Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:6065

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
20-07-2017
Datum publicatie
08-08-2017
Zaaknummer
10/810037-17 / parketnummer vordering TUL VV: 10/233669-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Toepassing adolescentenstrafrecht. Verdachte wordt veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 10 maanden en de PIJ-maatregel wegens verkrachting, ontucht, poging zware mishandeling en mishandeling van zijn (ex-)vriendin en daarnaast aan bedreiging van een politieagent en verduistering. Door het handelen van de verdachte heeft hij een dermate dreigende, intimiderende en onveilige situatie voor aangeefster [naam slachtoffer 1] gecreëerd, dat hij een gebrek aan actief verzet van aangeefster [naam slachtoffer 1] tegen zijn handelen nooit als een teken van instemming daarmee heeft kunnen en mogen beschouwen.

Het samenstel van alle geweldshandelingen, verricht in een betrekkelijk korte tijd voorafgaand aan de seksuele handelingen, levert naar het oordeel van de rechtbank de dwang op zoals bedoeld in artikel 242 Sr.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/810037-17

Parketnummer vordering TUL VV: 10/233669-14

Datum uitspraak: 20 juli 2017

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in

de Penitentiaire Inrichting Vught,

raadsman R.P. van der Graaf, advocaat te Utrecht.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 6 juli 2017.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd. De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. L.H.M. Jager-Huiskens heeft gevorderd:

  • -

    vrijspraak van het onder 6 primair ten laste gelegde;

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1 primair, 2 primair, 3, 4, 5 en 6 subsidiair ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 14 maanden met aftrek van voorarrest, oplegging van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen;

  • -

    verlenging van de proeftijd van de voorwaardelijk opgelegde straf in de zaak met parketnummer 10/233669-14.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Vrijspraak zonder nadere motivering feit 6 primair

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het onder 6 primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken.

4.2.

Bewezenverklaring zonder nadere motivering feiten 4 en 6 subsidiair

Het onder 4 en 6 ten laste gelegde is door de verdachte bekend. Deze feiten zullen zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.

4.3.

Bewijswaardering feit 3

Aan de verdachte is onder 3 ten laste gelegd dat hij buiten echt ontuchtige handelingen heeft verricht met een minderjarige die de leeftijd van twaalf maar nog niet van zestien jaren had bereikt.

4.3.1.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft gesteld dat er geen sprake is van ontuchtige handelingen in de zin van artikel 245 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) nu het om vrijwillig seksueel contact ging tussen personen die slechts in geringe mate in leeftijd verschilden, er sprake was van een affectieve relatie en er geen aanleiding is om aan te nemen dat aangeefster [naam slachtoffer 1] (hierna: aangeefster) de handelingen tegen haar zin heeft verricht dan wel een ondergeschikte positie ten opzichte van de verdachte heeft gehad.

Voorts zou aangeefster in februari 2017 (enkele maanden na het verweten seksueel contact) 16 jaar oud worden. Op dat moment zouden de seksuele handelingen überhaupt niet meer strafbaar zijn.

De raadsman verzoekt de rechtbank derhalve om de verdachte vrij te spreken van de ontuchtige handelingen.

4.3.2.

Beoordeling

De rechtbank neemt bij de beoordeling van de vraag of al dan niet sprake is van ontuchtige handelingen in de zin van artikel 245 Sr mee dat dit artikel blijkens de wetsgeschiedenis strekt tot bescherming van de seksuele integriteit van personen die gelet op hun jeugdige leeftijd in het algemeen geacht moeten worden niet of onvoldoende in staat te zijn zelf die integriteit te bewaken en de draagwijdte van hun gedrag in dit opzicht te overzien. Onder omstandigheden kan aan seksuele handelingen met een persoon tussen de twaalf en zestien jaren het ontuchtig karakter ontbreken. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn indien die handelingen plaatsvinden tussen personen die slechts in geringe mate in leeftijd verschillen en een affectieve relatie hebben. In dit opzicht geldt als maatstaf of de desbetreffende seksuele handeling algemeen als sociaal-ethisch is aanvaard. Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van dergelijke omstandigheden die meebrengen dat seksuele handelingen niet als ontuchtig kunnen worden aangemerkt, komt het in belangrijke mate aan op de weging en waardering van de omstandigheden van het geval.

De rechtbank is van oordeel dat de seksuele relatie zoals deze zich al vrijwel vanaf het begin tussen de verdachte en de aangeefster heeft ontwikkeld niet als algemeen sociaal-ethisch aanvaard kan worden beschouwd. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt.

Vaststaat dat aangeefster, geboren [geboortejaar 2001] , ten tijde van de onder 3 ten laste gelegde periode, de leeftijd van 12 jaren, maar nog niet die van 16 jaren had bereikt.

Ook staat vast dat de verdachte in de ten laste gelegde periode meermalen zijn vingers in de vagina en de anus, en zijn penis in de vagina, de anus en de mond van aangeefster heeft gebracht. Tevens staat vast dat de verdachte – op dat moment 18 jaren oud – en aangeefster – op dat moment 15 jaren oud – van november 2016 tot in januari 2017 een relatie hebben gehad.

De verdachte heeft op de terechtzitting van 6 juli 2017 verklaard dat hij erg jaloers is en dat hij dacht dat aangeefster vreemd ging. Om erachter te komen of dit ook zo was en om te bewerkstelligen dat aangeefster dit ook toe zou geven, heeft de verdachte aangeefster op meerdere momenten al geslagen, aldus de verdachte.

