Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:6088

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
02-08-2017
Datum publicatie
08-08-2017
Zaaknummer
C/10/503058 / HA ZA 16-546
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser vordert een verklaring voor recht dat hij eigenaar is van bepaalde percelen grond. Verjaring. (Criterium voor) inbezitneming: HR 18 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2743. Artt. 3:105 lid 1 BW, 3:306 BW, 3:314 lid 2 BW, 3:108 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel

zaaknummer: C/10/503058 / HA ZA 16-546

vonnis van 2 augustus 2017

in de zaak van

[eiser]

wonende te Dordrecht,

eiser in conventie, verweerder in reconventie,

advocaat mr. T.A. Vermeulen,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon GEMEENTE DORDRECHT,

zetelende te Dordrecht,

gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,

advocaat mr. J.C. Hol.

Partijen worden hieronder aangeduid als [eiser] en de Gemeente.

1 Het procesverloop

De rechtbank heeft kennis genomen van de volgende processtukken:

- de dagvaarding van 31 mei 2016;

- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie;

- de conclusie van antwoord in reconventie;

- de door partijen overgelegde producties;

- de oproepingsbrief van de griffier van 30 november 2016,

- het proces-verbaal van de zitting van 3 februari 2017.

2 De vaststaande feiten

2.1

Aan de [straatnaam 1] te Dordrecht ligt een perceel grond met woonhuis, kadastraal bekend gemeente Dubbeldam, [perceel A] . Verder wordt dit perceel [A] genoemd.

2.2

Perceel [A] grenst aan de volgende percelen, beiden kadastraal bekend gemeente Dubbeldam sectie A:

a. [perceel B] (een weitje naast perceel [A] );

b. [perceel C] (een in 1990 gedempte sloot achter perceel [A] ).

De Gemeente is volgens het kadaster eigenaar van beide percelen (productie 2 bij antwoord in reconventie). Een kaartje van de percelen is aan dit vonnis gehecht, uitsluitend met de bedoeling het lezen van dit vonnis makkelijker te maken.

2.3

Perceel [A] was achtereenvolgens in eigendom van:

[persoon X] van 16 december 1976 tot zijn overlijden op 6 december 2011;

[persoon Y] van 6 december 2011 tot 2 november 2012;

[perzoon Z] van 2 november 2012 tot 19 december 2012.

2.4

[perzoon Z] heeft perceel [A] aan (zijn zoon) [eiser] verkocht. Op 19 december 2012 is het perceel aan hem geleverd (akte van levering productie 2 bij dagvaarding).

[eiser] woont in het woonhuis op perceel [A] .

2.5

[eiser] heeft perceel [C] (deels) in gebruik is als terras en tuin. Perceel [B] is als weidegrond bij [eiser] in gebruik.

2.6

Bij brief van 2 januari 2013 heeft [eiser] bij de Gemeente een aanvraag ingediend om het bij hem in gebruik zijnde perceel [B] te kopen. In de aanvraag (productie 4 bij antwoord in conventie) staat, voor zover van belang:

(…) Sinds 1 november 2012 ben ik eigenaar van het naast gelegen perceel (perceelnummer [A] ). Het perceel waar het nu om gaat is al ca. 40 jaar in gebruik geweest bij de vorige eigenaren en is nu in gebruik bij mij. Graag zou ik in tegenstelling tot de vorige bewoners wel officieel eigenaar worden van het perceel grond voor het aanleggen van een siertuin en het maken van een uitrit. (…)

Graag hoor ik zo spoedig mogelijk wat de mogelijkheden zij en wat dit zou gaan kosten. (…)

Partijen hebben tot in 2015 onderhandeld over koop en huur, maar zij zijn het niet eens geworden.

2.7

In een e-mail van 5 april 2014 (productie 7 bij antwoord in conventie) heeft [eiser] aan de Gemeente gevraagd om perceel [C] te mogen kopen. Deze e-mail houdt, voor zover hier van belang, in:

(…)

Tevens wil ik u vragen wat de mogelijkheden zijn met perceel [C] wat aan mijn tuin grenst. Dit is deels sloot en deels reeds gedempte sloot. (met toestemming van de gemeente Dordrecht.) Fam. [persoon X] heeft toendertijd blijkbaar besloten dit gedeelte er niet bij te kopen, zoals bij vrijwel alle andere percelen wel is gebeurd. Ik zou dit er graag alsnog bijkopen (…)

Graag zou ik ook hiervan horen wat de mogelijkheden zijn en/of de eventuele prijs.(…)

Partijen hebben tot in 2015 onderhandeld over koop, maar zij zijn het niets eens geworden.

