Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:6094

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
02-08-2017
Datum publicatie
08-08-2017
Zaaknummer
C/10/520293 / HA ZA 17-145
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering betaling achterstallige managementfee. Voorwaarde uitkering vervuld? Uitleg van de overeenkomst. Leemte in de overeenkomst. Aanvulling overeenkomst ingevolge art. 6:248 lid 1 BW. Op grond van aangevulde overeenkomst wordt geoordeeld dat de voorwaarde voor uitkering niet is vervuld. Vordering in reconventie, inhoudende terugvordering reeds betaald bedrag aan managementfee op basis van onverschuldigde betaling, wordt eveneens afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team haven en handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/520293 / HA ZA 17-145

Vonnis van 2 augustus 2017

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[persoon X] BEHEER B.V.,

gevestigd te Rosmalen,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. J.O. de Wilde te 's-Hertogenbosch,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

QFR EUROPE B.V.,

gevestigd te Sassenheim en kantoorhoudende te Rotterdam,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

FLORENCIS B.V. (h.o.d.n. SEA AND SHORE SERVICES)

gevestigd te Schiedam en kantoorhoudende te Rotterdam,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

WMZ HOLDING B.V.,

gevestigd te Sassenheim en kantoorhoudende te Leimuiden,

4. [persoon A] MOOLENAAR,

wonende te Leimuiden,

5. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

TRABEX LOGISTICS B.V.,

gevestigd te Albrandswaard en kantoorhoudende te Poortugaal,

6. [gedaagde 6],

wonende te Poortugaal,

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

advocaat mr. P.J. de Groen te Sassenheim.

Eiseres zal hierna VBB worden genoemd. Gedaagden zullen hierna gezamenlijk QFR c.s. worden genoemd en afzonderlijk QFR Europe, Florencis, WMZ Holding, [gedaagde 4] , Trabex respectievelijk [gedaagde 6] .

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het inleidend exploot van dagvaarding van 27 januari 2017 met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie met producties;

  • -

    de brief van de rechtbank van 28 april 2017, waarbij een comparitie van partijen is gelast;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 13 juni 2017 en de daarin genoemde stukken;

  • -

    de brief van 4 juli 2017 van de advocaat van VBB in reactie op het proces-verbaal van comparitie 13 juni 2017;

  • -

    de brief van 4 juli 2017 van de advocaat van QFR c.s. in reactie op het proces-verbaal van comparitie van 13 juni 2017.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

QFR Europe is een vennootschap die zich bezighoudt met de internationale handel in (oud) papier. Florencis B.V. is statutair bestuurder van QFR Europe. WMZ Holding en Trabex zijn beide statutair bestuurder van Florencis B.V. [gedaagde 4] is statutair bestuurder van WMZ Holding en [gedaagde 6] is statutair bestuurder van Trabex.

2.2.

VBB is de persoonlijke holding van [persoon X] (hierna: [persoon X] ).

2.3.

Op 1 december 2013 heeft QFR Europe met VBB een managementovereenkomst (hierna: de overeenkomst) gesloten waarvan de artikelen 1, 2, 3, 6 en 8 luiden, voor zover hier van belang:

Artikel 1. Taken en bevoegdheden

(…)

1.7.

De Vennootschap stemt ermee in dat de Management B.V. ook voor derden werkzaamheden verricht (zover niet concurrerend) en kan mitsdien op geen enkele wijze aanspraak maken op enige vorm van exclusiviteit. De Management b.v. zal de vennootschap indien de werkzaamheden wel concurrerend zijn hier schriftelijk toestemming voor vragen.

Artikel 2 – Ingang, duur

2.1

Deze overeenkomst wordt met ingang van een december tweeduizend dertien aangegaan voor onbepaalde tijd, met een opzegtermijn van twee maanden.

(…)

Artikel 3 – Vergoeding, omvang werkzaamheden

3.1.

De Vennootschap zal aan de Management B.V. voor de door de Management B.V. ten behoeve van de Vennootschap te verrichten werkzaamheden een vergoeding verschuldigd zijn van vijftienduizend euro (EUR 15.000,--) per maand vanaf 1 April 2014 en vanaf 1 December 2013 tot 1 April 2014 7500 euro, exclusief omzetbelasting, hierna aan te duiden als de ‘Vergoeding’. Het bedrag van de Vergoeding wordt niet geïndexeerd.

3.2.

Betaling van de vergoeding zal in twaalf gelijke maandelijkse termijnen plaatsvinden na verzending door de Management B.V. van een factuur voor de in de voorgaande maand verrichte werkzaamheden. Deze factuur dient vervolgens binnen dertig dagen na de factuurdatum door de Vennootschap te worden voldaan conform de in de factuur vermelde betalingsmodaliteit.

3.3.

Afgezien van de Omzetbelasting omvat de vergoeding alle eventueel verschuldigde belastingen, sociale premies en eventuele andere van overheidswege vastgestelde toeslagen en boetes.

Artikel 6 - Geheimhouding

(…)
6.3. Het is de Management B.V. verboden om van derden te eigen bate direct of indirect enig voordeel aan te nemen of te bedingen verband houdende met de werkzaamheden die uit hoofde van deze overeenkomst ten behoeve van de Vennootschap worden verricht.

Artikel 8 – Slotbepalingen

8.1.

Deze overeenkomst bevat alle tussen partijen met betrekking tot het onderwerp daarvan gemaakte afspraken.

(…)

8.3

Partijen zijn ervan uitgegaan dat de management fee gebaseerd is op een te leveren prestatie door Management b.v. van 25.000 euro bruto marge per maand (worstcase) geïncasseerd. Partijen zijn er mee bekend dat indien deze tegenprestatie niet gerealiseerd is de uitkering van de management fee wordt opgeschort tot het moment dat het uitkeerbaar is. Mocht de door Management b.v. geleverde prestatie binnen 12 maanden dit nog steeds niet realiseren dan zal deze gecorrigeerd worden zodanig dat de continuïteit van de vennootschap niet gevaar wordt gebracht.

2.4.

Het eerste deel van de managementfee, een bedrag van € 7.500,-- per maand, is vanaf 1 december 2013 maandelijks gefactureerd door VBB (hierna ook aangeduid als: “VBB facturen”) en tot en met november 2016 heeft QFR Europe deze managementfee steeds aan VBB voldaan.

2.5.

Het tweede deel van de managementfee, een bedrag van € 7.500,-- per maand, is door VBB via Golden Forest Fibre Resourcing Limited (hierna: GFFR) aan QFR Europe gefactureerd over de maanden maart 2014 tot en met februari 2016 (hierna ook aangeduid als “GFFR facturen”).

2.6.