Aangeefster heeft verklaard dat de verdachte vanaf het begin van de relatie al verbaal agressief is geweest jegens haar en dat hij niet wilde dat aangeefster met andere jongens sprak. Zij had enkel nog contact met de verdachte, naast haar familie.

Zij is door de verdachte ontmaagd en de verdachte is vrijwel direct daarna ervan overtuigd geraakt dat aangeefster vreemd ging.

Volgens aangeefster werd de relatie gekenmerkt door de argwaan van de verdachte en controleerde de verdachte regelmatig of aangeefster niet was vreemdgegaan, bijvoorbeeld door in de vagina van aangeefster te voelen. Uit de verklaring van de verdachte blijkt dat hij van oordeel was dat hij in de relatie, zonder aangeefster daarin te kennen, rechten had, zoals het neuken van aangeefster zonder condoom en het haar voorschrijven van de regels.

Verder liet hij haar weten dat hij een gevaarlijke jongen was.

Aangeefster heeft voorts verklaard dat de verdachte ook fysiek agressief is geweest jegens haar. Kort na de ontmaagding heeft de verdachte aangeefster reeds voor de eerste maal geslagen omdat hij dacht dat zij vreemdging. Om diezelfde reden heeft de verdachte omstreeks oud en nieuw 2016/2017 aangeefster opnieuw ernstig geslagen en gestompt.

De moeder van aangeefster bevestigt dat de verdachte in de relatie druk op haar dochter heeft uitgeoefend. De moeder heeft daarbij verklaard dat aangeefster, na de mishandeling omstreeks oud- en nieuw 2016/2017, op aandringen van haar het contact met de verdachte uiteindelijk heeft beëindigd.

Uit het voorgaande komt naar voren dat de relatie die de verdachte met aangeefster had zeer onevenwichtig was, zich kenmerkte door eenzijdige agressie richting aangeefster en gepaard ging met extreme achterdocht, heftige jaloezie en bezitterigheid van de verdachte. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit het bovenstaande dat de relatie tussen aangeefster en de verdachte als ongelijkwaardig moet worden aangemerkt. Bij die stand van zaken kunnen de seksuele handelingen die door de verdachte werden verricht - ook al was er sprake van een relatie en geen groot leeftijdsverschil - niet als algemeen sociaal-ethisch aanvaard worden beschouwd en zijn deze handelingen ontuchtig. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het ontuchtig karakter aan de feitelijke situatie in deze zaak niet is komen te ontvallen. Gelet op de strekking van artikel 245 Sr doet hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht over het vrijwillige karakter hieraan niet af.

De rechtbank is op grond van het hiervoor genoemde van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte het onder 3 ten laste gelegde heeft begaan.

4.4.

Bewijswaardering feiten 1 en 2

4.4.1.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft gesteld dat er geen sprake is van verkrachting, omdat dwang heeft ontbroken. Aangeefster heeft namelijk niet gezegd dat ze geen seks met de verdachte wilde. De causaliteit tussen de geweldshandelingen en de bedreigende situatie, alsmede het daarop volgende seksuele verkeer is niet van dien aard, dat het voor de verdachte voldoende duidelijk was dat aangeefster geen seks wilde.

De raadsman verzoekt de rechtbank de verdachte derhalve vrij te spreken van verkrachting.

De raadsman heeft daarnaast gesteld dat het mishandelen van aangeefster door te slaan met een stok en te schoppen/trappen, zoals onder 2 tenlastegelegd, nadrukkelijk door de verdachte is betwist, en dat hij daarvan dient te worden vrijgesproken. Voorts is gesteld dat mishandeling door te slaan/stompen, zoals door de verdachte is bekend, geen poging zware mishandeling oplevert, en de verdachte derhalve van het onder 2 primair dient te worden vrijgesproken.

4.4.2.

Beoordeling

Nu niet in geschil is dat de verdachte en aangeefster op 16 januari 2017 seks hebben gehad, mede bestaande uit het seksueel binnendringen van het lichaam, is ten aanzien van feit 1 enkel de vraag aan de orde of de verdachte door geweld of een andere feitelijkheid of door bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid aangeefster daartoe heeft gedwongen.

Op grond van de bewijsmiddelen en in aanvulling op hetgeen in het voorgaande reeds is overwogen, stelt de rechtbank het volgende vast.

In de periode van 30 december 2016 tot en met 2 januari 2017 heeft de verdachte aangeefster al zo mishandeld dat zij de relatie en verder alle contacten met de verdachte verbroken heeft. Op 16 januari 2017 heeft de verdachte echter aangeefster vroeg opgewacht toen zij onderweg was naar school. Aangeefster was verstijfd op het moment dat zij de verdachte zag. De verdachte heeft haar vervolgens gezegd met hem mee te gaan en nam haar vervolgens mee over het industriegebied naar de Broekpolder te Vlaardingen, richting de bossen. Hij was erg boos op aangeefster omdat hij dacht dat aangeefster was vreemdgegaan en hij het gevoel had dat ze met hem aan het spelen was.