2.8

In een brief van 18 juni 2015 (productie 13 bij dagvaarding) heeft de raadsman van [eiser] de Gemeente uitgelegd dat [eiser] reeds door verjaring eigenaar was geworden van percelen [B] en [C] , omdat perceel [B] al 40 jaar in gebruik was (hem en) zijn rechtsvoorgangers en perceel [C] al meer dan 20 jaar, zodat koop en huur niet meer aan de orde kunnen zijn.

3 De vorderingen

In conventie

3.1

[eiser] vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,

1. verklaart voor recht dat [eiser] eigenaar is van

a. een perceel grond kadastraal bekend gemeente Dubbeldam sectie A perceelnummer [B] gedeeltelijk;

b. een perceel grondgemeente Dubbeldam sectie A perceelnummer [C]

(een en ander als weergegeven op productie 1 bij de dagvaarding);

2. de Gemeente veroordeelt om binnen een maand na betekening van het vonnis mee te werken om de juridische en kadastrale toestand met elkaar in overeenstemming te brengen, met een dwangsom;

3. [eiser] machtigt de veroordeling zelf ten uitvoer te leggen;

4. de Gemeente veroordeelt in de kosten van de procedure.

3.2

[eiser] legt het volgende aan de vordering ten grondslag.

[persoon X] heeft percelen [B] en [C] meer dan 25 jaar voor zijn dood in zijn bezit gehad. De opvolgende eigenaren hebben dit gebruik voortgezet, zodat [eiser] door verjaring eigenaar is geworden van beide perceelsgedeelten.

3.3

De Gemeente concludeert tot afwijzing van de vordering met veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad, van [eiser] in de proceskosten met rente en nakosten.

De Gemeente betwist dat [eiser] en zijn rechtsvoorgangers de percelen [C] en [B] in hun bezit hebben gehad.

In reconventie

3.4

De Gemeente vordert dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, verklaart voor recht dat de Gemeente eigenaar is van percelen [B] en [C] en dat [eiser] beide percelen met al het zijne en de zijnen zal ontruimen met een dwangsom en met machtiging van de Gemeente om de percelen zelf te ontruimen met nevenvorderingen en met veroordeling van [eiser] in de proceskosten met rente en nakosten.

3.5

De Gemeente legt het volgende aan de vordering ten grondslag.

De Gemeente is eigenaar bevoegd de beide percelen, die [eiser] gebruikt zonder recht of titel, op te eisen (artikel 5:2 BW).

3.6

[eiser] concludeert tot afwijzing van de vordering met veroordeling van de Gemeente in de kosten van de procedure. [eiser] voert als verweer aan dat hij door verjaring eigenaar is geworden van beide percelen.

4 De beoordeling van het geschil

in conventie en in reconventie

4.1

Gelet op de registratie in het kadaster moet de Gemeente als eigenaar van percelen [B] en [C] worden aangemerkt, tenzij [eiser] daarvan door verjaring eigenaar is geworden.

4.2

Indien [eiser] de percelen in bezit had op het tijdstip waarop de verjaring van de rechtsvordering strekkende tot beëindiging van het bezit wordt voltooid, verkrijgt hij de percelen (art 3:105 lid 1 BW). Een rechtsvordering tot beëindiging van bezit verjaart twintig jaar (artikel 3:306 BW) na de dag waarop de niet-rechthebbende bezitter is geworden van de percelen (artikel 3:314 lid 2 BW).

4.3

De Hoge Raad heeft het criterium voor inbezitneming als volgt samengevat (HR 18 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2743):

‘3.4.2 (…) Voor de beantwoording van de vraag of iemand een zaak in bezit heeft genomen, is bepalend of hij de feitelijke macht over die zaak is gaan uitoefenen (art. 3:113 lid 1 BW). Indien de zaak in het bezit van een ander is, zijn enkele op zichzelf staande machtsuitoefeningen voor inbezitneming onvoldoende (art. 3:113 lid 2 BW). De machtsuitoefening moet derhalve zodanig zijn dat deze naar verkeersopvatting het bezit van de oorspronkelijke bezitter teniet doet (Parl. Gesch. Boek 3, p. 434). Het antwoord op de vraag of iemand de voor bezit vereiste feitelijke macht uitoefent wordt, evenals de vraag of hij voor zichzelf of voor een ander houdt, bepaald naar verkeersopvatting en overigens op grond van uiterlijke feiten (art. 3:108 BW).’

4.3

Perceel [B] ; het weitje.

4.3.1

[eiser] stelt dat [persoon X] ruim 25 jaar voor zijn overlijden (op 6 december 2011) het weitje in bezit had genomen als door hem omheinde kalverweide, die alleen toegankelijk was via perceel [A] (dagvaarding onder 4), zonder dat daarvoor een gebruiksovereenkomst was gesloten met de Gemeente en zonder dat [persoon X] de Gemeente een vergoeding betaalde (dagvaarding onder 7, antwoord reconventie onder 8).

4.3.2

Indien de gestelde feiten zouden vaststaan, hetgeen de gemeente betwist, geldt het volgende. [persoon X] heeft de feitelijke macht over het weitje uitgeoefend door dit te omheinen, maar daaruit valt niet zonder meer af te leiden of hij voor zichzelf of voor een ander houdt; de pretentie om voor zichzelf te houden kan uit het enkele omheinen niet worden afgeleid. Een huurder of gebruiker van een weiland doet immers hetzelfde. Nu [persoon X] geen bezitter is geworden, kan geen sprake zijn van verjaring van de rechtsvordering strekkende tot beëindiging van het bezit en dus ook niet van verkrijgende verjaring.

4.4

Perceel [C] ; de gedempte sloot

4.4.1

[eiser] stelt ten aanzien van het bezit het volgende. [persoon X] heeft de sloot in 1990 op zijn kosten en zonder toestemming van de gemeente gedempt. Het gedempte stuk sloot vormt één geheel met de tuin van perceel [A] . Deze tuin is bestraat en er is een hek omheen geplaatst (dagvaarding onder 4 en proces-verbaal).

4.4.2

Indien de gestelde feiten zouden vaststaan, hetgeen de gemeente betwist, geldt het volgende. Vast staat dat [persoon X] de sloot in 1990 heeft gedempt en het zo ontstane perceelsgedeelte van [C] in gebruik heeft genomen. Uit de e-mail van 5 april 2014 (zie 2.7 hiervoor) blijkt, dat [persoon X] , anders dan de meeste van zijn buren destijds, heeft afgezien van de mogelijkheid het perceel van de Gemeente te kopen. Bovendien beroept [eiser] zich er in deze e-mail jegens de Gemeente op dat de Gemeente wel toestemming heeft gegeven voor het dempen van de sloot. Onder deze omstandigheden kan uit het enkele in gebruik nemen van een gedempte sloot (na dempen en plaatsen van een hek) niet worden afgeleid dat [persoon X] , die welbewust had afgezien van koop, de pretentie had dit perceelsgedeelte voor zichzelf te houden.

Ook van dit perceelsgedeelte is [persoon X] geen bezitter geworden, zodat [eiser] zich niet kan beroepen op verkrijgende verjaring door onafgebroken bezit gedurende de verjaringstermijn.

4.5

Percelen [B] en [C]

4.5.1

Ten overvloede wordt nog het volgende overwogen.

4.5.2

Het verzoek van [eiser] in 2013 om de beide percelen te mogen kopen of huren is onverenigbaar met zijn eigenaarspretenties. Hij voert in dit verband aan dat hij over onvoldoende juridische kennis beschikte en dat de verjaring reeds was voltooid, vóór hij het verzoek om te mogen kopen of huren had gedaan.

4.5.3

Een beroep op een gebrek aan juridische kennis mag niet snel worden gehonoreerd. In dit geval is nog van het volgende van belang. [eiser] heeft perceel [A] op 19 december 2012 geleverd gekregen. Dat was kort voor zijn eerste verzoek aan de gemeente op 2 januari 2013 om perceel [B] te mogen kopen. In de akte van levering staat duidelijk omschreven dat hij voor € 145.000,00 eigenaar werd van perceel [A] met woonhuis, groot 3 are en 75 centiare. Van hem had verwacht mogen worden, dat hij zich zou hebben afgevraagd op grond waarvan hij tevens eigenaar is geworden van de andere, thans in geschil zijnde percelen. Deze laatste percelen zijn samen 9 are en 77 centiare groot, dus bijna drie keer zo groot als het aan hem bij akte geleverde perceel. Voor het bedenken van deze vraag is geen bijzondere kennis van het recht vereist.

4.5.4

Uit het feit dat [eiser] vraagt de percelen te mogen kopen moet in de eerste plaats worden afgeleid, dat hij geen eigenaar pretendeerde te zijn van de percelen ( [B] en [C] ) die hij in gebruik had.

4.5.5

Indien de verjaring al was voltooid vóór [eiser] het verzoek aan de gemeente had voldaan, moet uit het verzoek tot koop of huur van de percelen worden afgeleid dat hij de desbetreffende grond kennelijk niet door zijn rechtsvoorganger in eigendom geleverd heeft gekregen en dat hij vervolgens evenmin is gaan houden voor zichzelf (gerechtshof ’s-Hertogenbosch 21 april 2015 ECLI:NL:GHSHE:2015:1487 r.o. 3.3.5 en vervolgens HR 8 juli 2016 ECLI:NL:HR:2016:1469). In beide gevallen moet uit de vraag om te mogen kopen of huren worden afgeleid, dat [eiser] geen bezitter is (geworden) van de percelen.

4.6

Slotsom

4.6.1

In conventie

Nu geen sprake is van verkrijgende verjaring, is [eiser] geen eigenaar van de percelen en dienen zijn vorderingen te worden afgewezen.

4.6.2

In reconventie

De Gemeente is eigenaar van percelen [B] en [C] . De verklaringen voor recht van deze strekking zullen worden toegewezen.

Als eigenaar is de Gemeente gerechtigd haar percelen op te eisen van ieder die deze zonder recht houdt (art. 5:2 BW). [eiser] houdt de percelen zonder recht, dus de vordering tot ontruiming zal worden toegewezen.

Politie en justitie zijn wettelijk verplicht aan tenuitvoerlegging van rechtelijke uitspraken mee te werken, zodat een afzonderlijke veroordeling daartoe niet vereist is. In zoverre zal de vordering van de Gemeente worden afgewezen.

Aan de veroordeling tot ontruiming zal geen dwangsom worden verbonden, omdat de Gemeente zelf gerechtigd zal zijn de ontruiming uit te voeren na drie maanden en een (werk) na betekening van dit vonnis.

4.7

Kosten

4.7.1

in conventie

Als de in het ongelijk gestelde partij zal [eiser] worden veroordeeld in de proceskosten in conventie. De proceskosten aan de zijde van de Gemeente worden tot op heden begroot op € 1.522,00 (griffierecht € 618,00; salaris advocaat € 904,00 2 punten tarief II à € 452,00).

De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover de kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook op de navolgende wijze worden toegewezen.

4.7.2

in reconventie

De Gemeente heeft in deze procedure geen zelfstandige kosten gemaakt, aangezien de vorderingen in conventie en die in reconventie dezelfde beoordeling vereisten en de Gemeente, buiten het formuleren van een vordering, geen aparte proceshandelingen heeft verricht. De kosten aan de zijde van de Gemeente worden begroot op nihil.

5 De beslissing

De rechtbank:

in conventie

5.1

wijst de vorderingen af;

5.2

veroordeelt [eiser] in de kosten van de procedure, welke kosten aan de zijde van de Gemeente tot heden worden begroot op € 1.522,00 met de wettelijke rente daarover indien niet binnen een veertien na betekening van dit vonnis zal zijn betaald;

5.3

veroordeelt [eiser] in de kosten die na dit vonnis zullen ontstaan, begroot op:

- € 131,-- aan salaris advocaat;

- te vermeerderen, onder voorwaarde dat betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden en de veroordeelde niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan, met een bedrag van € 68,-- aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak;

5.4

verklaart de kostenveroordeling in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

in reconventie

5.5

verklaart voor recht dat de Gemeente eigenaar is van de strook grond aan de westzijde, zoals aangegeven als perceel [B] op bijgevoegd kaartje

(kadastrale aanduiding: [BB] );

5.6

verklaart voor recht dat de Gemeente eigenaar is van de strook grond aan de achterzijde, zoals aangegeven als perceel [C] op bijgevoegd kaartje

(kadastrale aanduiding: [CC] );

5.7

veroordeelt [eiser] de beide hiervoor genoemde percelen binnen drie maanden na betekening van dit vonnis met al het zijde te ontruimen, te verlaten, ontruimd te houden en ter vrije beschikking te stellen van de Gemeente;

5.8

machtigt de Gemeente om de beide percelen te ontruimen op kosten van [eiser] , indien de percelen niet of niet geheel ontruimd zullen zijn drie maanden en een (werk)dag na het betekenen van dit vonnis;

5.9

veroordeelt [eiser] in de kosten van de procedure, welke kosten aan de zijde van de Gemeente tot heden worden begroot op nihil;

5.10

verklaart dit vonnis ten aanzien van de veroordelingen onder 5.7 en 5.8 uitvoerbaar bij voorraad;

5.11

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.C. Halk en uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 2 augustus 2017.

350