 2013). [verzoeker] heeft een relatie met voornoemde [Y.] .

2.7

Op 15 maart 2017 heeft Werzalit een verzoekschrift tot het verkrijgen van verlof voor het leggen van conservatoir beslag ingediend ten laste van [verzoeker] , [C.] , [X.] en Mopaco. Op 20 maart 2017 is na verkregen verlof het beslag gelegd.

2.8

Ingevolge een uitnodiging van 16 maart 2017 heeft op 20 maart 2017 een gesprek plaatsgevonden tussen Werzalit en [verzoeker] waarbij [verzoeker] werd geconfronteerd met de resultaten van een onderzoek dat - naar de mening van Werzalit - concrete aanwijzingen inhield dat sprake is van een shop-in-shop opzet binnen Werzalit en de betrokkenheid van [verzoeker] daarbij. Enkele uren later is [verzoeker] telefonisch ontslag op staande voet aangezegd. Bij brief van 21 maart 2017 is [verzoeker] onder vermelding van de ontslagronden op staande voet ontslagen. Die gronden komen - kort gezegd - neer op de betrokkenheid van [verzoeker] bij de shop-in-shop opzet binnen Werzalit en de schending van het verbod op nevenwerkzaamheden en het concurrentiebeding, alsmede overtreding van het geheimhoudingsbeding.

2.9

Bij brief van 21 maart 2017 heeft [verzoeker] aan Werzalit bericht niet in te stemmen met het ontslag en bereid en beschikbaar te zijn om zijn werkzaamheden op eerste afroep te hervatten.

3 Het verzoek van [verzoeker]

3.1

verzoekt na wijziging van eis:

Primair:

I. Het aan [verzoeker] gegeven ontslag op staande voet te vernietigen;

II. Werzalit te verplichten om [verzoeker] binnen 24 uur na betekening van de ten deze te

wijzen beschikking weer toe te laten tot het verrichten van de bedongen

werkzaamheden, op straffe van een dwangsom van € 500,-- voor iedere dag of gedeelte

van de dag dat Werzalit hiermee in gebreke blijft;

III. Werzalit te veroordelen om aan [verzoeker] te voldoen het overeengekomen salaris ad

€ 5.882,- bruto per maand te vermeerderen met alle overeengekomen emolumenten,

vanaf 1 maart 2017 tot aan de datum waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal

zijn geëindigd, te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW vanaf

de dag van opeisbaarheid van het salaris en het aldus verhoogde bedrag te

vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van verschuldigdheid tot aan de

dag der algehele voldoening, onder toezending van een deugdelijke specificatie op

straffe van een dwangsom van € 200,- per dag dat Werzalit daarmee in gebreke blijft;

IV. Werzalit te veroordelen tot de terbeschikkingstelling van de bedrijfsauto, laptop en

mobiele telefoon aan [verzoeker] , op straffe van een dwangsom van € 500,-- per dag

voor iedere dag of gedeelte van de dag, vanaf vier dagen na betekening van de te dezen

te wijzen beschikking, dat Werzalit hiermee in gebreke blijft.

Subsidiair:

V. Werzalit te veroordelen tot betaling aan [verzoeker] van het achterstallige loon over de periode van 1 maart 2017 tot en met 20 maart 2017, te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW vanaf de dag van opeisbaarheid van het salaris en het aldus verhoogde bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van verschuldigdheid tot aan de dag der algehele voldoening, onder toezending van een

deugdelijke specificatie op straffe van een dwangsom van € 200,- per dag dat Werzalit

daarmee in gebreke blijft;

VI. Werzalit te veroordelen om over te gaan tot een correcte eindafrekening van het door

[verzoeker] tot en met 20 maart 2017 opgebouwde vakantiegeld en per die datum

resterende vakantiedagen (uitgaande van een maandloon van € 5.082,- bruto te

vermeerderen met 8% vakantiegeld en de pensioenbijdrage van € 104,63 per maand)

en tot betaling daarvan aan [verzoeker] over te gaan, onder toezending van een

deugdelijke specificatie op straffe van een dwangsom van € 200,- per dag dat Werzalit

daarmee in gebreke blijft;

VII. Werzalit te veroordelen tot betaling van een billijke vergoeding aan [verzoeker] ad

€ 50.000,- bruto, zoals vermeld in punt 44 van het verzoekschrift, dan wel een door de kantonrechter te bepalen billijke vergoeding.

