Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:6054

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
14-07-2017
Datum publicatie
07-08-2017
Zaaknummer
10/810243-16 / parketnummers vordering TUL 10/138335-13 en 10/203768-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij de doorzoeking van de woning van de verdachte worden een doosje met 7 zakjes wit poeder, 2 zakjes bruin poeder, een doosje met twee weegschalen en een doosje met verpakkingsmateriaal aangetroffen. In de NFI-rapportage wordt geconcludeerd dat het onderzoeksmateriaal cocaïne en heroïne bevat. De verdachte heeft verklaard dat hij heroïne en cocaïne in zijn woning apart had gehouden voor een ander. Voorts heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan een bedreiging van een beveiliger.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/810243-16

Parketnummers vordering TUL: 10/138335-13 en 10/203768-15

Datum uitspraak: 14 juli 2017

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

gemachtigd raadsman mr. S.V. van Paridon, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 14 juli 2017.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. W.D. van den Berg heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder feiten 1 en 2 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 46 dagen met aftrek van voorarrest en een taakstraf voor de duur van 140 uur te vervangen door 70 dagen hechtenis;

  • -

    het gedeeltelijk ten uitvoer leggen van het voorwaardelijk opgelegde strafdeel in de zaak met parketnummer 10/203768-15 en het stellen van een bijzondere voorwaarde in de zaak met parketnummer 10/138335-13.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en nadien geen vrijspraak is bepleit. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

Hij op of omstreeks 28 april 2016 te Rotterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 18,92 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en/of ongeveer 31,55 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde heroïne en/of cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.

Hij op of omstreeks 17 december 2016 te Rotterdam [naam slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [naam slachtoffer] meermalen dreigend de woorden toegevoegd :"ik ga schieten en dan gaan er zeker doden vallen", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

1. Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, strafbaar gesteld bij artikel 10 lid 3 van de Opiumwet.

2 Bedreiging.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straffen

7.1.

Algemene overweging

De straffen die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feiten waarop de straffen zijn gebaseerd

Bij de doorzoeking van de woning van de verdachte worden op 28 april 2016 een doosje met 7 zakjes wit poeder, 2 zakjes bruin poeder, een doosje met twee weegschalen en een doosje met verpakkingsmateriaal aangetroffen. In de NFI-rapportage van 11 mei 2016 wordt geconcludeerd dat het onderzoeksmateriaal cocaïne en heroïne bevat. Bij de rechter-commissaris heeft de verdachte op 4 mei 2016 verklaard dat hij heroïne en cocaïne in zijn woning apart had gehouden voor een ander.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van een hoeveelheid cocaïne en heroïne die – gezien die hoeveelheid – kennelijk bestemd was voor de handel. Cocaïne en heroïne is niet alleen zeer schadelijk voor de volksgezondheid, maar werkt ook verslavend met alle gevolgen van dien voor de maatschappij. De handel in cocaïne en heroïne gaat bovendien gepaard met zeer gewelddadige criminaliteit. Met zijn handelen heeft de verdachte een rol gehad in die keten van de handel.

Op 17 december 2016 heeft de verdachte een beveiliger van “ [naam horecagelegenheid] ” dusdanig bedreigd dat deze beveiliger gelijk op de alarmknop heeft gedrukt. Vervolgens werd de verdachte erg agressief en heeft hij meermaals geroepen dat hij zou gaan schieten en dat er doden zouden gaan vallen.

Voor de samenleving in het algemeen geldt dat dergelijke bedreigingen, begaan op een voor het publiek toegankelijke plaats, als ingrijpend worden ervaren en gevoelens van onrust en onveiligheid teweegbrengen of versterken. De rechtbank rekent dit de verdachte aan.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 21 juni 2017, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

7.3.2.

Rapportages

Reclassering Nederland heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 28 juni 2017. Dit rapport houdt het volgende in.

De verdachte staat sinds 2 februari 2016 onder toezicht van Reclassering Nederland. Hij heeft schulden en geen zinvolle dagbesteding. In het verleden is de verdachte meerdere malen veroordeeld voor delicten die onder invloed van cannabis waren gepleegd. Met harddrugsgebruik is hij in 2009 gestopt. Sinds zijn vrijlating uit preventieve hechtenis komt de verdachte zijn gemaakte afspraken met de reclassering na.

De reclassering adviseert een (gedeeltelijk) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met de volgende bijzondere voorwaarden: een meldplicht en ambulante behandeling bij forensische polikliniek De Waag, het Dok of soortgelijke ambulante forensische zorg, alsmede begeleiding door Frontlijn of soortgelijke organisatie, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij de veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling resp. begeleiding door of namens de instelling/begeleider zullen worden gegeven.