Op 16 december 2014 vindt een emailwisseling plaats tussen [persoon X] en [gedaagde 4] , die onder meer inhoudt:

- om 10:25 uur van [persoon X] aan [gedaagde 4] :

Wij zijn € 15.000 per maand met elkaar overeen gekomen. Waarvan € 7500 per maand te factureren door [persoon X] Beheer en €7500 per maand door Golden Forest. Betaling van de Golden Forest facturen als de financiele situatie dat toelaat. Dit betekent niet dat ze niet in de administratie opgenomen dienen te worden.

- om 14.57 uur van [persoon X] aan [gedaagde 4] :

Staat in het contract € 15.000 per maand, heb jij voor getekend onder de afspraak dat de helft betaald zou worden als financiële situatie dat toe zou laten, als je die niet wilt betalen, dan graag per omgaande jouw bevestiging daarvan. (…) dan staak ik ook mijn activiteiten voor QFR onmiddellijk.

- om 17:09 van [gedaagde 4] aan [persoon X] :

Ik wil nogmaals benadrukken (hetgeen jij ook aangeeft in je mail) dat o.a. de financiele positie en prestaties van QFR Europe wel ruimte moeten bieden alvorens tot betaling over te gaan anders heeft het geen zin.

2.7.

Bij e-mail van 9 november 2015 bericht [persoon X] aan [gedaagde 6] , voor zover hier van belang:

Bijgaand de overzichten van de omzet en marge van oktober. Aangezien er nu sinds november vorig jaar meer dan de afgesproken marge per maand wordt gerealiseerd hoor ik graag wanneer er een begin gemaakt gaat worden met de betaling van mijn GFFR facturen. Inmiddels staat er € 150K open ter betaling, dus wil eigenlijk voorstellen te beginnen met een betaling van de eerste 10 facturen die zijn verstuurd voor een totaal van € 75K.

[gedaagde 6] reageert dezelfde dag als volgt, voor zover hier van belang:

Daar ga ik niet alleen over, moeten mijns inziens eerst even gesprek met [persoon Y] en [financieel directeur DHG] afronden. Wil daarna graag boekhoud technisch schoon schip maken met nieuwe man [persoon A] ism [financieel directeur DHG] .

2.8.

Bij e-mails van 19 en 22 februari 2016 bericht [persoon X] aan [gedaagde 6] , voor zover hier van belang:

Wanneer gaat het bedrag aan openstaande facturen worden betaald. Eerste termijn b.v. 10 facturen totaal € 75.000, resterend bedrag van € 97.500 b.v. in 3 termijnen van € 32.500.
(…)
In de bijlage de gevraagde sheets. Nacalculatie en maandelijkse marge sheets 2014 en 2015. Afspraak is simpel, facturen GFFR worden betaald zodra er € 25K of meer aan marge per maand wordt gemaakt, op basis van deze sheets.
(…)
Ik sta open voor andere suggesties als het contract dat er nu ligt niet werkbaar is (…)

2.9.

Bij e-mail van 23 maart 2016 bericht [persoon X] aan [gedaagde 6] , voor zover hier van belang:

Ik wil voorstellen 2/3, dus 16 facturen (120.000) af te rekenen en de resterende 8 facturen te laten vervallen. Dit bedrag dient dan wel in een keer te worden voldaan op een of voor een nader over een te komen datum. Na betaling van dit bedrag zal ik geen verdere aanspraak maken op enige de betaling van facturen uit de periode 2014-2015 en kan er wat mij betreft een dikke streep onder de periode 2013/14/15.
Ten aanzien van het bestaande contract heb ik al bij je aangegeven dat ik bereid ben om over een ander contract na te denken. (…) Ik wil voorstellen eerst het financiële stuk af te werken en daarna naar een eventuele aanpassing van het bestaande contract te kijken op basis van de door [financieel directeur DHG] gedane voorstellen en de inhoud van het huidige contract.

2.10.

Bij e-mail van 24 juni 2016 bericht [persoon X] aan [gedaagde 6] , voor zover hier van belang:

In de bijlage het voorstel dat ik op 19 februari aan jou heb gestuurd m.b.t. termijnen van betalen, dit was echter voor alle facturen en niet voor het bedrag van € 120K, dat wij later zijn overeengekomen.

Ik begrijp dat de kaspositie een betaling in een keer niet toelaat, ofschoon ik denk dat er middelen moeten zijn die een betaling in een keer mogelijk moeten maken.

Ik wil hier ook in meedenken en voorstellen het bedrag in drie gelijke termijnen van € 40.000 te betalen. Eerste betaling in juni, tweede betaling in juli en laatste betaling in augustus, zodat er na de vakantie met een echt schone lei verder gegaan kan worden.

2.11.

Eveneens op 24 juni 2016 antwoordt [interim manger OFR] , op dat moment interim manager van QFR Europe, aan [persoon X] (met in de cc. [financieel directeur DHG] – financieel directeur van DHG, een bedrijf dat mede aandeelhouder is van Florencis – en [gedaagde 6] ), voor zover hier van belang:

Wij zijn nog steeds bezig een aantal zaken organisatorisch te schikken zodat we in ieder geval een start kunnen maken met betalen. Niet omwille van een afgeleide van een mogelijke contractuele verplichting maar meer vanuit een morele intentie om te zorgen dat we dit hoofdstuk af kunnen sluiten en verder kunnen gaan.

Het feit dat, naast de twee kleinere uitstaande debiteuren, met name jouw commerciële aanbod aan [debiteur 1] onze kasstroom naar de toekomst heeft verlegd maakt dat we nu niet de middelen hebben om volgens onderstaand voorstel uit te keren. We moeten je dan ook een alternatieve spreiding voorstellen. Zodra de uitstaande posten betaald gaan worden, kunnen wij uiteraard makkelijker opschalen wat betreft de uitkering van jouw fee.

Wij stellen 2 varianten voor die ik gezien de door jou opgelegde tijdsdruk nu aan je voorleg, in de wetenschap dat hiervoor nog geen finaal akkoord is verkregen van de aandeelhouders. Zodra je echter aangeeft welke variant voor jou werkbaar is, zal ik die ter goedkeuring voorleggen en jou confirmeren:

1. wij kunnen de komende drie maanden iedere maand 20K uitkeren en dit door laten lopen in de maanden erna mits en naar gelang [debiteur 1] en de andere debiteuren binnen deze 3 maanden hun verplichtingen na komen.

2. Wij keren zsm 120K uit op voorwaarde dat jij een persoonlijke garantie stelt voor dit bedrag ten aanzien van de betaling van de uitstaande debiteuren. Wanneer dit niet binnen 6 maanden ingelopen is, activeren wij de garantie en vloeit de fee terug naar QFR. Gezien het vertrouwen dat jij hebt in de regeling, is dit een relatie overzichtelijke afspraak waarbij er waarde wordt gehecht aan de rekenschap die jij neemt voor het aangaan van dergelijke overeenkomsten en tegelijkertijd jij nu snel beschikking hebt over het geld.

2.12.

Op 25 juni 2016 reageert [persoon X] op de e-mail van [interim manger OFR] (met in de cc. [gedaagde 6] en [financieel directeur DHG] , voor zover hier van belang:

Betaling van de overeengekomen managementfee is een vastgelegde, contractuele verplichting, die los staat van debiteuren positie. Mijn verplichting is het om zorg te dragen voor juiste afhandeling van zaken en betaling door debiteuren, maar er is geen sprake van een koppeling. Van persoonlijke aansprakelijkheid voor zakelijke transacties zoals jij die voorstelt in voorstel 2. kan geen enkele sprake zijn.
(…)
Om de zaken afgewerkt te krijgen wil ik voorstellen dat jullie de komende zes maanden, te beginnen in juni 2016, een bedrag van 20k per maand betalen zonder enige koppeling aan debiteuren.

(…)
Ik heb eerder al aangegeven open te staan voor het bespreken van een nieuw contract, als het bestaande contract voor jullie niet werkbaar is.

2.13.

Bij e-mail van 28 juni 2016 bericht [interim manger OFR] aan [persoon X] (met in de cc. [financieel directeur DHG] en [gedaagde 6] ), voor zover hier van belang:

Ondanks dat jij aangeeft dat er geen link is tussen uitstaande debiteuren en jouw managementfee heeft de achterliggende claim wel zijn effect op de geïncasseerde bruto marge. Het management contract is niet helder over de wijze waarop omgegaan wordt met claims en op welke wijze een dergelijke claim(afwikkeling) effect heeft op die marge. Wat wel helder is, is dat jij eigenlijk de enige bent die invloed heeft op dat proces omdat jij afspraken maakt aan beide kanten over dergelijke zaken. Hoe we hier mee omgaan, moeten we in een nieuw contract helderder maken. (…)
Het voorkomen van het in gevaar komen van de vennootschap staat in ieder geval helder in de management overeenkomst als zijnde het opschorten/aanpassen van de management fee tot het moment dat er wel weer geld is in de onderneming.

Ook [financieel directeur DHG] is van mening, en dat heeft hij je ook toegezegd, dat je het bedrag uitgekeerd moet krijgen als je daar recht toe hebt. Hij was daarbij niet op de hoogte van de uitstaande claims en de mede daardoor moeilijke financiële positie. Wat ik daarom nu aan het doen ben, is te kijken hoe we desondanks gelden beschikbaar kunnen maken om toch tot uitkering over te gaan. (…) Hier is iedereen in principe wel toe bereid als er concrete afspraken liggen met de “oude” debiteuren, en dan met name de grootste.

2.14.

Op 5 juli 2016 heeft QFR Europe een bedrag van € 20.000,-- aan VBB voldaan (voor de GFFR facturen over maart en april 2014 en een gedeelte van de factuur van mei 2014).

2.15.

Op 24 augustus 2016 verzoekt [persoon X] aan [interim manger OFR] hem te berichten wanneer de tweede betaling van € 20.000,-- zal plaatsvinden. Op 22 september 2016 vraagt [persoon X] nogmaals aan [interim manger OFR] wanneer de resterende € 100.000 wordt overgemaakt. Per e-mail van 23 september 2016 bericht [interim manger OFR] aan [persoon X] (met in de cc. [financieel directeur DHG] van [gedaagde 6] ):

De financiële positie van QFR baart enorme zorgen en zijn daarom onderwerp van gesprek tijdens de AVA volgende week. De status en aard van lopende zaken worden daarom besproken tijdens de vergadering. Gezien de financiële implicaties kan ik me voorstellen dat je dit specifieke onderwerp daarom daar naar voren wil brengen.

Op deze e-mail antwoordt [persoon X] , voor zover hier van belang:

We hebben al een akkoord en bevestiging daarvan liggen dus dat hoeft niet opnieuw besproken te worden. (…) Ik hoor van jou graag of er wel of niet betaald gaat worden.

2.16.

[persoon X] is niet aanwezig bij de algemene vergadering van aandeelhouders van QFR Europe, die plaatsvindt op 30 september 2016.

2.17.

Bij e-mail van 30 september 2016 bericht [financieel directeur DHG] aan [persoon X] , voor zover hier van belang:

Ik had je toegezegd vandaag een voorstel te doen voor een mogelijke oplossing. Heb helaas nog niet de benodigde info ontvangen, dus hoop je volgende week wel te kunnen bedienen.

2.18.

Bij brief van 13 oktober 2016 hebben [gedaagde 6] en [gedaagde 4] aan VBB bericht – voor zover hier van belang –:

Verder op de eerder verstuurde notulen van de AVA van QFR dd. 30/09/2016, hebben we besloten de activiteiten van QFR Europe te gaan staken.

(…) Onze doelstelling is om 31 januari 2017 alle openstaande activiteiten afgesloten en afgewikkeld te hebben. Voor wat betreft het formele deel betekent dit dat wij per diezelfde datum het management contract met [persoon X] Beheer BV opzeggen. Dit houdt tevens in dat QFR per direct geen commitment meer aan zal gaan met leveranciers, klanten of andere partijen en dat alle afwikkelingen met een noodzakelijke financiële consequentie in overleg gaan met de aandeelhouders vooraleer gecommitteerd. (…)
Je behoudt in deze periode de verantwoordelijkheid om je in te spannen voor een goede afwikkeling van de omzet, bruto marge en de binnenkomende betalingen van zowel de verse als oudere debiteuren. Daarnaast willen wij graag een rapportage ontvangen waarin een aantal analyses worden gedaan waarmee de aandeelhouders een inschatting kunnen maken van de omstandigheden en juridische consequenties t.a.v.: (…)

2.19.

Bij e-mail van 28 oktober 2016 bericht Strack aan [persoon X] (met in cc. [interim manger OFR] , [gedaagde 4] en [gedaagde 6] ), voor zover hier van belang:

Ik wil een voorstel doen als het eindresultaat duidelijk is. Dit houdt in dat alles netjes is afgewerkt voordat ik om tafel wil met alle aandeelhouders om de zaken af te handelen. Ik heb begrepen dat er nog crediteuren en debiteuren afgewikkeld dienen te worden. Dus op dit moment heb ik geen overzicht op de eindposities. Ik neem aan dat half november alles is afgewikkeld en als alles keurig binnen is gekomen zonder claims of andere zaken dat we snel tot zaken kunnen komen.

Op deze e-mail antwoord [persoon X] op 2 november 2016, voor zover hier van belang:

Ik wil weten of het restbedrag van € 100k waar ik contractueel recht op heb, betaald gaat worden, dat is alles. Daar staan de QFR administratie en cijfers los van.

2.20.

Op 31 december 2016 heeft VBB aan QFR Europe een factuur van € 7.500,-- exclusief BTW verzonden voor ‘voor u verrichtte managementdiensten periode 12 – december 2016’.

2.21.

Na daartoe op 12 januari 2017 verkregen verlof van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam heeft VBB op 13 januari 2017 ten laste van QFR Europe en Florencis B.V. conservatoir derdenbeslag laten leggen onder ABN AMRO Bank N.V. en ING Bank alsmede conservatoir beslag op onroerende zaken toebehorende aan [gedaagde 4] en [gedaagde 6] .

2.22.

Bij brieven van 16 januari 2017 heeft de advocaat van VBB QFR c.s. gesommeerd het in haar visie openstaande bedrag van € 178.150,00 ex rente en kosten aan VBB te voldoen. QFR c.s. heeft hieraan geen gevolg gegeven.

2.23.

Op 31 januari 2017 heeft VBB aan QFR Europe een factuur van € 7.500,-- exclusief BTW verzonden voor ‘voor u verrichtte managementdiensten periode 1 – januari 2017’.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

VBB vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, QFR c.s. hoofdelijk te veroordelen tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan VBB te voldoen:

  1. een bedrag groot € 178.150,50 (zegge: honderdachtenzeventigduizend honderdvijftig euro en vijftig eurocent) te vermeerderen met de wettelijke handelsrente, althans wettelijke rente over € 160.000,00 vanaf 4 juli 2016, althans vanaf een zo vroeg mogelijk moment en over een bedrag groot € 18.150,00 vanaf datum dagvaarding, althans vanaf een zo vroeg mogelijk moment, tot aan de dag der algehele voldoening, alsmede;

  2. een bedrag groot € 2.556,50 (zegge: tweeduizendvijfhonderdzesenvijftig euro en vijftig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf datum dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening, alsmede;

  3. de kosten van deze procedure, waaronder de kosten uit hoofde van de conservatoire beslagen, vermeerderd met de wettelijke rente over deze proceskosten vanaf de 15e dag na de dag van de uitspraak, alsmede;

  4. de nakosten ter hoogte van € 131,00 dan wel – indien betekening van de uitspraak plaatsvindt – € 199,00, vermeerderd met de wettelijke rente over deze nakosten vanaf de 15e dag na de dag van de uitspraak.

3.2.

VBB grondt haar vordering op nakoming van artikel 3.1 jo. 8.3 van de overeenkomst. Op grond van artikel 3.1 van de overeenkomst bedraagt de managementfee met ingang van april 2014 € 15.000,-- per maand. Het eerste deel van € 7.500,-- per maand is steeds voldaan door QFR Europe. Echter, VBB heeft over de maanden maart 2014 tot en met februari 2016 ook recht op het tweede deel van de managementfee van € 7.500,-- per maand (in totaal € 180.000,--). Op 4 juli 2016 heeft QFR Europe in het kader van een regeling een bedrag van € 20.000,-- voldaan (voor de maanden maart en april 2014 en een gedeelte van de factuur van mei 2014). Hiermee heeft QFR Europe de verschuldigdheid van alle facturen erkend. Nu QFR Europe vervolgens de regeling niet is nagekomen, heeft VBB de afspraken rond de betaling van een bedrag van € 120.000,-- (in plaats van het gefactureerde bedrag van € 180.000,--) ontbonden en maakt zij in het kader van deze procedure onverkort aanspraak op het gehele resterende bedrag van € 160.000,-- (€ 180.000,-- gefactureerd minus het reeds voldane bedrag van € 20.000,--).

De managementovereenkomst is door QFR Europe opgezegd tegen 31 januari 2017. De facturen met betrekking tot het eerste deel van de managementfee van € 7.500,-- over december 2016 en januari 2017 zijn tot op heden niet door QFR Europe voldaan.

De vordering jegens gedaagden 2 tot en met 6 grondt VBB op onrechtmatig handelen (bestuurdersaansprakelijkheid) en artikel 2:11 BW. Nu het bestuur van QFR meermaals schriftelijk en mondeling betaling van de GFFR facturen heeft toegezegd (en daarmee VBB heeft bewogen haar werkzaamheden voort te zetten) en QFR over (ruim) voldoende middelen heeft beschikt om die betaling(en) te kunnen doen, hebben zij onrechtmatig jegens VBB gehandeld door desondanks de vordering van VBB onbetaald te laten. Door op 4 januari 2017 het saldo van € 263.777,21 op onduidelijke gronden en met een onduidelijke bestemming van de rekening van QFR Europe af te schrijven (en daarmee aan het verhaal van VBB te onttrekken), is sprake van selectief betalen. Het statutair bestuur van QFR heeft daarmee zodanig onzorgvuldig gehandeld dat hen persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt.

3.3.

QFR c.s. concludeert tot afwijzing van de vorderingen van VBB. Zij betwist dat QFR Europe nog een bedrag aan VBB is verschuldigd. Zij voert hiertoe primair aan dat een rechtsverhouding tussen QFR Europe en GFFR ontbreekt en subsidiair dat VBB geen recht heeft op betaling van de GFFR facturen nu de geïncasseerde brutomarge van € 25.000,-- per maand niet door VBB is gerealiseerd. Dit komt voornamelijk door een groot aantal openstaande debiteuren en door afnemers ingediende claims. Voor wat betreft de nog openstaande VBB facturen geldt primair dat VBB sinds 14 oktober 2016 geen werkzaamheden in de zin van artikel 1 van de managementovereenkomst meer heeft verricht, zodat VBB geen aanspraak kan maken op de managementfee over de maanden oktober 2016 tot en met januari 2017. Subsidiair beroept QFR Europe zich op opschorting.

Voor zover VBB al een vordering heeft op QFR Europe is van bestuurdersaansprakelijkheid geen sprake.

in reconventie

3.4.

QFR c.s. vordert:

I. voor recht te verklaren dat VBB jegens QFR toerekenbaar tekort is geschoten in de uitvoering van een managementovereenkomst voor wat betreft de in conventie genoemde milieudelicten;

II. VBB te veroordelen om de als gevolg van haar toerekenbare tekortkoming inzake de gepleegde milieudelicten door QFR geleden en nog te lijden schade te vergoeden, welke schade vastgesteld zou moeten worden in een schadestaatprocedure;

III. VBB te veroordelen aan QFR te betalen de somma van € 38.150,00, vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW hierover vanaf de data dat VBB de betalingen die van deze € 38.150,00 deel uitmaken heeft ontvangen;

IV. voor recht te verklaren dat VBB heeft gehandeld in strijd met de concurrentiebedingen ex artikel 1.7 en 6.3 uit de managementovereenkomst tussen partijen;

V. VBB te veroordelen aan QFR te vergoeden alle schade die QFR heeft geleden als gevolg van de overtreding/overtredingen door VBB van de concurrentiebedingen in de managementovereenkomst tussen partijen;

VI. Voor recht te verklaren dat VBB onrechtmatig jegens [gedaagde 4] en [gedaagde 6] heeft gehandeld door ten laste van [gedaagde 4] en [gedaagde 6] conservatoir beslag te leggen op onroerende zaken van [gedaagde 4] en [gedaagde 6] en VBB te veroordelen aan [gedaagde 4] en [gedaagde 6] te vergoeden alle schade die [gedaagde 4] en [gedaagde 6] hebben geleden dan wel nog zullen lijden als gevolg van die onrechtmatige beslagleggingen;

VII. met veroordeling van VBB in de proceskosten, waaronder de nakosten.

3.5.

VBB voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen in reconventie met veroordeling van QFR c.s. in de proceskosten.

3.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie

GFFR

4.1.

Het primaire verweer van QFR c.s. dat de facturen van GFFR niet toewijsbaar zijn, nu GFFR geen partij is bij de managementovereenkomst noch bij deze procedure, kan niet slagen. QFR Europe was en is ervan op de hoogte dat VBB het tweede deel van de managementfee factureerde via GFFR en heeft hier ook nimmer tegen geprotesteerd. Dit volgt reeds uit de e-mailwisseling tussen [persoon X] en [gedaagde 4] in december 2014 (zie hiervoor onder 2.6.) en ook in de andere correspondentie wordt consequent gesproken over de GFFR facturen. VBB kan dan ook op basis van de managementovereenkomst betaling van deze facturen vorderen.

Inhoud overeenkomst

4.2.

VBB beroept zich ter onderbouwing van haar vordering op artikel 3.1 jo. 8.3 van de overeenkomst. Nu QFR c.s. betwist dat uit voornoemde artikelen volgt dat VBB recht heeft op het gevorderde bedrag, staat dat in de onderhavige procedure niet vast.

4.3.

Ter comparitie is gebleken dat partijen het erover eens zijn dat de managementfee met ingang van 1 december 2013 bestond uit een vast deel van € 7.500,-- per maand. Aan de uitbetaling van dit deel waren geen voorwaarden verbonden. Tot en met november 2016 is dit deel van de managementfee ook steeds door QFR Europe uitgekeerd.

4.4.

Vanaf 1 april 2014 werd de managementfee ingevolge artikel 3.1 van de overeenkomst met € 7.500,-- verhoogd tot € 15.000,-- per maand. Dit tweede deel van € 7.500,-- zou ingevolge artikel 8.3 van de overeenkomst worden uitgekeerd, indien VBB een geïncasseerde brutomarge van € 25.000,-- per maand zou realiseren. Ter comparitie is gebleken dat partijen het in zoverre met elkaar eens zijn. VBB heeft met ingang van 1 maart 2014 dit tweede deel van € 7.500,-- per maand gefactureerd via GFFR. Op een betaling van € 20.000,-- na zijn deze facturen niet voldaan door QFR Europe. VBB vordert thans betaling van de GFFR facturen.

4.5.

VBB stelt dat zij de overeengekomen brutomarge van € 25.000,-- heeft behaald en verwijst daartoe naar de door haar opgestelde berekeningen die maandelijks aan QFR Europe zijn toegezonden (overgelegd als producties 36 tot en met 40, 44 en 45 aan de zijde van VBB). Uit de minnelijke regeling van juli 2016 en de eerste betaling van € 20.000 volgt, dat QFR Europe heeft erkend dat VBB recht heeft op uitbetaling van de GFFR facturen, aldus VBB. QFR Europe voert hiertegen in de kern aan dat geen recht bestaat op uitbetaling van deze facturen, nu de overeengekomen brutomarge van artikel 8.3 van de overeenkomst niet is gehaald. De berekening van VBB van de brutomarge is onvolledig, nu hierin niet de claims en openstaande debiteuren zijn meegenomen. QFR Europe verwijst hiervoor naar haar berekening overgelegd als producties 27 en 28, hetgeen een herberekening van productie 38 aan de zijde van VBB betreft. Uit deze berekening volgt dat de brutomarge van € 25.000,-- per maand niet is gehaald. Er is nimmer toegezegd dat de GFFR facturen zullen worden voldaan, aldus QFR.

4.6.

De vraag die rijst is of tussen partijen wilsovereenstemming bestond over de wijze van berekening van de brutomarge of dat artikel 8.3 van de overeenkomst een leemte vertoont op dit punt. Die vraag dient te worden beantwoord aan de hand van de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de bepalingen van die overeenkomst mochten toekennen en op hetgeen zij, mede gelet op de maatschappelijke kring waartoe zij behoren en de rechtskennis die van hen kan worden gevergd, te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (HR 14 juni 2013, ECLI: NL: HR:2013:BZ3749, Koersplan, met verwijzing naar HR 13 maart 1981, LJN AG4158, NJ 1981/625, Haviltex).

4.7.

De rechtbank stelt voorop dat partijen die met elkaar gaan onderhandelen over het tot stand brengen van een overeenkomst tot elkaar komen te staan in een rechtsverhouding die mede wordt beheerst door hetgeen de eisen van redelijkheid en billijkheid meebrengen.

4.8.

In dat kader worden de volgende feiten en omstandigheden van belang geacht. Uit de tekst van artikel 8.3 van de overeenkomst volgt duidelijk dat aan uitkering van de managementfee – zoals hiervoor overwogen onder 4.4. het tweede deel van die fee van € 7.500,-- per maand – de voorwaarde is verbonden dat een bepaalde maandelijkse brutomarge zou worden gerealiseerd én dat deze ook moest zijn geïncasseerd. Het ging er om – zoals door [gedaagde 4] ter comparitie verklaard – dat het geld om de managementfee uit te keren ook daadwerkelijk in de kas van QFR Europe moest zitten. Verder blijkt uit artikel 8.3 van de overeenkomst dat de managementfee zou worden aangepast als gedurende een periode van twaalf maanden de brutomarge minder dan € 25.000,-- zou bedragen.

Uit diverse e-mails van [persoon X] (zie onder meer de e-mails van 16 december 2014 hiervoor opgenomen onder 2.6) blijkt dat hij ervan op de hoogte was dat de regeling van artikel 8.3 was opgenomen in de overeenkomst om te waarborgen dat het tweede deel van de managementfee alleen zou worden uitbetaald als de financiële situatie van QFR Europe dit zou toelaten.

4.9.

Ter comparitie is verder gebleken dat partijen onvoldoende hebben nagedacht over de gevolgen van claims op de hoogte van de brutomarge en hoe dit bij de berekening van de geïncasseerde brutomarge dient te worden meegenomen. Wel volgt uit de correspondentie duidelijk dat er reeds in 2014 zorgen waren over de liquiditeitspositie van QFR Europe. Verder ontstonden problemen doordat leveranciers claims van afnemers betwistten dan wel de claims erkenden maar niet tot betaling overgingen. Dit terwijl aan de afnemer door QFR Europe wel reeds een creditnota was verzonden. Dat de creditnota reeds werd verzonden, was om hoge demurrage kosten als gevolg van het niet ophalen van de zending door de afnemer te voorkomen. Het ligt voor de hand dat dit invloed had op de geïncasseerde brutomarge en op de liquiditeitspositie van QFR Europe. Gelet op artikel 8.3 van de overeenkomst had het in de rede gelegen dat partijen bij het ontstaan van de problemen met betrekking tot de claims en openstaande debiteuren nader zouden hebben overlegd over de managementfee en de berekening van de overeengekomen brutomarge. Dit is niet gebeurd. In de correspondentie is terug te lezen dat QFR Europe hierover wel wilde praten. VBB heeft zich op het standpunt gesteld dat de overeenkomst duidelijk was en claims niet dienden te worden meegerekend, zodat eerst de voorgaande maanden moesten worden uitbetaald voordat kon worden gesproken over een nieuw contract. QFR Europe hield vast aan haar standpunt dat er niet voldoende geld in kas was om uit te keren vanwege de claims.

De uitleg die VBB geeft aan artikel 8.3 van de overeenkomst, te weten dat de afhandeling van claims niet dient te worden meegenomen in de berekening van de geïncasseerde brutomarge, kan in het licht van het voorgaande en gelet op de hiervoor weergegeven Koersplan / Haviltex maatstaf, niet worden gevolgd. Een recht op volledige betaling van managementfee terwijl het geld niet in kas zit, zou immers betekenen dat VBB geen enkel risico zou lopen in geval van claims die leiden tot openstaande debiteuren. Dit terwijl het vastleggen van een minimale brutomarge, die niet alleen gerealiseerd maar ook geïncasseerd moest zijn, juist moest voorkomen dat betaling van de managementfee de continuïteit van QFR Europe in gevaar zou brengen.

4.10.

Gelet op de hiervoor geschetste feiten en omstandigheden wordt overwogen dat sprake is van een leemte in de overeenkomst tussen VBB en QFR, nu in artikel 8.3 niet is voorzien in een regeling die ziet op de wijze van berekening van de geïncasseerde bruto marge en wat daarin wel en niet dient te worden meegenomen, met name inzake de claims. Partijen hebben, zo is ter comparitie gebleken, over het artikel niet uitvoerig onderhandeld en ook bij het aanhouden van problemen op dit punt niet conform het bepaalde in artikel 8.3 de overeenkomst aangepast dan wel aangevuld. De overeenkomst vertoont derhalve een leemte.

4.11.

Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord hoe deze leemte moet worden aangevuld. Op de voet van artikel 6:248 lid 1 BW heeft een overeenkomst ook de rechtsgevolgen die, naar de aard van de overeenkomst, uit de wet, de gewoonte of de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeien. Nu er noch een wetsbepaling noch een gewoonte valt aan te wijzen waardoor de lacune kan worden aangevuld, dient dit aan de hand van de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid te geschieden.

4.12.

In artikel 8.3 van de overeenkomst staat dat VBB een minimale geïncasseerde brutomarge moet realiseren voordat het tweede deel van de managementfee wordt uitgekeerd. Dit in combinatie met een opschortingsregeling bij het niet behalen van de afgesproken brutomarge en een aanpassing van de managementfee bij het uitblijven van een lagere brutomarge gedurende twaalf maanden. Een en ander om – blijkens de tekst van het artikel alsmede de verklaring van partijen – de continuïteit van de vennootschap niet in gevaar te brengen. Uit het toevoegen van artikel 8.3 aan de overeenkomst door [gedaagde 4] valt af te leiden – en moet VBB hebben begrepen – dat QFR Europe alleen het tweede deel van de managementfee wilde uitkeren indien gerealiseerde omzet ook daadwerkelijk was geïncasseerd. Dat tegen die achtergrond eventuele claims van afnemers – die invloed hebben op de geïncasseerde bruto marge – dienen te worden meegerekend, ligt in de visie van de rechtbank in de gegeven omstandigheden ook in de rede. Derhalve zal de rechtbank de leemte in de overeenkomst zo invullen dat het effect hetzelfde is als wanneer partijen uitdrukkelijk zouden zijn overeengekomen dat claims onderdeel zijn van de berekening van de geïncasseerde bruto marge.

4.13.

In het licht van voorgaande aanvulling is een berekening van de geïncasseerde brutomarge en afrekening van de managementfee per maand, zoals gesteld door VBB en ook uit de tekst van de overeenkomst lijkt te volgen, niet mogelijk. Claims worden immers over het algemeen door de afnemer ingediend bij ontvangst van de lading, welk moment – onder meer gelet op de vaartijd van gemiddeld 40 à 50 dagen, welke vaartijd door VBB niet is betwist – later ligt dan de maand waarin de deal is gesloten. Bovendien was ook sprake van afnemers die op krediet kochten, zodat – anders dan in geval van een betaling via een L/C of CAD – sprake was van betalingen die later dan een maand na verscheping werden ontvangen dan wel tot op heden niet zijn ontvangen. Onder deze omstandigheden kan de (gemiddelde) geïncasseerde bruto marge per maand alleen achteraf na afloop van een jaar worden berekend.

4.14.

De vordering van VBB ten aanzien van de GFFR facturen ziet op facturen over de maanden mei 2014 tot en met februari 2016. Uitgaande van de berekening door VBB van de geïncasseerde bruto marge over de gefactureerde maanden van 2014 (productie 36 aan de zijde van VBB) en 2016 (productie 38 aan de zijde van VBB), is over die maanden – reeds zonder rekening te houden met de claims – gemiddeld een geïncasseerde bruto marge van minder dan € 25.000,-- per maand gerealiseerd. Ook over 2015 is geen gemiddeld geïncasseerde bruto marge van € 25.000,-- of meer gerealiseerd door VBB. Dit volgt uit de berekeningen door QFR Europe van de brutomarge over 2015 waarin – in tegenstelling tot de door VBB als producties 37 en 38 overgelegde berekeningen over 2015 – de claims en openstaande debiteuren zijn meegenomen (producties 27 en 28 aan de zijde van QFR c.s.). VBB heeft deze berekening betwist door aan te geven dat ten onrechte de claims zijn meegenomen, maar heeft niet onderbouwd gesteld dat de geïncasseerde brutomarge van € 25.000,-- per maand ook zou zijn gehaald als de claims wel zouden worden meegenomen in de berekening. Gelet op artikel 8.3 van de overeenkomst aangevuld op de wijze als hiervoor onder 4.12 overwogen, geven de resultaten van 2015 dan ook geen recht op uitkering van de GFFR facturen over 2015 en evenmin op uitkering van de in 2014 op grond van artikel 8.3 opgeschorte GFFR facturen.

4.15.

De stelling van VBB dat QFR Europe met de betaling van € 20.000,-- op 5 juli 2016 heeft erkend, dat VBB recht heeft op uitbetaling van alle GFFR facturen, kan niet slagen. In de e-mail correspondentie voorafgaande aan alsmede volgend op die betaling is steeds het voorbehoud gemaakt ten aanzien van de financiële positie van QFR Europe en met name de afwikkeling van claims (zie onder meer de hiervoor onder 2.11, 2.13 en 2.15 opgenomen e-mails). Op 24 juni 2016 deelt [interim manger OFR] expliciet mee dat een eventuele betaling niet is “omwille van een afgeleide van een mogelijke contractuele verplichting maar meer vanuit een morele intentie om te zorgen dat we dit hoofdstuk af kunnen sluiten en verder kunnen gaan.”

Gelet op het voorgaande in samenhang bezien met hetgeen hiervoor onder 4.12. is overwogen, is van een erkenning van een recht op uitbetaling dan ook geen sprake.

4.16.

VBB heeft nog gesteld dat zij de afgesproken brutomarge in 2014 niet heeft kunnen realiseren, doordat [gedaagde 4] het toegezegde werkkapitaal niet aan QFR Europe heeft verschaft. QFR c.s. kan dan ook gelet op artikel 6:23 BW geen beroep doen op het gestelde niet behalen van een maandelijkse brutomarge van € 25.000,--, aldus VBB. Los van de vraag of de vervulling van de opschortende voorwaarde hierdoor inderdaad is belet – hetgeen door VBB niet voldoende onderbouwd is gesteld – heeft VBB geen feiten of omstandigheden gesteld waaruit zou volgen dat QFR Europe – die zich op artikel 8.3 van de overeenkomst beroept – belang zou hebben bij de niet-vervulling. Integendeel, voor de continuïteit van QFR Europe was het juist van belang dat er voldoende geïncasseerde brutomarge zou worden gerealiseerd. Vervulling van de voorwaarde was derhalve juist ook in het belang van QFR Europe. Het beroep op artikel 6:23 BW gaat dan ook niet op.

Tussenconclusie ten aanzien van de GFFR facturen

4.17.

In het licht van het voorgaande is de in artikel 8.3 van de overeenkomst overeengekomen tegenprestatie niet gerealiseerd door VBB, zodat de GFFR facturen niet uitkeerbaar zijn en de vordering ten aanzien van die facturen wordt afgewezen. Gelet hierop behoeft de vraag of en zo ja waarom QFR Europe niet over voldoende financiële middelen beschikt om tot betaling van de GFFR facturen over te gaan geen verdere behandeling.

Ten aanzien van de VBB facturen over december 2016 en januari 2017

4.18.

QFR c.s. heeft aangevoerd dat VBB geen recht heeft op betaling van het eerste deel van de managementfee over de maanden december 2016 en januari 2017, nu VBB geen werkzaamheden in deze maanden heeft verricht en de in artikel 8.3 van de overeenkomst opgenomen geïncasseerde brutomarge niet heeft gerealiseerd. Dit verweer kan niet slagen. Gelet op hetgeen hiervoor onder 4.3 en 4.4 is overwogen, is de uitbetaling van het eerste deel van de managementfee niet aan de in artikel 8.3 van de overeenkomst opgenomen voorwaarden verbonden. QFR Europe heeft de overeenkomst op 13 oktober 2016 per brief opgezegd tegen 31 januari 2017, waarbij zij tevens heeft aangegeven dat de activiteiten van de vennootschap – en daarmee de werkzaamheden van VBB – per direct zouden worden beëindigd. VBB heeft echter met stukken gestaafd (onder meer productie 73) dat hij in het kader van de afwikkeling werkzaamheden is blijven verrichten na 13 oktober 2016.

4.19.

Ook het door QFR c.s. gedane beroep op opschorting in verband met door haar geleden schade wordt verworpen. De door haar gestelde schade wegens door VBB gepleegde milieudelicten dan wel overtreding van het non concurrentiebeding wordt hierna in de reconventie afgewezen. Gelet hierop kwam op grond hiervan QFR Europe ook geen recht van opschorting toe. Ten aanzien van het achterhouden van de computer met bedrijfsgegevens en de daardoor door QFR gestelde schade overweegt de rechtbank als volgt. Bij de beoordeling of een bepaalde opschorting gerechtvaardigd is, spelen de redelijkheid en billijkheid een belangrijke rol. De rechtbank acht de opschorting van QFR Europe niet gerechtvaardigd. Los van de vraag of QFR Europe schade heeft geleden als gevolg van de omstandigheid dat de computer na het staken van de activiteiten nog in bezit van VBB was, volgt uit de door partijen overgelegde correspondentie dat beide partijen debet zijn aan het niet komen tot een moment van overhandigen van de computer aan QFR Europe.

4.20.

Onder deze omstandigheden is QFR Europe tot het einde van de looptijd het eerste deel van de managementfee verschuldigd, zodat de vordering ten aanzien van een bedrag van € 18.150,50 zal worden toegewezen jegens QFR Europe.

Bestuurdersaansprakelijkheid gedaagden 2 tot en met 5

4.21.

In de kern verwijt VBB de bestuurders van QFR Europe dat zij op 4 januari 2017 het saldo van de rekening van QFR Europe hebben laten afboeken. Deze rekening werd op die datum – en ook ruim daarvoor – echter beheerd door ABN AMRO Commercial Finance, die in het kader van een kredietarrangement de gelden heeft gesaldeerd met negatieve saldi op andere rekeningen van dochtervennootschappen van Florencis. Verdere (bijkomende) omstandigheden op grond waarvan gedaagden 2 tot en met 5 onrechtmatig jegens VBB zouden hebben gehandeld, zijn gesteld noch gebleken. De vorderingen ten aanzien van gedaagden 2 tot en met 5 worden dan ook afgewezen.

Buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten

4.22.

VBB maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De rechtbank stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is nu het verzuim na 1 juli 2012 is ingetreden. VBB heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. QFR c.s. heeft deze kosten niet betwist. De rechtbank zal het bedrag toewijzen tot het wettelijke tarief.

4.23.

Nu partijen over en weer in het gelijk zijn gesteld, zullen de proceskosten – waaronder de beslagkosten – worden gecompenseerd op de hierna te vermelden wijze. Nu de proceskosten worden gecompenseerd, zijn de gevorderde nakosten niet toewijsbaar.

in reconventie

Ten aanzien van vordering I en II (milieudelicten)

4.24.

Onder verwijzing naar processen-verbaal van het strafrechtelijk onderzoek naar twee zendingen van QFR Europe, stelt QFR c.s. zich op het standpunt dat VBB toerekenbaar tekort is geschoten in de uitvoering van de managementovereenkomst en QFR Europe als gevolg daarvan schade heeft geleden. Nu VBB zulks betwist lag het op de weg van QFR Europe om concreet te onderbouwen waaruit de tekortkoming van VBB heeft bestaan. Die nadere onderbouwing heeft QFR Europe niet gegeven. De enkele verwijzing naar omvangrijke processen-verbaal zonder nadere specificering is hiervoor onvoldoende. De vordering onder I. en II. worden dan ook afgewezen.

Ten aanzien van vordering III (onverschuldigde betalingen)

4.25.

De vordering van QFR Europe bestaat uit twee delen, te weten het op 5 juli 2016 betaalde bedrag van € 20.000,-- en de VBB facturen over oktober en november 2016, in totaal een bedrag van € 18.150,00. QFR Europe stelt zich op het standpunt dat deze bedragen onverschuldigd zijn betaald. Aangezien VBB de geïncasseerde brutomarge van € 25.000,-- niet heeft gerealiseerd, had zij geen recht op de betaling van € 20.000,--. Nu VBB na de opzegging van 13 oktober 2016 geen werkzaamheden meer heeft verricht, had zij geen recht op de managementfee over de maanden oktober en november 2016, aldus QFR c.s.

4.26.

Ten aanzien van de VBB facturen verwijst de rechtbank naar hetgeen zij hiervoor onder 4.18 heeft overwogen. De vordering wordt voor wat betreft de terugvordering van de VBB facturen afgewezen.

4.27.

Ook de vordering ten aanzien van het op 5 juli 2016 betaalde bedrag van
€ 20.000,-- wordt afgewezen. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt. Uit artikel 8.3 van de overeenkomst volgt niet dat VBB geen recht heeft op uitkering van de managementfee als de overeengekomen brutomarge niet wordt gerealiseerd. Er staat dat uitkering van de managementfee wordt opgeschort. Indien de overeengekomen brutomarge gedurende twaalf maanden niet wordt gerealiseerd, dan wordt de managementfee gecorrigeerd zodanig dat de continuïteit van QFR Europe niet in gevaar komt. Met andere woorden, er is volgens artikel 8.3 van de overeenkomst geen sprake van verval van recht op uitkering maar van aanpassing van de hoogte van de managementfee aan de financiële ruimte. Gelet hierop had het op de weg van partijen gelegen om reeds na het eerste jaar van de overeenkomst (december 2014) in overleg te treden om te bezien of en zo ja welk bedrag van de management fee eventueel wel uitkeerbaar zou zijn, een en ander gelet op de gerealiseerde brutomarge en de financiële ruimte. Nu dat niet door partijen is gedaan, kan niet worden geoordeeld dat de uitgekeerde € 20.000,-- onverschuldigd is betaald. Schijnbaar was QFR Europe op dat moment van oordeel dat dit bedrag van de management kon worden uitgekeerd. Evenmin kan worden QFR c.s. worden gevolgd in haar stelling dat de uitkering in 2016 van de managementfee over een drietal maanden in 2014 een voorschot betrof. QFR c.s. heeft nog aangevoerd dat [gedaagde 4] niet bij de betaling betrokken was en dat [persoon X] op de hoogte was dat [gedaagde 6] en [gedaagde 4] alleen gezamenlijk bevoegd waren. [gedaagde 6] heeft echter ter comparitie ook verklaard, dat hij – wegens de slechte verstandhouding tussen [gedaagde 4] en [persoon X] – sinds twee jaar het contact met [persoon X] onderhield. Gelet hierop mocht [persoon X] erop vertrouwen dat [gedaagde 6] tevens namens [gedaagde 4] handelde.

Ten aanzien van vordering IV en V (overtreding non concurrentiebeding)

4.28.

QFR c.s. stelt dat VBB in strijd met het non concurrentiebeding uit de overeenkomst heeft gehandeld door begin 2017 werkzaamheden te verrichten voor Eurasia Fibre N.V. en dat zij daardoor schade heeft geleden. Nu QFR Europe de managementovereenkomst per 31 januari 2017 heeft opgezegd en per 13 oktober 2016 haar activiteiten heeft gestaakt, kan in redelijkheid niet meer worden gesproken van concurrerende werkzaamheden, ook niet als dit dezelfde werkzaamheden omvat als VBB voor 13 oktober 2016 voor QFR Europe verrichtte. Aangezien QFR Europe haar activiteiten had gestaakt, valt niet in te zien welke schade QFR Europe zou hebben geleden als gevolg van de werkzaamheden van VBB voor Eurasia Fibre N.V. De stelling dat VBB daardoor niet beschikbaar was voor de werkzaamheden die zij voor QFR Europe diende te verrichten, is onvoldoende onderbouwd. De werkzaamheden bestonden sinds oktober 2016 immers alleen nog uit afwikkeling van lopende zaken, hetgeen bovendien grotendeels in 2016 is afgerond. De vorderingen onder IV en V worden dan ook afgewezen.

Ten aanzien van vordering VI (conservatoir beslag)

4.29.

QFR c.s. stelt dat VBB onrechtmatig jegens [gedaagde 4] en [gedaagde 6] heeft gehandeld door beslag op hun woningen te leggen, waardoor zij schade hebben geleden. Zij zijn hierdoor niet in staat hun woningen te verkopen, ook moeten zij extra informatie verschaffen aan de financiers van hun onderneming/ondernemingen en is hen gevraagd om extra zekerheden te verschaffen.

4.30.

De rechtbank overweegt als volgt. Aangezien – zoals hierboven in conventie is uiteengezet – de vordering ter verzekering waarvan de beslagen onder [gedaagde 4] en [gedaagde 6] zijn gelegd ongegrond is, is VBB in beginsel aansprakelijk voor de gevolgen van de door haar gelegde beslagen. Dat [gedaagde 4] en [gedaagde 6] kosten hebben gemaakt en/of schade hebben geleden, hebben zij niet gemotiveerd gesteld, hetgeen in het kader van het gevoerde debat wel op hun weg had gelegen. Dat zij door de beslagen schade hebben geleden, acht de rechtbank dan ook onaannemelijk. Daarom wordt de vordering VBB te veroordelen tot het vergoeden van alle schade die zij hebben geleden dan wel nog zullen lijden als gevolg van de conservatoire beslagen afgewezen. Gelet hierop hebben [gedaagde 4] en [gedaagde 6] geen belang bij de gevorderde verklaring van recht, zodat ook deze wordt afgewezen.

Conclusie

4.32.

QFR c.s. zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van VBB worden begroot op:

salaris advocaat € 452,00 (2,0 punten × factor 0,5 × tarief € 452,00)

Totaal € 452,00

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

veroordeelt QFR Europe aan VBB te betalen een bedrag van € 18.150,00 (achttienduizendéénhonderdvijftig euro), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119a BW over het toegewezen bedrag telkens vanaf 30 dagen na de aanvang van de dag, volgende op die waarop QFR Europe de factuur heeft ontvangen, tot de dag van volledige betaling,

5.2.

veroordeelt QFR Europe aan VBB te betalen een bedrag van € 1.282,50 (éénduizend tweehonderd tweeëntachtig euro en vijftig eurocent) aan buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW vanaf 27 januari 2017 tot de dag van volledige betaling,

5.3.

verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

5.6.

wijst de vorderingen af,

5.7.

veroordeelt QFR c.s. in de proceskosten, aan de zijde van VBB tot op heden begroot op € 452,00,

5.8.

verklaart dit vonnis in reconventie wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.D. Overbeek en in het openbaar uitgesproken op 2 augustus 2017.1

1 1729/2846