VIII. Werzalit te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding aan [verzoeker] ad

€ 10.429,- zoals vermeld onder punt 45 van het verzoekschrift, dan wel een door de kantonrechter te bepalen transitievergoeding;

IX. Werzalit te veroordelen tot betaling van een vergoeding wegens onregelmatige

opzegging aan [verzoeker] ad € 10.377,12 bruto, zoals vermeld onder punt 46 van het

verzoekschrift, dan wel een door de kantonrechter te bepalen vergoeding;

X. Voor recht te verklaren dat [verzoeker] niet gehouden is aan enig concurrentie- en/of

relatiebeding;

Xl. Ook voor het geval de arbeidsovereenkomst van [verzoeker] wel terecht zou zijn

geëindigd door het ontslag op staande voet, Werzalit te veroordelen tot betaling van een

transitievergoeding aan [verzoeker] ad € 10.429 bruto, zoals vermeld onder punt 47 van

het verzoekschrift, dan wel een door de kantonrechter te bepalen transitievergoeding.

Primair, subsidiair en meer subsidiair:

XII. Werzalit te veroordelen tot betaling aan [verzoeker] van de wettelijke rente vanaf de

datum van opeisbaarheid van de hiervoor genoemde bedragen tot aan de dag der algehele voldoening;

XIII. Werzalit te veroordelen om de navolgende rectificatie te zenden aan alle personen

werkzaam binnen Werzalit, onder gelijke toezegging van de adressenlijst die daarbij

wordt gevolgd aan [verzoeker] met de navolgende tekst:

“De kantonrechter van de Rechtbank Rotterdam heeft op ……………. 2017 te kennen

gegeven dat Werzalit de heer [verzoeker] in maart 2017 ten onrechte op staande voet

heeft ontslagen en dat Werzalit geen redenen heeft kunnen waarmaken op grond

waarvan dat ontslag is verleend. De kantonrechter heeft daarbij aangegeven dat een

rectificatie op zijn plaats is, teneinde de met het ontslag op staande voet toegebrachte

schade zoveel mogelijk teniet te doen. Wij betreuren het leed dat aan de heer [verzoeker]

is toegebracht.”

XIV. Deze beschikking zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

3.2

[verzoeker] voert daartoe aan dat het gegeven ontslag op staande voet niet onverwijld is gegeven gezien het tijdsverloop. Blijkbaar bestond reeds op 22 februari 2017 bij Werzalit het vermoeden dat er sprake zou zijn van onregelmatigheden die de basis vormden voor het nader onderzoek, resulterend in het leggen van conservator beslag, waartoe op 15 maart 2017 een verlofrekest werd ingediend. Door pas op 20 maart 2017 het ontslag op staande voet aan te zeggen handelt Werzalit met onvoldoende voortvarendheid. Daarbij heeft er geen deugdelijke procedure van hoor en wederhoor hoor plaatsgevonden. Daarnaast meent [verzoeker] dat Werzalit geen deugdelijke gronden had voor het ontslag op staande voet. Het ontslag is enkel gegeven op basis van vermoedens en haar eigen interpretatie van bepaalde feiten.

4 Het verweer en de tegenverzoeken van Werzalit

Werzalit verzoekt, bij beschikking voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,

het verzoek van [verzoeker] af te wijzen en [verzoeker] te veroordelen in de proceskosten;

en voorts:

[verzoeker] te veroordelen tot betaling aan Werzalit van een bedrag van € 13.363,45, als gefixeerde schadevergoeding (artikel 7:677 lid 2 BW) althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente, te rekenen vanaf de datum van opeisbaarheid tot de datum waarop dit bedrag volledig is voldaan, met veroordeling van Werzalit in de kosten van dit geding;

en voorts, voor het geval het verzoek van [verzoeker] tot vernietiging van de opzegging wordt toegewezen, de arbeidsovereenkomst te ontbinden op grond van verwijtbaar handelen of nalaten dan wel een verstoorde arbeidsverhouding (artikel 7:669 lid 3 sub e resp. g BW).

5 Het verweer van [verzoeker] tegen de verzoeken van Werzalit

[verzoeker] heeft de tegenverzoeken van Werzalit bestreden en heeft aangevoerd dat het verzoek tot veroordeling van [verzoeker] tot betaling van de gefixeerde schadevergoeding ex artikel 7:677 lid 2 BW buiten de vervaltermijn van artikel 7:686a lid 4 BW is ingediend. De door Werzalit aangevoerde gronden kunnen niet leiden tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Werzalit heeft de ontbindingsgronden onvoldoende concreet onderbouwd. Het verzoek tot ontbinding moet dan ook worden afgewezen. Als de ontbinding toch wordt uitgesproken maakt [verzoeker] aanspraak op de vorderingen zoals omschreven in zijn verzoek ex artikel 7:681 BW (vorderingen genoemd onder V, VI, VII,VIII, IX en XIII), met inachtneming van de van toepassing zijnde opzegtermijn van twee maanden.

6 De beoordeling van het verzoek van [verzoeker]

6.1

De kantonrechter kan krachtens artikel 7:681 lid 1 BW op verzoek van de werknemer de opzegging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever vernietigen of op zijn verzoek aan hem ten laste van de werkgever een billijke vergoeding toekennen indien de werkgever heeft opgezegd in strijd met artikel 7:671 BW. Dit artikel vereist voor een rechtsgeldige opzegging de schriftelijke instemming van de werknemer, tenzij de opzegging geschiedt op grond van een dringende reden als bedoeld in artikel 7:677 lid 1 BW. Centraal staat dus de vraag of Werzalit op 20 maart 2017 de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] op grond van een dringende reden en onder onverwijlde mededeling van die reden, onverwijld heeft opgezegd.

onverwijlde opzegging

6.2

[verzoeker] heeft zich erop beroepen dat het ontslag op staande voet niet onverwijld is gegeven gezien het tijdsverloop vanaf 22 februari 2017 tot 20 maart 2017. De werkgever die een ontslag op staande voet op grond van een dringende reden overweegt, heeft enig respijt voordat hij daadwerkelijk tot ontslag overgaat, mits hij met de nodige voortvarendheid handelt is er gelegenheid voor het instellen van een onderzoek, is er tijd voor het horen van de werknemer, voor intern overleg en voor het inwinnen van een juridisch advies (HR 21 januari 2000, NJ 2000/190). De van de werkgever te vergen voortvarendheid is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij onder meer valt te denken aan de aard en de omvang van eventueel noodzakelijke onderzoek, de behoedzaamheid die bij het instellen van zo’n onderzoek geboden kan zijn om geen onrust in het bedrijf te veroorzaken, de eventuele noodzaak tot het inwinnen van deskundig advies en tot het verzamelen van bewijsmateriaal, en de door de werkgever in acht te nemen zorg om te vermijden dat, bij ongegrond bevinding van het vermoeden, de werknemer in zijn gerechtvaardigde belangen zou worden geschaad (HR15 februari 1980, NJ 1980/328).

6.3

Na medio februari 2017 bekend te zijn geworden met een flyer waaruit zou lijken dat er sprake is van een schaduwonderneming, heeft Werzalit instructie gegeven tot het instellen van een onderzoek door Deloitte Forensic Services (hierna: “Deloitte”). Vaststaat dat voordien er geen enkele reden bestond voor Werzalit om jegens [verzoeker] enige verdenking te koesteren.

6.4

In het kader van het Deloitte-onderzoek dat van start ging op 22 februari 2017 is de serviceprovider gevraagd kopieën te maken van de bestanden van de mailboxen van [verzoeker] , [C.] en de mailbox verkoop@werzalit.nl. Werzalit heeft onbestreden gesteld dat Deloitte op 24 februari 2017 de USB-stick met de gekopieerde gegevens heeft ontvangen en dat de bestanden ongeveer 160.000 mails bevatten. Het bleek dat er 2300 mails verwijderd waren, die echter nog achterhaald en uitgelezen konden worden. Een aparte reviewbatch en de invoering van de searchterm “Mopaco” leverde 500 hits op. Werzalit is vervolgens met behulp van Deloitte een onderzoek gestart naar de inhoud van deze mails. Deze door Werzalit gestelde gang van zaken is onvoldoende weersproken zodat daarvan wordt uitgegaan.

6.5

Op 15 maart 2017 heeft Werzalit verlof gevraagd tot het leggen van conservatoir beslag, zodat zij op dat moment geacht wordt voldoende bekend te zijn geworden met de feiten die zij aan het ontslag ten grondslag heeft gelegd. Bij e-mail van 16 maart 2017 heeft Werzalit vervolgens [verzoeker] uitgenodigd voor een gesprek op kantoor op 20 maart 2017. Pas bij die gelegenheid is [verzoeker] geconfronteerd met de aan hem gerichte beschuldigingen. Na de verklaring van [verzoeker] aangehoord te hebben heeft Werzalit vervolgens na intern beraad en juridisch advies, een paar uur later op 20 maart 2017 telefonisch op staande voet ontslagen.

6.6

[verzoeker] heeft aangevoerd dat het hem volstrekt onduidelijk is waarom er zoveel tijd nodig is geweest voor het onderzoek dat overigens ook nog niet eens was afgerond op het moment dat Werzalit klaarblijkelijk besloten had in actie te komen op 15 maart 2017. Bovendien is volgens [verzoeker] ook niet met de vereiste voortvarendheid te werk gegaan door pas op 20 maart 2017 het gesprek met hem aan te gaan.

6.7

Er zijn twee perioden te onderscheiden: die van 22 februari 2017 tot 15 maart 2017 en de periode van 15 maart 2017 tot 20 maart 2017. De eerste periode betreft de periode waarin Werzalit na de ontvangst van de bestanden van de serviceprovider op vrijdag 24 februari 2017, in samenwerking met Deloitte het onderzoek naar de 2300 mails, waaronder een selectie van 500 mails die gevonden is met de zoekterm “Mopaco”, heeft uitgevoerd.

In feite komt het erop neer dat Werzalit pas vanaf maandag 27 februari 2017 van start kon gaan met het lezen en bestuderen van 2300 mails, althans een selectie van 500 mails waarin de zoekterm “Mopaco” voorkomt. Dat dit onderzoek ruim twee weken heeft geduurd is gezien het tijdrovend karakter van het lezen van deze mails te verklaren. Bovendien gaat het in deze zaak niet om een onderzoek naar één - eenmalige - gedraging of gebeurtenis, maar om een reeks van gedragingen die in samenhang met elkaar beschouwd moeten worden alvorens het een voldoende duidelijk beeld oplevert om op een verantwoorde wijze tot een conclusie te kunnen komen. Gezien de ernst van de vermoedens en het feit dat die vermoedens zich ook uitstrekten tot de bestuurder van de vennootschap is het te rechtvaardigen dat Werzalit een gedegen en zorgvuldig onderzoek heeft laten uitvoeren, waarmee noodzakelijkerwijs enige tijd gemoeid is, alvorens tot de conclusie te komen dat sprake is van een onrechtmatige situatie. Werzalit heeft naar het oordeel van de kantonrechter tot zover met de vereiste voortvarendheid gehandeld.

6.8

Door op donderdag 16 maart 2017 [verzoeker] uit te nodigen voor een gesprek op kantoor op maandag 20 maart 2017, teneinde hem te confronteren met de onderzoeksbevindingen en hem daarop zijn commentaar te vragen, heeft Werzalit met de vereiste voortvarendheid gehandeld. Het beroep van [verzoeker] op het ontbreken van de onverwijlde opzegging slaagt dan ook niet. Evenmin slaagt het beroep van [verzoeker] op het ontbreken van een deugdelijke procedure van hoor en wederhoor. Een dergelijke eis wordt door de wet niet gesteld.

dringende reden

6.9

[verzoeker] heeft voorts bestreden dat sprake is van een dringende reden. Voor de werkgever worden als dringende redenen beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer die ten gevolgen hebben dat van de werkgever redelijkerwijze niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren (artikel 7:678 lid 1 BW). Zo’n dringende reden kan zich voordoen indien de werknemer zijn verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst grovelijk veronachtzaamt.

6.10

De rechter moet bij de beoordeling van de gerechtvaardigdheid van het ontslag alle omstandigheden van het geval in onderling verband en samenhang in aanmerking nemen. Hij moet hierbij de aard en de ernst van de dringende reden afwegen tegen de door de werknemer aangevoerde persoonlijke omstandigheden. Ook dient hij rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de werknemer waaronder de gevolgen van het ontslag.

6.11

Werzalit verwijt blijkens de inhoud van de ontslagbrief van 21 maart 2017 [verzoeker] dat hij Werzalit benadeeld heeft door zijn betrokkenheid bij een ‘shop in shop’-opzet binnen Werzalit, waarbij omzet bestemd voor Werzalit werd doorgeleid naar Mopaco, de onderneming waarvan [verzoeker] bestuurder en zijn partner Patricia aandeelhouder is, alsmede de overtreding van het verbod op nevenwerkzaamheden en van het concurrentie- en geheimhoudingsbeding.

6.12

De kantonrechter stelt vast dat er een opmerkelijke mate van verstrengeling bestaat tussen Werzalit en Mopaco. Te noemen valt in dit verband: [C.] , bestuurder van Werzalit, is de echtgenoot van de bestuurder van Mopaco, [X.] . De aandeelhouders van Mopaco zijn [X.] , echtgenote van [C.] en hun dochters. [verzoeker] , verkoopleider bij Werzalit, is tevens bestuurder van Mopaco, samen met [X.] , de echtgenote van de bestuurder van Werzalit, [C.] . [verzoeker] is de partner van [Y.] , dochter van de medebestuurder van Mopaco, [X.] . Mopaco is gevestigd aan de [straat- en plaatsnaam] , het woonadres van [verzoeker] .

6.13

Naast deze opmerkelijke banden tussen beide vennootschappen stelt de kantonrechter vast dat de beide vennootschappen tot zekere hoogte elkaars concurrenten zijn, althans op sommige terreinen van hun activiteiten elkaar beconcurreren. Deze combinatie van gegevens rechtvaardigt het vermoeden dat sprake is van een onrechtmatige situatie en rechtvaardigt het onderzoek van Werzalit naar de activiteiten van zowel [C.] als van [verzoeker] .

6.14

Werzalit heeft aan de hand van overgelegde stukken, waaronder een selectie van de e-mailcorrespondentie (productie 6 a tot en met i bij het verweerschrift, voorzien van een toelichting op elke e-mail) in voldoende mate aangetoond dat [verzoeker] actief betrokken is geweest bij het genereren van omzet ten gunste van Mopaco ten koste van Werzalit. [verzoeker] is er niet in geslaagd de door Werzalit op de genoemde e-mail correspondentie gegeven toelichting in voldoende mate te weerleggen. Daardoor is in dit verband onder meer gebleken dat Mopaco Werzalit-producten heeft geleverd aan particulieren, dat Mopaco zich op haar website als agent afficheerde van Sprela, een directe concurrent van Werzalit bij wie zij een customer account had geopend, en dat Mopaco tenminste tweemaal producten van Sprela heeft ingekocht (compactbladen en vensterbanken). [verzoeker] heeft voor enkele van zijn gedragingen een verklaring gegeven die er op neerkomt dat hij weliswaar zo had gehandeld, maar dat dat niet ten koste ging van Werzalit, of dat het gerechtvaardigd was omdat Werzalit niet aan particulieren zou leveren. De transacties met van bij Sprela betrokken producten heeft [verzoeker] willen rechtvaardigen door erop te wijzen dat de afnemer een Nederlands keurmerk verlangde en dat Werzalit dat niet kon bieden. Wat hier ook van zij, in deze procedure behoeven niet alle gestelde en als onrechtmatig aangeduide gedragingen en transacties bewezen te worden, noch behoeft de exacte schadeomvang daarvan vastgesteld te worden. Volstaan kan worden met de vaststelling dat [verzoeker] van wie - gezien zijn positie bij Werzalit - verwacht mag worden dat hij zich uitsluitend en met onverdeelde aandacht zou laten leiden door de belangen van zijn werkgever, in strijd hiermee zich actief heeft ingelaten met de behartiging van de belangen van Mopaco, een vennootschap die tot zekere hoogte als een concurrent van Werzalit beschouwd mag worden. Door aldus te handelen schendt [verzoeker] het in hem gestelde vertrouwen en zijn verplichting zich als goed werknemer te gedragen in ernstige mate. Een en ander klemt des te meer nu [verzoeker] zich verbonden heeft aan een contractueel verbod tot het uitvoeren van nevenwerkzaamheden en een contractueel verbod tot het uitvoeren (ook gedurende de arbeidsovereenkomst) van concurrerende werkzaamheden. Of [verzoeker] daarbij zelf een direct financieel belang had doet niet ter zake, zijn partner Patricia had dat overigens als aandeelhoudster wel. De conclusie is dat [verzoeker] zijn verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst grovelijk heeft veronachtzaamd.

6.15

Het verweer van [verzoeker] waarin hij zich beroept op de bekendheid bij [C.] met zijn gedragingen en de instemming hiermee van [C.] , slaagt niet. [verzoeker] heeft als werknemer van Werzalit jegens haar een eigen verantwoordelijkheid en kan zich niet beroepen op instemming van [C.] in een situatie waarin het ook [verzoeker] duidelijk had moeten zijn dat sprake is van met belangen van Werzalit tegenstrijdige persoonlijke belangen van [C.] . In zoverre kan de instemming met en deelname van [C.] aan de omstreden activiteiten niet aan Werzalit worden toegerekend, zeker nu de medebestuurder [W.] van de bedoelde activiteiten geen kennis had.

6.16

De kantonrechter komt tot de slotsom dat de door Werzalit aan het ontslag ten grondslag gelegde feiten zijn komen vast te staan en kwalificeren als een dringende reden in de zin van de wet. Dit betekent dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen op 20 maart 2017 op rechtsgeldige wijze is beëindigd, zodat voor de primaire vorderingen die een voortzetting van de arbeidsovereenkomst veronderstellen, geen grond is en afgewezen zullen worden.

Achterstallige loon en vakantiegeld en vakantiedagen tot 20 maart 2017

6.17

De subsidiaire vordering van [verzoeker] tot veroordeling van Werzalit tot betaling van het achterstallige loon over de periode van 1 maart 2017 tot en met 20 maart 2017 is in beginsel toewijsbaar nu de arbeidsovereenkomst tot en met 20 maart 2017 heeft voortgeduurd. Dit geldt ook voor een correcte eindafrekening van het door [verzoeker] tot en met 20 maart 2017 opgebouwde vakantiegeld en de per die datum resterende vakantiedagen.

Billijke vergoeding

6.18

[verzoeker] heeft voor het geval zijn primaire vordering tot vernietiging van het ontslag op staande voet en de daarmee verband houdende nevenvorderingen zouden worden afgewezen, verzocht om toekenning van een billijke vergoeding ten bedrage van € 50.000 bruto (artikel 7:681 lid 1 sub a BW). [verzoeker] heeft daartoe aangevoerd dat het einde van de arbeidsovereenkomst evident te wijten is aan Werzalit en dat Werzalit hem enkel op basis van vermoedens en zonder [verzoeker] in de gelegenheid te hebben gesteld zijn weerwoord te geven, op staande voet heeft ontslagen.

6.19

Voor toekenning van een billijke vergoeding is vereist dat Werzalit heeft opgezegd in strijd met artikel 7:671 BW. Van strijd met artikel 7:671 BW is echter geen sprake indien de opzegging geschiedt op grond van artikel 7:677 lid 1 BW, dus wegens een dringende reden.

Nu reeds geoordeeld is dat Werzalit de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] op grond van een dringende reden onverwijld heeft opgezegd is er geen grond voor toekenning van een billijke vergoeding aan [verzoeker] .

Transitievergoeding

6.20

Evenmin ziet de kantonrechter grond voor toekenning van de (subsidiair) verzochte transitievergoeding. De transitievergoeding is immers niet verschuldigd indien het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verzoeker] (artikel 7:673 lid 7 sub c BW). In deze zaak gaat het om gedragingen van [verzoeker] die aangemerkt zijn als een dringende reden als bedoeld in artikel 7:678 lid 1 BW en tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst heeft geleid. Daarom ziet de kantonrechter evenmin aanleiding om het achterwege laten van een toekenning van de transitievergoeding onaanvaardbaar te achten in de zin van artikel 7:673 lid 8 BW zoals (subsidiair) is verzocht.

Vergoeding wegens onregelmatige opzegging

6.21

[verzoeker] verzoekt (subsidiair) de toekenning van een vergoeding ad € 10.377,12 bruto en beroept zich daarvoor op artikel 7:672 lid 10 BW. Voor toekenning van een vergoeding wegens het niet in acht nemen van de opzegtermijn is alleen dan pas grond als een opzegtermijn in acht genomen moet worden. In het geval van een onverwijlde opzegging op grond van een dringende reden doet zich die situatie niet voor. Dit verzoek wordt daarom als ongegrond afgewezen.

Concurrentiebeding

6.22

In de gegeven omstandigheden is er geen grond voor de door [verzoeker] (subsidiair) verzochte verklaring voor recht dat [verzoeker] niet gehouden is aan enig concurrentie- of relatiebeding. Beoordeeld moet worden of in verhouding tot het te beschermen belang van Werzalit [verzoeker] onbillijk wordt benadeeld door het concurrentiebeding. Het ligt dan ook op de weg van [verzoeker] om feiten en omstandigheden te stellen waaruit kan worden afgeleid dat hij bij handhaving van het concurrentiebeding onbillijk wordt benadeeld. [verzoeker] verzuimt echter zijn verzoek nader te onderbouwen en volstaat met een beroep op artikel 7:653 lid 4 BW. Van een ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van Werzalit is evenwel geen sprake zodat het beroep van [verzoeker] hierop faalt. De gevorderde verklaring voor recht wordt als ongegrond afgewezen.

De door Werzalit gevorderde gefixeerde schadevergoeding

6.23

Deze op artikel 7:677 lid 2 BW gestoelde vordering van Werzalit is niet binnen de vervaltermijn als genoemd in artikel 7:686a lid 4 sub a BW ingediend, zodat deze wordt afgewezen. De arbeidsovereenkomst is immers beëindigd op 20 maart 2017 en het verzoek van Werzalit is op 12 juni 2017 ter griffie ontvangen.

6.24

[verzoeker] wordt als de in overwegende mate in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten. Deze worden tot aan deze uitspraak aan de zijde van Werzalit vastgesteld € 600,00 aan gemachtigdensalaris.

7 De beoordeling van het tegenverzoek van Werzalit

7.1

Werzalit heeft onder intrekking van het primair verzochte, verzocht voor het geval het verzoek van [verzoeker] tot vernietiging van de opzegging wordt toegewezen, de arbeidsovereenkomst te ontbinden (primair) op grond van verwijtbaar handelen of nalaten dan wel (subsidiair) wegens een verstoorde arbeidsverhouding.

7.2

Nu het verzoek van [verzoeker] tot vernietiging van de opzegging wordt afgewezen, komt de beoordeling van het verzoek tot ontbinding van Werzalit niet aan de orde.

7.3

De kantonrechter ziet in de uitkomst van de procedure aanleiding de proceskosten te compenseren.

8 De beslissing

De kantonrechter,

op het verzoek van [verzoeker]

veroordeelt Werzalit om aan [verzoeker] te voldoen het overeengekomen salaris ad € 5.082,- bruto per maand te vermeerderen met alle overeengekomen emolumenten, vanaf 1 maart 2017 tot en met 20 maart 2017, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van verzuim tot aan de dag van de algehele voldoening, onder toezending van een deugdelijke specificatie op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100,- per dag dat Werzalit daarmee in gebreke blijft tot een maximum van € 2.500,00;

veroordeelt Werzalit om over te gaan tot een correcte eindafrekening van het door [verzoeker] tot en met 20 maart 2017 opgebouwde vakantiegeld en de per die datum resterende vakantiedagen (uitgaande van een maandloon van € 5.082,00 bruto te vermeerderen met 8% vakantiegeld en de pensioenbijdrage van € 104,63 per maand) en tot betaling daarvan aan [verzoeker] over te gaan onder toezending van een deugdelijke specificatie op straffe van verbeurte een dwangsom van € 100,- per dag dat Werzalit daarmee in gebreke blijft tot een maximum van € 2.500,00;

veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Werzalit vastgesteld op € 600,00 aan gemachtigdensalaris.

op het verzoek van Werzalit

wijst het verzoek van Werzalit af;

compenseert de proceskosten;

en op beider verzoeken

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het meer of anders verzochte;

Deze beschikking is gegeven door mr. P. Vlaswinkel en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

693