De reclassering adviseert het toezicht onder parketnummer 10/138335-13 voort te zetten daar deze loopt tot januari 2019, met het toevoegen van de bijzondere voorwaarde dat de verdachte zijn medewerking verleent aan de hulpverlening van Frontlijn of een soortgelijke organisatie om zijn financiën op orde te krijgen.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van de feiten en de hoeveelheid aangetroffen drugs kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. De rechtbank zal daarom een gevangenisstraf opleggen gelijk aan de duur van het voorarrest. Daarnaast zal de rechtbank een taakstraf van na te noemen duur opleggen.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straffen passend en geboden.

8 Vorderingen tenuitvoerlegging

8.1.

Vonnissen waarvan tenuitvoerlegging wordt gevorderd

Met betrekking tot 10/138335-13

Bij vonnis van 1 november 2013 van de politierechter van deze rechtbank is de verdachte ter zake van opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen en valsheid in geschrift veroordeeld – voor zover van belang – tot een gevangenisstraf van 6 weken voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar. De proeftijd is ingegaan op 24 november 2015.

Met betrekking tot 10/203768-15

Bij vonnis van 18 augustus 2016 van de politierechter van deze rechtbank is de verdachte ter zake van mishandeling en opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen veroordeeld voor zover van belang tot een gevangenisstraf van 4 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar.

De proeftijd is ingegaan op 2 september 2016.

8.2.

Standpunt officier van justitie en verdediging

De officier van justitie heeft betoogd dat de vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 10/138335-13 dient te worden afgewezen en dat als bijzondere voorwaarde moet worden toegevoegd de medewerking van de verdachte aan begeleiding door Frontlijn of een soortgelijke organisatie. Van de vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 10/203768-15 dient gedeeltelijk, te weten twee maanden gevangenisstraf, ten uitvoer worden gelegd, waarbij de gevangenisstraf omgezet dient te worden in een taakstraf van 120 uur.

De verdediging heeft afwijzing bepleit van de vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 10/138335-13. Als bijzondere voorwaarde kan de begeleiding door Frontlijn worden toegevoegd. Van de vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 10/203768-15 dient de proeftijd met een jaar te worden verlengd.

8.3.

Beoordeling

De hierboven bewezen verklaarde feiten zijn na het wijzen van deze vonnissen en voor het einde van de proeftijd gepleegd. Door het plegen van de bewezen feiten heeft de verdachte de aan de vonnissen verbonden algemene voorwaarde, dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen, niet nageleefd.

In beginsel kan daarom de (gedeeltelijke) tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf van het vonnis met parketnummer 10-203768-15 worden gelast. Er worden evenwel termen aanwezig geacht die last niet te geven, doch in plaats van twee maanden gevangenisstraf een taakstraf voor de duur van 120 uren, te vervangen door 60 dagen hechtenis, te gelasten.

Nu de reclassering de volgende bijzondere voorwaarde noodzakelijk acht, zal de rechtbank de vordering tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf van het vonnis met parketnummer 10-138335-13 niet toewijzen, maar alsnog de volgende bijzondere voorwaarde stellen:

- de verdachte wordt verplicht om zich te laten begeleiden door Frontlijn of een soortgelijke organisatie, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij de veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die begeleiding door of namens de instelling/begeleider zullen worden gegeven.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 9, 14d, 14f, 22c, 22d en 285 van het Wetboek van Strafrecht en artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

10 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte het onder feiten 1 en 2 ten laste gelegde, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 46 (zegge: zesenveertig) dagen,

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;


veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 140 (zegge: honderdveertig) uren, waarbij de Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 70 dagen;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte, die bij eerdere beslissing is geschorst;

Met betrekking tot 10/203768-15

wijst de gevorderde last tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van 18 augustus 2016 van de politierechter van deze rechtbank aan de veroordeelde opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf gedeeltelijk toe voor de duur van twee maanden, met dien verstande dat deze gevangenisstraf wordt omgezet naar een taakstraf voor de duur van 120 (zegge: honderdentwintig) uren, waarbij Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan, met bevel dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 60 dagen;

wijst de vordering voor het overige af;

Met betrekking tot 10/138335-13

wijst af de gevorderde tenuitvoerlegging van de bij vonnis van 1 november 2013 van de politierechter van deze rechtbank aan de veroordeelde opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf;

stelt als bijzondere voorwaarde:

- de verdachte wordt verplicht om zich te laten begeleiden door Frontlijn of een soortgelijke organisatie, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij de veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die begeleiding door of namens de instelling/begeleider zullen worden gegeven.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. W.H.J. Stemker Köster, voorzitter,

en mrs. V.F. Milders en D. van Putten, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M.J. Kraaijeveld, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

Hij op of omstreeks 28 april 2016 te Rotterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 18,92 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en/of ongeveer 31,55 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde heroïne en/of cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid vêui artikel 3a van die wet;

2.

Hij op of omstreeks 17 december 2016 te Rotterdam [naam slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [naam slachtoffer] meermalen dreigend de woorden toegevoegd :"ik ga schieten en dan gaan er zeker doden vallen", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.