De verdachte heeft het slachtoffer vervolgens wederom mishandeld omdat hij wilde dat aangeefster toegaf dat zij vreemdging. Aangeefster is hierbij onderweg door de verdachte zo hard op haar hoofd geslagen dat zij met haar hoofd op het stuur van haar fiets is geklapt. Toen zij later met de verdachte bij een ‘koepel’ aankwam is zij wederom geslagen, dit keer ook met een stok. Zij heeft gegild en gehuild en pijn gevoeld. Iedere keer wanneer zij een vraag van de verdachte ontkennend antwoordde werd hij bozer en sloeg hij aangeefster. De verdachte heeft aangeefster vervolgens over de grond gesleept en haar geschopt en getrapt tegen haar buik, enkel en rug. Hij bleef doorgaan en zei tegen aangeefster dat zij antwoord moest geven. Aangeefster heeft hierdoor fors letsel opgelopen, hetgeen wordt ondersteund door het rapport Nederlands Forensisch Instituut van 7 maart 2017.

Kort nadat de verdachte deze mishandeling had gestaakt, liet hij aangeefster weten dat hij seks met haar te willen. Aangeefster was op dat moment door die mishandelingen dusdanig murw geslagen dat zij toen verder geen weerstand heeft geboden. In haar verklaringen bij de politie en de rechter-commissaris verklaart aangeefster hieromtrent: ‘Ik heb hem gevraagd: “Ben je serieus, wil je dit nu?” Ik wilde geen seks met hem, maar deed het, omdat ik niet wilde dat hij me weer ging slaan. Ik kon op dat moment niet eens lopen. Ik vroeg aan hem of hij dat echt nu wilde en hij antwoordde: “Ja, ik heb twee weken gewacht. Ik wil dit nu.” Ik wist niet waartoe hij op dat moment in staat was, omdat hij mij al had geslagen. Hij zei dat ik mijn kleding uit moest doen en ik heb dat zelf gedaan. Na wat er was gebeurd, nadat hij mij had geslagen, deed ik wat hij zei. Na alles wat er was gebeurd, moet hij geweten hebben dat ik geen seks wilde. Ik was bang. Ik durfde niets te doen, omdat ik niet wist hoe hij daarop zou reageren en ik ook niet wist of het zou ophouden.’

De verdachte heeft vervolgens zijn penis in de vagina van het slachtoffer gedaan. Aangeefster heeft tijdens de seks gehuild. Nadat de verdachte klaar is gekomen, zijn de verdachte en aangeefster verder gelopen en wilde de verdachte ter hoogte van het viaduct wederom seks met aangeefster. De verdachte wilde anale seks, hetgeen volgens aangeefster niet echt gelukt is en vanwege haar letsel ook pijnlijk was op dat moment.

Toen aangeefster thuis kwam constateerde haar moeder dat aangeefster overal pijn had, stil was en in een soort shock verkeerde.

De verdachte heeft door te handelen als hiervoor beschreven, aangeefster die reeds bang voor hem was, meegenomen naar een omgeving waar niemand hen kon zien of horen. Aldaar heeft hij haar mishandeld, waardoor zij fors letsel oploopt. Gelet op de lijnvormige letsels van aangeefster is de rechtbank van oordeel dat kan worden bewezen dat dit letsel mede is toegebracht door te slaan met een stok. De letsels rechtvaardigen, mede gelet op de afdruk op haar linkermouw, voorts ook de conclusie dat de verdachte aangeefster heeft geschopt. De verdachte heeft, door zo te handelen, een dermate dreigende, intimiderende en onveilige situatie voor aangeefster gecreëerd dat hij een gebrek aan actief verzet van aangeefster tegen zijn handelen nooit als een teken van instemming daarmee heeft kunnen en mogen beschouwen.

Nu ook voor de verdachte duidelijk was dat hij aangeefster net fors had mishandeld en letsel had toegebracht heeft hij, zonder zich expliciet van de wil van aangeefster te vergewissen, nooit kunnen en mogen veronderstellen dat hiermee de weg was vrijgemaakt voor vrijwillig seksueel contact tussen beiden, zeker niet nu zij zijn voornemen om seksueel contact met haar hebben nog expliciet in twijfel heeft getrokken.

De verdachte heeft aangeefster door de afzondering, herhaling van geweld en de aanhoudende ondervraging over vreemdgaan murw gemaakt en haar weerstand tegen hem gebroken. Dat de aangeefster in die situatie nadien niet meer expliciet weerstand heeft geboden acht de rechtbank een logisch gevolg van de situatie waarin zij door de verdachte was gebracht en het daarvoor door de verdachte jegens haar gepleegde geweld.

Immers, de vrees van aangeefster voor meer geweld van de zijde van verdachte was gerechtvaardigd.

Daar komt bij dat de verdachte er ten tijde van het plegen van de feiten vast ervan overtuigd was dat het hanteren van geweld geoorloofd was om een door hem verlangd resultaat te bereiken, zodat het ernstig valt te betwijfelen in hoeverre hij zich überhaupt rekenschap heeft gegeven van de mening van aangeefster.

Mede gelet op bovenstaande omstandigheden waaronder de seksuele handelingen hebben plaatsgevonden, levert het samenstel van alle geweldshandelingen, verricht in een betrekkelijk korte tijd voorafgaand aan de seksuele handelingen, naar het oordeel van de rechtbank de dwang op zoals bedoeld in artikel 242 Sr.

Voorts is de rechtbank, anders dan de verdediging, van oordeel dat de geweldshandelingen waaronder ook het met kracht op het lichaam van aangeefster slaan met een stok ter dikte van een plastic bekertje en haar schoppen terwijl zij reeds op de grond lag als een poging zware mishandeling kunnen worden aangemerkt.

