Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:6098

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
19-07-2017
Datum publicatie
08-08-2017
Zaaknummer
10/661316-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak. DNA daderspoor motivering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/661316-16

Datum uitspraak: 19 juli 2017

Tegenspraak

Verkort vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] ( [geboorteland verdachte] ) op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

raadsvrouw mr. J. van Veelen-de Hoop, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 19 juli 2017.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. C. Nij Bijvank heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1 en 2 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 5 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar en als bijzondere voorwaarden dat de verdachte zich zal gedragen naar de aanwijzingen van de reclassering, behandelverplichting, opname in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, de verplichting om zijn financiële situatie op orde te krijgen en te behouden en tot het vinden van passende dagbesteding.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Bewezenverklaring zonder nadere motivering

Het onder 2 ten laste gelegde is door de verdachte bekend. Dit feit zal zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.

4.2.

Bewijswaardering ten aanzien van feit 1

De verdachte heeft eerder tegenover de politie en ook op de zitting van 19 juli 2017 verklaard dat hij zich niet kan herinneren dat hij een woninginbraak heeft gepleegd. Na een suïcidepoging destijds is hij in het ziekenhuis beland. De verdachte heeft op de zitting van 19 juli 2017 verklaard dat degene bij wie hij in de telastgelegde periode in huis verbleef, tevens medeverdachte bij het onder 2 bewezenverklaard feit, wegens wraakgevoelens zijn DNA en zijn vingerafdrukken in de woning aan het [adres delict] in Capelle aan den IJssel moet hebben achtergelaten. In de woning van die medeverdachte bevonden zich immers een zakdoek met een bloedprop van de verdachte en verdere benodigdheden voor drugsgebruik, waaronder glasplaten met daarop mogelijk vingerafdrukken van de verdachte. De verdachte volhardt stellig in de ontkenning van deze woninginbraak en stelt dat hij “er in wordt geluisd”.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 ten laste gelegde feit kan worden bewezenverklaard. Zij baseert zich daarbij op de aangifte en het NFI-rapport, waaruit blijkt dat alle sporen, niet alleen het DNA-profiel, afgeleid van de aangetroffen bloedsporen op de plaats delict en op de op de vluchtweg gevonden buit, maar ook de vingerafdrukken die zijn aangetroffen op de plaats van het delict, overeenkomen met de gegevens (DNAS-profiel en vingerafdrukken) van de verdachte. De verklaring die de verdachte geeft voor het aantreffen van zijn DNA en zijn vingerafdrukken in de woning is volstrekt onaannemelijk en gelet op de uitkomsten van het forensisch onderzoek even onwaarschijnlijk.

Standpunt verdediging

De raadsvrouw heeft namens de verdachte vrijspraak bepleit van het onder 1 ten laste gelegde nu er, ondanks alle signalen, toch twijfel bestaat aan de betrokkenheid van de verdachte bij deze woninginbraak.

Beoordeling

Uit de inhoud van de bewijsmiddelen is het volgende gebleken.

Op 4 oktober 2016, om 10:57 uur, is aangifte gedaan van een inbraak in een woning aan het [adres delict] te Capelle aan den IJssel. De dader is de woning binnen gekomen door een ruitje aan de achterzijde van de woning te verbreken. Bij deze woninginbraak werden diverse sieraden, een E-reader en een horloge weggenomen.

Twee getuigen hebben verklaard dat zij glasgerinkel hebben gehoord en één van deze getuigen heeft gezien dat de achterdeur van de woning op het [adres delict] kapot was. In de tuin bij die woning stond een man. Deze man is de tuin uit gevlucht met achterlating van zijn fiets. Een andere getuige heeft gezien in welke richting de dader is gerend. Er is een signalement gegeven van de dader.

Na onderzoek door de ter plaatse gearriveerde politiemedewerkers werd op de vluchtweg van de dader een sieradendoosje aangetroffen met daarop vermoedelijk bloed. In de woning zijn op de vitrage bij het kapotte raam roodkleurige druppels aangetroffen en ook in de gang werd een rode druppel aangetroffen. De aangever heeft verklaard dat het buiten aangetroffen sieradendoosje van hem was.

Door het NFI is een sporenvergelijkend onderzoek verricht naar aanleiding van het aangetroffen bloed. Er zijn drie sporen getest en het resultaat van dit onderzoek was dat het DNA-profiel van deze drie sporen overeenkwam met het DNA-profiel (profielcluster [clusternummer] ) van verdachte. Ook het onderzoek van het aangetroffen dactyloscopisch spoor op een deel van de vernielde ruit leverde een positieve match op. Dit betekent dat de vingerafdruk afkomstig is van de verdachte.

Met de aangifte, het veiligstellen, onderzoeken van de bloedsporen en de vingerafdruk, de uitkomst van het door het NFI uitgevoerde DNA-onderzoek en het dactyloscopisch onderzoek is voldoende wettig bewijs voorhanden dat de verdachte de onder 1 tenlastegelegde woninginbraak heeft gepleegd. Het bewijs is ook overtuigend.

De verklaring van de verdachte voor de aanwezigheid van zijn DNA en zijn vingerafdrukken in de woning is volstrekt onaannemelijk.

Het mogelijk veroorzaken van een contactspoor op de betreffende plaatsen in de woning met een natgemaakte zakdoek met daarop bloed van de verdachte is onwaarschijnlijk. Het aangetroffen bloed wordt immers beschreven als bloed in de vorm van druppels. Hetgeen verdachte heeft aangevoerd kan niet leiden tot de aangetroffen sporen.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het onder 1 aan de verdachte ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.

4.3.

Bewezenverklaring

Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij op of omstreeks 04 oktober 2016 te Capelle aan den IJssel

in/uit een woning (gelegen aan de [adres delict] )

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen

één of meer (zilveren en/of gouden) ketting(en) en/of armband(en) en/of

oorbel(len) en/of ring(en) en/of een horloge en/of een E-reader (merk Archos),

in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander

of anderen dan aan hem, verdachte,

zulks nadat hij, verdachte, die/dat weg te nemen (zilveren en/of gouden)

ketting(en) en/of armband(en) en/of oorbel(len) en/of ring(en) en/of horloge

en/of E-reader onder zijn bereik had gebracht door middel van braak/verbreking en/of inklimming;

2.

hij op of omstreeks 14 juni 2016 te Rotterdam,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen

4, althans 1 of meer, Diamand led strips, in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer 2] , in elk

geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn

mededaders;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan is gegrond op de redengevende inhoud van het voorgaande en op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende tot bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Het vonnis zal in die gevallen waarin de wet dit vereist worden aangevuld met een later bij dit vonnis te voegen bijlage met daarin de inhoud dan wel de opgave van de bewijsmiddelen.

5 Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

1. diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

2 diefstal, gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feiten waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal uit een woning. Hij heeft een ruit van een deur verbroken waarna hij de woning binnen is gegaan. In de woning heeft hij een doosje met sieraden en een e-reader weggenomen.

Woninginbraken veroorzaken in het algemeen gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving en bij de benadeelden in het bijzonder. Bovendien maken dergelijke misdrijven een ernstige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de slachtoffers.

De verdachte heeft daarnaast samen met een ander een winkeldiefstal gepleegd waarbij verlichting ter waarde van bijna honderd euro is weggenomen.

Winkeldiefstal veroorzaakt veel overlast en financiële schade voor medewerkers en eigenaren van winkels.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 19 juni 2017, waaruit blijkt dat de verdachte al vaak eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

7.3.2.

Rapportages

Bouman GGZ, afdeling reclassering heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 25 januari 2017. Dit rapport houdt het volgende in.

De verdachte heeft een fors justitieel verleden, hetgeen zich kenmerkt door vermogensdelicten. Bij veroordeling maakt het huidige delict onderdeel uit van een delictpatroon. Op basis van zijn justitiële verleden is het aannemelijk dat het plegen van strafbare feiten gerelateerd is aan zijn verslavingsproblematiek en zijn instabiele sociaal maatschappelijke situatie ten tijde van het delict. Momenteel is het leven van de verdachte op meerdere vlakken verbeterd, de verdachte heeft huisvesting, een inkomen en binnenkort start hij met dagbesteding. Tevens krijgt hij begeleiding en behandeling van het forensisch ACT team van Bouman GGZ. De bestaande begeleiding past bij de mogelijkheden van de verdachte. Ook is hij gemotiveerd om zich te houden aan de afspraken, omdat het behouden van zijn woonplek bij de IBW belangrijk voor hem is. Tegelijkertijd wordt ingeschat dat de verdachte, gelet op zijn verleden, gedurende het traject extra gemotiveerd zal moeten worden.