Gelet op al het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich aan zowel de onder 1 primair tenlastegelegde verkrachting als de onder 2 primair tenlastegelegde poging zware mishandeling van aangeefster heeft schuldig gemaakt.

4.5.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 primair, 3 en 5 ten laste gelegde heeft begaan.

In bijlage III heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en nadien geen vrijspraak is bepleit. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 4 en 6 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

De verdachte heeft de bewezen verklaarde feiten op die wijze begaan dat:

1. Primair

hij op of omstreeks 16 januari 2017 te Vlaardingen, althans één of meer plaatsen in Nederland, meermalen (telkens) door geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of door bedreiging met geweld en/of bedreiging met (een) andere feitelijkhe(i)d(en), [naam slachtoffer 1] , heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [naam slachtoffer 1] , hebbende verdachte, meermalen, althans eenmaal, telkens

- zijn penis in de vagina en/of anus van die [naam slachtoffer 1] geduwd en/of gestopt het geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of de bedreiging met geweld en/of de bedreiging met (een) ander feitelijkhe(i)d(en) heeft/hebben bestaan uit het (meermalen) (met kracht) (terwijl die [naam slachtoffer 1] op de grond lag)

- slaan/stompen (met een stok, althans een hard voorwerp) in/op/tegen het gezicht, althans het hoofd, en/of lichaam van die [naam slachtoffer 1] en/of

- schoppen/trappen in/op/tegen het gezicht, althans het hoofd, en/of lichaam van die [naam slachtoffer 1] ;

2. Primair

hij op of omstreeks 16 januari 2017 te Vlaardingen, althans één of meer plaatsen in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [naam slachtoffer 1]

opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen (meermalen) (met kracht) (terwijl die [naam slachtoffer 1] op de grond lag)

- ( met een stok, althans een hard voorwerp) in/op/tegen het gezicht, althans het hoofd, en/of lichaam van die [naam slachtoffer 1] heeft geslagen/gestompt en/of

- in/op/tegen het gezicht, althans het hoofd, en/of lichaam van die [naam slachtoffer 1] heeft getrapt/geschopt

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

hij in of omstreeks de periode van 13 november 2016 tot en met 15 januari 2017 te Vlaardingen, althans één of meer plaatsen in Nederland, (meermalen) met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien had bereikt, te weten met [naam slachtoffer 1] (geboren [geboortejaar 2001] ) buiten echt ontuchtige handelingen heeft gepleegd die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, namelijk het (telkens) (meermalen)

- brengen en/of houden van zijn, verdachtes, vinger(s) en/of hand(en) in de vagina en/of anus van die [naam slachtoffer 1] en/of

- brengen en/of houden van zijn, verdachtes, penis in de vagina en/of anus en/of mond van die [naam slachtoffer 1] ;

4.

hij in of omstreeks de periode van 30 december 2016 tot en met 2 januari 2017 te Vlaardingen, althans in Nederland, [naam slachtoffer 1] heeft mishandeld door (met kracht) meermalen, althans eenmaal, in/op/tegen het gezicht/hoofd, althans het lichaam van die [naam slachtoffer 1] te slaan/stompen;

5.

hij op of omstreeks 17 januari 2017 te Vlaardingen en/of Rotterdam, althans in Nederland,

[naam slachtoffer 2] heeft bedreigd met verkrachting en/of feitelijke aanranding van de eerbaarheid en/of enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [naam slachtoffer 2] dreigend de woorden toegevoegd:

"Jullie zijn allemaal kankerlijers. Wat verkrachting? Mij aanhouding voor verkrachting? Als ik iemand verkracht kan die geen aangifte meer doen. Ik schiet je dood. Je dochter, ik doe hetzelfde. Je vrouw. Ik weet dat je een vrouw hebt, kijk maar uit. Ik weet dat je een dochter heb, ik ben nog jong. Wacht maar af. Kijk maar uit, je weet het wel. Ze kan geen aangifte meer doen. Niemand kan dat, niemand. Ik schiet je dood. Kankerlijers. Jij bestuurder, moet oppassen, ik ben geen kleine jongen",

althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

6. Subsidiair

hij op of omstreeks 9 juli 2016 te Rotterdam opzettelijk, een scooter (merk/type Gilera Runner), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer 3] , in elk geval aan (een) ander(en) dan aan hem, verdachte, welk(e) goed(eren) verdachte anders dan door een misdrijf, te weten door vinding, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Kennelijke verschrijvingen in de bewezenverklaring zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

5 Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

T.a.v. feit 1 primair:

verkrachting;

t.a.v. feit 2 primair:

poging tot zware mishandeling;

t.a.v. feit 3:

met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam;

t.a.v. feit 4:

mishandeling;

t.a.v. feit 5:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en met verkrachting;

t.a.v. feit 6 subsidiair:

verduistering.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf en maatregel

7.1.

Algemene overweging

De straf en maatregelen die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feiten waarop de straf en maatregelen zijn gebaseerd

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan verkrachting en poging zware mishandeling. De verdachte heeft aangeefster – ten tijde van de feiten slechts 15 jaar oud – meegenomen over een industrieterrein naar een bos en haar daar in verband met zijn extreme achterdocht en jaloezie mishandeld, door haar onder meer met een stok te slaan en schoppen/trappen, waardoor zij fors letsel heeft opgelopen. De verdachte heeft aangeefster zo murw geslagen dat zij zich vervolgens gedwongen zag de seksuele wensen van de verdachte te ondergaan.

Daarnaast heeft de verdachte zich eerder in de relatie met aangeefster schuldig gemaakt aan mishandeling van aangeefster alsook het plegen van ontuchtige handelingen met haar.

Deze feiten rekent de rechtbank verdachte zwaar aan.

De verdachte heeft, zonder zich op enig moment te bekommeren om het welzijn van aangeefster, zijn eigen seksuele lusten op haar botgevierd. De rechtbank acht met name het ogenschijnlijke gemak en de kennelijke achteloosheid waarmee de verdachte daarbij is overgegaan tot het plegen het geweld en de seksuele handelingen zeer verontrustend. Dergelijk handelen getuigt naar het oordeel van de rechtbank van een totale respectloosheid jegens de aangeefster. De verdachte heeft aldus een ernstige inbreuk gemaakt op haar lichamelijke en geestelijke integriteit. Het is een feit van algemene bekendheid dat geweld in en rondom de relationele sfeer, temeer bij minderjarigen, langdurige psychische en emotionele gevolgen kan hebben voor het slachtoffer daarvan, hetgeen ook blijkt uit de schriftelijke slachtofferverklaring, waarin aangeefster verklaart dat zij veel last heeft ondervonden van hetgeen verdachte haar heeft aangedaan.

De verdachte heeft zich – ten tijde van de aanhouding – voorts schuldig gemaakt aan bedreiging van een politieagent. Bedreiging is een ernstig strafbaar feit. De rechtbank acht niet onbegrijpelijk dat de aanhouding van de verdachte in de gegeven omstandigheden bij hem hevige emoties teweeg heeft gebracht. Dat geeft de verdachte echter geen vrijbrief een agent te bedreigen. De bedreigingen die de verdachte jegens de politieagent heeft geuit, gaan alle perken te buiten en zijn zo dat deze, ook in de gegeven situatie, niet verontschuldigbaar zijn.

Tot slot heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan verduistering van een scooter die hij had gevonden. In plaats van deze vondst onverwijld bij de autoriteiten te melden zodat zij konden proberen het nog functionerende motorvoertuig aan de rechtmatige eigenaar te doen toekomen, heeft de verdachte zich deze toegeëigend. Door zo te handelen heeft verdachte geen blijk gegeven van respect voor de eigendomsrechten van een ander.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van

15 juni 2017, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.

7.3.2.

Rapportages

Reclassering Nederland heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd

10 mei 2017. Dit rapport houdt onder meer – zakelijk weergegeven – het volgende in.

De verdachte heeft geen zinvolle dagbesteding, geen inkomen, waarschijnlijk schulden en zijn huisvestingssituatie is kwetsbaar. De verdachte is in 2014 onderzocht door GGZ Delfland in het kader van een intelligentieonderzoek en mogelijke ADHD. Vanuit dat onderzoek blijkt dat er sprake is van een intelligentie op licht verstandelijk beperkt tot moeilijk lerend niveau. De rapporteur vermoedt daarnaast een scheefgroei in de persoonlijkheid. Op dit moment ziet de reclassering een hoge kans op recidive.

De reclassering onderschrijft het advies van het NIFP, namelijk de zaak afdoen onder het jeugdstrafrecht en het opleggen van een maatregel.

Psychiater dr. [naam psychiater] heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd

27 april 2017. Dit rapport houdt onder meer – zakelijk weergegeven – het volgende in.

De verdachte is lijdende aan een ziekelijke stoornis en gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens, namelijk een lichte zwakzinnigheid, een ongespecificeerde schizofreniespectrum- of andere psychotische stoornis en een matig ernstige stoornis in het gebruik van cannabis. Dit was ook zo ten tijde van de tenlastegelegde feiten, hetgeen zijn gedragskeuzes c.q. gedragingen op dat moment beïnvloedde.

Door het paranoïde psychotisch toestandsbeeld was de verdachte ervan overtuigd dat zijn ex-vriendin vreemd ging. Hij wilde haar “redden”, maar had wel kunnen beseffen dat hij haar juist beschadigde door zijn handelen. De verdachte was achterdochtig en hij had een verstoord realiteitsbesef en er waren kritiek- en oordeelstoornissen ten tijde van het ten laste gelegde. Ook zijn zwakzinnigheid beperkte de gedragsmogelijkheden van de verdachte. Dit geschiedde in behoorlijk sterke mate. Uit de gestructureerde risico prognose instrumenten blijkt dat de verdachte een verhoogd risico heeft op recidive van gewelddadig gedrag.

De psychiater adviseert verdachte verminderd toerekeningsvatbaar te verklaren en een intensieve behandeling in het kader van een PIJ-maatregel op te leggen. Deze behandeling zou in een forensisch-psychiatrische setting kunnen plaatsvinden.

Psycholoog drs. [naam psycholoog] heeft een rapport over de verdachte opgemaakt gedateerd 11 mei 2017. Dit rapport houdt onder meer – zakelijk weergegeven – het volgende in.

Bij de verdachte is sprake van een ziekelijke stoornis in de vorm van een psychotische stoornis en een stoornis in het cannabisgebruik, alsmede een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van een licht verstandelijke beperking. Dit was ook ten tijde van het tenlastegelegde het geval. De psycholoog krijgt echter niet de indruk dat de verdachte volledig werd aangestuurd door de stoornis(sen) en dat hij op geen enkele wijze meer invloed kon uitoefenen en dat hij in het geheel niet meer in staat was zijn vrije wil te bepalen. De psycholoog adviseert daarom, vanuit gedragskundig oogpunt, om de verdachte de tenlastegelegde feiten in (sterk) verminderde mate toe te rekenen.

Indien de verdachte geen passende en intensieve behandeling krijgt, gericht op voornoemde stoornis(sen), is het risico op vergelijkbaar agressief delictgedrag wat de psycholoog betreft hoog, en zal dit onverminderd hoog blijven.

De psycholoog is van mening dat een behandeling vanuit een gedwongen kader noodzakelijk is. Een intensieve klinische behandeling binnen een forensische setting, alwaar men voldoende expertise heeft op het gebied van psychosen, licht verstandelijke beperking en gedragsproblematiek, is aangewezen. Voornoemde behandeling kan naar mening van de psycholoog het best worden gegeven middels een maatregel vanuit het minderjarigenstrafrecht.

Gezien het ontbrekende ziektebesef en -inzicht zal de verdachte zich zeer waarschijnlijk niet of in ieder geval onvoldoende houden aan voorwaarden. Een kader als bijzondere voorwaarden is dan ook wat de psycholoog betreft niet haalbaar. Ook een louter gedragsbeïnvloedende maatregel is in deze volstrekt onvoldoende. De psycholoog adviseert om de beschreven hulpverlening plaats te laten vinden binnen het kader van een

PIJ-maatregel.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Toepassing adolescentenstrafrecht

Uitgangspunt is dat een jongvolwassen verdachte, die ten tijde van het strafbare feit meerderjarig is, volgens het volwassenenstrafrecht wordt berecht. Krachtens artikel 77c Sr, kan de rechtbank – ten aanzien van een verdachte die ten tijde van het begaan van een strafbaar feit de leeftijd van 18 jaren doch niet die van 23 jaren heeft bereikt – recht doen overeenkomstig de artikelen 77g tot en met 77gg Sr, indien de rechtbank daartoe grond vindt in de persoonlijkheid van de dader of in de omstandigheden waaronder het feit is begaan.

De rechtbank stelt vast dat de verdachte de bewezenverklaarde feiten heeft gepleegd toen hij de leeftijd van 18 jaren had bereikt. Gelet op de genoemde rapportages, de gegeven adviezen en de geschetste persoonlijkheid van de verdachte, zal de rechtbank ten aanzien van het bewezenverklaarde op grond van artikel 77c Sr het jeugdstrafrecht toepassen.

Toerekeningsvatbaarheid

Nu de conclusies van de psychiater en psycholoog gedragen worden door hun bevindingen en door hetgeen ook overigens op de terechtzitting is gebleken, neemt de rechtbank die conclusies over en maakt die tot de hare. Bij de verdachte bestond tijdens het begaan van de feiten een gebrekkige ontwikkeling en een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in verband waarmee hij in (sterk) verminderde mate toerekeningsvatbaar wordt geacht.

Straf en PIJ-maatregel

Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een jeugddetentie. Bij de bepaling van de duur van de jeugddetentie heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd.

De rechtbank concludeert voorts dat de ernst van de feiten, de problematiek van de verdachte en de hoge recidivekans tevens een langdurige behandeling noodzakelijk maken.

De rechtbank stelt vast dat de onder 1 primair, 2 primair en 3 gepleegde feiten misdrijven zijn waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld.

Op grond van hetgeen de psycholoog, de psychiater en Reclassering Nederland in hun rapporten vermelden, is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat, naast dat bij de verdachte ten tijde van het begaan van de misdrijven een gebrekkige ontwikkeling en een ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestonden, tevens de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen en goederen het opleggen van een maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (hierna te noemen: PIJ-maatregel) eisen. Bovendien is deze maatregel in het belang van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van verdachte.

De rechtbank overweegt dat de PIJ-maatregel zal worden opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Dit betekent dat verlenging van deze maatregel mogelijk is voor zover de maatregel daardoor de duur van zeven jaar niet te boven gaat.

Vrijheidsbeperkende maatregel (77h juncto 38v Sr)

Ter voorkoming van strafbare feiten wordt aan de verdachte de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de duur van twee (2) jaren opgelegd, inhoudende een contactverbod met [naam slachtoffer 1] , geboren [geboortejaar 2001] te Rotterdam.

Gelet op bovengenoemde rapportages is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte zich belastend zal gedragen jegens een bepaald persoon, te weten [naam slachtoffer 1] . Daarom zal de rechtbank bevelen dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf en maatregelen passend en geboden.

8 Vorderingen benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregel

8.1.

Benadeelde partij [naam benadeelde 1]

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: te Vlaardingen ter zake van de onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 18,65 aan materiële schade en een vergoeding van € 6.000,- aan immateriële schade.

8.1.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie vordert toewijzing van de vordering van de benadeelde partij en vordert tevens dat aan de verdachte de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opgelegd.

8.1.2.

Standpunt verdediging

De raadsman verzoekt de vordering van de benadeelde partij fors te matigen.

8.1.3.

Beoordeling

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij [naam benadeelde 1] door de onder 1 primair, 2 primair, 3 en 4 bewezen verklaarde strafbare feiten, rechtstreeks materiële en immateriële schade is toegebracht.

Nu de gevorderde materiële schadevergoeding de rechtbank ook overigens niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt en door de verdachte niet is weersproken, zal dit deel van de vordering worden toegewezen.

De immateriële schade zal naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 5.000,-zodat de vordering tot dit bedrag zal worden toegewezen.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf de datum van indiening van de vordering, te weten 3 juli 2017.

Nu de vordering van de benadeelde partij in overwegende mate zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Voor het overige zal de vordering worden afgewezen.

8.1.4.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij [naam benadeelde 1] een schadevergoeding betalen van

€ 5.018,65 vermeerderd met de wettelijke rente.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr passend en geboden geacht.

8.2.

Benadeelde partij [naam benadeelde 2]

Tevens heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd: te Rotterdam ter zake van het onder 5 ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 250,- aan immateriële schade.

8.2.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie vordert toewijzing van de vordering van de benadeelde partij.

8.2.2.

Standpunt verdediging

De raadsman verzoekt de vordering van de benadeelde partij af te wijzen, dan wel deze niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering, nu vrijspraak is bepleit.

8.2.3.

Beoordeling

Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij [naam benadeelde 2] door het onder 5 bewezen verklaarde strafbare feit, rechtstreeks schade is toegebracht en de vordering genoegzaam is onderbouwd, zal deze, ondanks de betwisting door de verdachte, worden toegewezen.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 17 januari 2017.

Nu de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

8.2.4.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij [naam benadeelde 2] een schadevergoeding betalen van

€ 250,- vermeerderd met de wettelijke rente.

9 Vordering tenuitvoerlegging

9.1.

Vonnis waarvan tenuitvoerlegging wordt gevorderd

Bij vonnis van 17 juni 2015 van de kinderrechter in deze rechtbank is de verdachte ter zake van diefstal veroordeeld voor zover van belang tot een werkstraf van 20 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar.

De proeftijd is ingegaan op 21 juli 2015.

9.2.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie verzoekt de vordering af te wijzen en in plaats daarvan de proeftijd van de voorwaardelijke straf met één jaar te verlengen.

9.3.

Standpunt verdediging

De raadsman verzoekt de vordering tenuitvoerlegging af te wijzen, nu deze van ondergeschikt belang is.

9.4.

Beoordeling

De hierboven bewezen verklaarde feiten zijn na het wijzen van het vonnis en voor het einde van de proeftijd gepleegd. Door het plegen van de bewezen feiten heeft de verdachte de aan het vonnis verbonden algemene voorwaarde, dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen, niet nageleefd.

In beginsel kan daarom de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast. Wegens oplegging van de PIJ-maatregel worden evenwel termen aanwezig geacht die last niet te geven.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 36f, 38v, 45, 63, 77c, 77g, 77h, 77i, 77s, 77we, 77gg, 242, 245, 285, 302 en 321 van het Wetboek van Strafrecht.

11 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

12 Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder 6 primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 primair, 2 primair, 3, 4, 5 en 6 subsidiair ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 10 (tien) maanden,

beveelt dat de tijd van 185 dagen die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;


legt de verdachte op de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen;

legt de veroordeelde op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de

duur van 2 (twee) jaren, inhoudende dat de veroordeelde wordt bevolen:

zich te onthouden van direct of indirect contact met [naam slachtoffer 1], geboren [geboortejaar 2001] te Rotterdam;

bepaalt dat voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan vervangende jeugddetentie wordt toegepast voor de duur van 2 (twee) weken, met een totale duur van ten hoogste 6 (zes) maanden;

met bevel dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van de dag waarop de totale duur van de tot dan toe ondergane verzekering en voorlopige hechtenis gelijk zal zijn aan die van de opgelegde jeugddetentie;

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde 1] te Vlaardingen, te betalen een bedrag van € 5.018,65 (zegge: vijfduizendachttien euro en vijfenzestig cent), bestaande uit € 18,65 aan materiële schade en € 5.000,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 3 juli 2017 tot aan de dag der algehele voldoening;

wijst af het door de benadeelde partij meer of anders gevorderde;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam benadeelde 1] te Vlaardingen te betalen

€ 5.018,65 (hoofdsom, zegge: vijfduizendachttien euro en vijfenzestig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 juli 2017 tot aan de dag van de algehele voldoening; beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van

€ 5.018,65 vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 60 (zestig) dagen; toepassing van de vervangende jeugddetentie heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde 2] te Rotterdam, te betalen een bedrag van € 250,- (zegge: tweehonderdvijftig euro), bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 17 januari 2017 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

wijst af de gevorderde tenuitvoerlegging van de bij vonnis van 17 juni 2015 van de kinderrechter in deze rechtbank aan de veroordeelde opgelegde voorwaardelijke werkstraf.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. C.G. van de Grampel, voorzitter,

en mrs. B.E. Dijkers en R.H. Kroon, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. N.M. Verduijn, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 20 juli 2017.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst gewijzigde tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 16 januari 2017 te Vlaardingen, althans één of meer

plaatsen in Nederland,

meermalen (telkens) door geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of

door bedreiging met geweld en/of bedreiging met (een) andere

feitelijkhe(i)d(en),

[naam slachtoffer 1] , heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden

uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die

[naam slachtoffer 1] , hebbende verdachte, meermalen, althans eenmaal, telkens

- zijn penis in de vagina en/of anus van die [naam slachtoffer 1] geduwd en/of gestopt

het geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of de bedreiging met

geweld en/of de bedreiging met (een) ander feitelijkhe(i)d(en) heeft/hebben

bestaan uit het

(meermalen) (met kracht) (terwijl die [naam slachtoffer 1] op de grond lag)

- slaan/stompen (met een stok, althans een hard voorwerp) in/op/tegen het

gezicht, althans het hoofd, en/of lichaam van die [naam slachtoffer 1] en/of

- schoppen/trappen in/op/tegen het gezicht, althans het hoofd, en/of lichaam

van die [naam slachtoffer 1] ;

(artikel 242 Wetboek van Strafrecht)

art 242 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 16 januari 2017 te Vlaardingen, althans één of meer

plaatsen in Nederland,

met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien had

bereikt, te weten met [naam slachtoffer 1] (geboren [geboortejaar 2001] ),

buiten echt ontuchtige handelingen heeft gepleegd die bestonden uit of mede

bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, namelijk het

- brengen en/of houden van zijn, verdachtes, penis in de vagina en/of anus

van die [naam slachtoffer 1] ;

(artikel 245 Wetboek van Strafrecht)

art 245 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 16 januari 2017 te Vlaardingen, althans één of meer

plaatsen in Nederland,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [naam slachtoffer 1]

opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen

(meermalen) (met kracht) (terwijl die [naam slachtoffer 1] op de grond lag)

- ( met een stok, althans een hard voorwerp) in/op/tegen het gezicht, althans

het hoofd, en/of lichaam van die [naam slachtoffer 1] heeft geslagen/gestompt en/of

- in/op/tegen het gezicht, althans het hoofd, en/of lichaam van die [naam slachtoffer 1]

heeft getrapt/geschopt

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(artikel 302 jo 45 Wetboek van Strafrecht)

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 16 januari 2017 te Vlaardingen, althans één of meer

plaatsen in Nederland,

[naam slachtoffer 1] heeft mishandeld door

(meermalen) (met kracht) (terwijl die [naam slachtoffer 1] op de grond lag)

- ( met een stok, althans een hard voorwerp) in/op/tegen het gezicht, althans

het hoofd , en/of lichaam van die [naam slachtoffer 1] te slaan/stompen en/of

- in/op/tegen het gezicht, althans het hoofd, en/of lichaam van die [naam slachtoffer 1] te

schoppen/trappen;

(artikel 300 Wetboek van Strafrecht)

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3.

hij in of omstreeks de periode van 13 november 2016 tot en met 15 januari 2017

te Vlaardingen, althans één of meer plaatsen in Nederland,

(meermalen) met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van

zestien had bereikt, te weten met [naam slachtoffer 1] (geboren [geboortejaar 2001] )

buiten echt ontuchtige handelingen heeft gepleegd die bestonden uit of mede

bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, namelijk het

(telkens) (meermalen)

- brengen en/of houden van zijn, verdachtes, vinger(s) en/of hand(en) in de

vagina en/of anus van die [naam slachtoffer 1] en/of

- brengen en/of houden van zijn, verdachtes, penis in de vagina en/of anus

en/of mond van die [naam slachtoffer 1] ;

(artikel 245 Wetboek van Strafrecht)

art 245 Wetboek van Strafrecht

4.

hij in of omstreeks de periode van 30 december 2016 tot en met 2 januari 2017

te Vlaardingen, althans in Nederland,

[naam slachtoffer 1] heeft mishandeld door

(met kracht) meermalen, althans eenmaal, in/op/tegen het gezicht/hoofd,

althans het lichaam van die [naam slachtoffer 1] te slaan/stompen;

(artikel 300 Wetboek van Strafrecht)

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

5.

hij op of omstreeks 17 januari 2017 te Vlaardingen en/of Rotterdam, althans

in Nederland,

[naam slachtoffer 2] heeft bedreigd met verkrachting en/of feitelijke aanranding van de

eerbaarheid en/of enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware

mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [naam slachtoffer 2] dreigend

de woorden toegevoegd:

"Jullie zijn allemaal kankerlijers. Wat verkrachting? Mij aanhouding voor

verkrachting? Als ik iemand verkracht kan die geen aangifte meer doen. Ik

schiet je dood. Je dochter, ik doe hetzelfde. Je vrouw. Ik weet dat je een

vrouw hebt, kijk maar uit. Ik weet dat je een dochter heb, ik ben nog jong.

Wacht maar af. Kijk maar uit, je weet het wel. Ze kan geen aangifte meer

doen. Niemand kan dat, niemand. Ik schiet je dood. Kankerlijers. Jij

bestuurder, moet oppassen, ik ben geen kleine jongen",

althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

(Artikel 285 Wetboek van Strafrecht)

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

6.

hij op of omstreeks 9 juli 2016 te Rotterdam, althans in Nederland,

(een) goed(eren), te weten een scooter (merk/type Gilera Runner), heeft

verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen,

terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dat goed

wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het (een) door (enig)

misdrijf verkregen goed betrof;

(artikel 416 Wetboek van Strafrecht)

art 416 lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 9 juli 2016 te Rotterdam opzettelijk, een scooter (merk/type Gilera Runner), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorend aan [naam slachtoffer 3] , in elk geval aan (een) ander(en) dan aan hem, verdachte, welk(e) goed(eren) verdachte anders dan door misdrijf, te weten door vinding, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

art. 321 Wetboek van Strafrecht