Het recidiverisico wordt op basis van de beschikbare informatie ingeschat als hoog.

Geadviseerd wordt een (gedeeltelijk) voorwaardelijke gevangenisstraf met bijzondere voorwaarden op te leggen. Hierbij worden de volgende bijzondere voorwaarden geadviseerd: meldplicht, (ambulante) behandelverplichting, opname in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, andere voorwaarden het gedrag betreffende, te weten de verplichting om zijn financiële situatie op orde te krijgen en te behouden en tot het vinden van passende dagbesteding.

Bouman GGZ, afdeling reclassering heeft een “voortgangsverslag toezicht aan opdrachtgever” over de verdachte opgemaakt, gedateerd 7 juni 2017 respectievelijk 18 juli 2017.

- Het verslag van 7 juni 2017 houdt het volgende in.

Het schorsingstoezicht van de verdachte is gestart op 8 december 2016. De verdachte verblijft inmiddels bij de Intensieve Beschermde Woonvorm (IBW) [naam woonvorm] . Hij heeft zich gehouden aan de afspraken in het kader van de meldplicht met de reclassering, echter uit contact met het personeel van de forensische ACT komt naar voren dat het contact met hen stroef verloopt. De verdachte heeft zich in de maand januari 2017 onttrokken aan toezicht en werd toen gesanctioneerd. Een van de andere regels is dat hij niet mag blowen op zijn kamer, echter aan deze regel heeft de verdachte zich niet kunnen houden en werd hij op 3 maart 2017 gesanctioneerd en kreeg een officiële waarschuwing.

Contact met de behandelaren van het FACT-team wijst uit dat de verdachte zich naar hen vermijdend heeft opgesteld. De verdachte was bekend met problematisch (hard-) drugsgebruik. Hij geeft aan sinds drie jaar gereguleerd cocaïne te gebruiken. Wel zou hij dagelijks blowen. De verdachte krijgt vanuit het FACT-team onder andere begeleiding bij praktische zaken. Momenteel loopt er een aanmelding voor schuldhulpverlening en krijgt de verdachte ondersteuning bij het op orde krijgen van zijn financiën.

De verdachte heeft dagbesteding, hij werkt bij de IBW [naam woonvorm] in de voortuin. Daarnaast verricht de verdachte hand en spandiensten voor zijn hulpbehoevende moeder.

Hij geeft aan een omvangrijk sociaal netwerk van familie te hebben, waar hij het grootste gedeelte van zijn vrije tijd aan besteedt.

Het middelengebruik van de verdachte leek problematisch. Het harddruggebruik van de verdachte zou gereguleerd zijn. Het reclasseringstoezicht als stok achter de deur en de behandeling van het FACT-team lijkt de kans op recidive mogelijk te kunnen beperken.

De verdachte heeft hij te kennen gegeven dat hij wel wilt meewerken aan een reclasseringstoezicht met een looptijd van twee jaar. Om deze reden lijkt de kans van slagen van het opleggen van een regulier toezicht gewenst.

De reclassering ziet nog mogelijkheden om het recidiverisico te kunnen beperken. De tijdens het toezicht ingezette interventies zijn nog actief.

- Het verslag van 18 juli 2017 houdt het volgende in.

Blijkens informatie van personeel van de [naam woonvorm] , wordt de verdachte omschreven als een man die zich goed conformeert binnen de intensief beschermde woonvorm. Na maart 2017 hoefde hij niet meer te worden gesanctioneerd daar hij zich aan de regels houdt.

Mocht onder toezichtgestelde een gevangenisstraf opgelegd krijgen, dan is de kans dat de veroordeelde na zeven weken zijn plaats bij de Intensieve Beschermde Woonvorm zal verliezen. Het recidiverisico wordt ingeschat als gemiddeld. In het lopende toezicht is ingezet op abstinentie van cocaïne. De reclassering heeft nog enige fiducie in het slagen van het toezicht omdat de verdachte thans ander gedrag laat zien. De reclassering hoopt dat aan de verdachte nog een laatste kans wordt gegeven om zijn leven in goede banen te kunnen leiden. Een detentie zou dit alles kunnen doorkruisen.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

De verdediging heeft primair verzocht aan de verdachte een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, subsidiair, hem een taakstraf op te leggen.

Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in min of meer vergelijkbare zaken worden opgelegd. Gezien de ernst van, met name het onder 1 bewezenverklaarde feit, kan in beginsel niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Met de officier van justitie en de reclassering acht de rechtbank het noodzakelijk dat de verdachte wordt behandeld en dat hij op praktisch gebied wordt begeleid en ondersteund. De rechtbank zal daarom een zeer groot deel van de voorgenomen straf voorwaardelijk opleggen, met de voorwaarden die hierna worden genoemd. Dit voorwaardelijk strafdeel dient er niet alleen toe behandeling en begeleiding mogelijk te maken, maar ook om de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.

Sinds de schorsing van de voorlopige hechtenis is het door de reclassering bij Bouman GGZ uitgezette traject gunstig verlopen. Onder deze omstandigheden acht de rechtbank het, anders dan door de officier van justitie gevorderd, niet nodig om aan de verdachte alsnog een gevangenisstraf op te leggen die langer is dan de tijd die reeds door hem in voorarrest is doorgebracht.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

9 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlage maken deel uit van dit vonnis.

10 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen;

bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 177 (honderdzevenenzeventig) dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt gesteld op 2 jaar, na te melden voorwaarden overtreedt;

stelt als algemene voorwaarden:

  • -

    de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

  • -

    de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;

  • -

    de veroordeelde zal medewerking verlenen aan reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

stelt als bijzondere voorwaarden:

1. de veroordeelde moet zich houden aan de aanwijzingen die de reclassering hem geeft, voor zover deze niet reeds zijn opgenomen in een andere bijzondere voorwaarde. Daartoe moet de veroordeelde zich melden bij de reclassering voor zolang en zo frequent als de reclassering dat gedurende deze periode nodig acht;

2. de veroordeelde wordt verplicht om zich te laten behandelen voor zijn verslavings- en psychische problematiek bij het forensisch ACT team van Bouman GGZ of soortgelijke ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij de veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem/haar in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven;

3. de veroordeelde wordt verplicht tot een opname in een Intensief Beschermde Woonvorm van Bouman GGZ of een soortgelijke instelling, zulks ter beoordeling van de reclassering, te verblijven en zich te houden aan het (dag-)programma dat deze voorziening in overleg met de reclassering heeft opgesteld, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

4. de veroordeelde wordt verplicht om zijn financiële situatie op orde te krijgen en te behouden en tot het vinden van passende dagbesteding, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

geeft aan genoemde reclasseringsinstelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

beveelt dat de tijd van 3 (drie) dagen die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte, die bij eerdere beslissing is geschorst.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. W.A.F. Damen, voorzitter,

en mrs. A.A. Kalk en G.P. van de Beek , rechters,

in tegenwoordigheid van S. Wongsokerto, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 04 oktober 2016 te Capelle aan den IJssel

in/uit een woning (gelegen aan de [adres delict] )

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen

één of meer (zilveren en/of gouden) ketting(en) en/of armband(en) en/of

oorbel(len) en/of ring(en) en/of een horloge en/of een E-reader (merk Archos),

in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander

of anderen dan aan hem, verdachte,

zulks nadat hij, verdachte, die/dat weg te nemen (zilveren en/of gouden)

ketting(en) en/of armband(en) en/of oorbel(len) en/of ring(en) en/of horloge

en/of E-reader onder zijn bereik had gebracht door middel van

braak/verbreking en/of inklimming;

(artikel 311 Wetboek van Strafrecht)

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 14 juni 2016 te Rotterdam,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen

4, althans 1 of meer, Diamand led strips, in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer 2] , in elk

geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn

mededaders;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht