Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:6053

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
14-07-2017
Datum publicatie
07-08-2017
Zaaknummer
10/810656-16 vonnis ontneming
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Tijdens het ter opsporing en inbeslagneming binnentreden van de woning wordt in een afgesloten ruimte een professioneel aangelegde hennepkwekerij met 250 hennepplanten aangetroffen. Uit het proces-verbaal van een daaropvolgend buurtonderzoek volgt dat de verdachte meermaals door buurtbewoners wordt beschreven als de bewoner van genoemd pand en vervolgens ook op een foto wordt herkend. De enkele stelling van verdachte dat een andere persoon bij de hennepkwekerij betrokken is geweest is alleen niet voldoende om aannemelijk te maken dat van een dergelijke betrokkenheid sprake is geweest. In het dossier bevindt zich verder geen enkel ondersteunend bewijs voor de betrokkenheid van een ander. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte alleen heeft gehandeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf

Parketnummer: 10/810656-16

Datum uitspraak: 14 juli 2017

Tegenspraak

VONNIS (ontneming) (mk)

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, op de vordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht van de officier van justitie in de zaak tegen de veroordeelde:

[naam veroordeelde] ,

geboren te [geboorteplaats veroordeelde] op [geboortedatum veroordeelde] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres veroordeelde] , [woonplaats veroordeelde] ,

raadsman mr. P.J. Silvis, advocaat te Schiedam.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 14 juli 2017.

VOORAFGAANDE VEROORDELING

Bij vonnis van deze rechtbank van 14 juli 2017 is de veroordeelde veroordeeld wegens na te noemen strafbare feiten. Van dat vonnis is een kopie, aangeduid als A, als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

VORDERING

De vordering van de officier van justitie, mr. W.D. van den Berg, strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en tot het opleggen aan de veroordeelde van de verplichting tot betaling aan de staat van een geldbedrag ter ontneming van dat geschatte voordeel tot een maximum van € 40.724,00.

De vordering van de officier van justitie is uitsluitend gebaseerd op artikel 36e lid 1 en lid 2 van het Wetboek van Strafrecht. Zij betreft voordeel verkregen door middel van of uit de baten van de feiten waarvoor de veroordeelde is veroordeeld.

STRAFBARE FEITEN WAAROP DE VOORDEELSBEREKENING IS GEBASEERD

Blijkens het vonnis van deze rechtbank van 14 juli 2017 is de veroordeelde veroordeeld ter zake van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod (kort gezegd: het kweken van hennep), gepleegd in de periode van 27 januari 2015 tot en met 5 januari 2016 en diefstal.

In deze procedure wordt derhalve als vaststaand aangenomen dat deze strafbare feiten door de veroordeelde zijn begaan.

VERWEER EN BEOORDELING DAARVAN

De officier van justitie is het standpunt onder verwijzing naar het proces-verbaal dossier voordeelberekening en het verhoor van getuige [naam getuige] het standpunt ingenomen dat er twee oogsten zijn geweest.

De raadsman heeft afwijzing van de vordering bepleit. Daartoe is betoogd dat er nog geen oogst heeft plaatsgevonden en dat dus ook nog geen inkomsten zijn gegenereerd.

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

Bij vonnis van 14 juli 2017, zie bijlage A, is een veroordeling uitgesproken voor de hiervoor omschreven strafbare feiten. Uit het dossier voordeelberekening blijkt dat op de armaturen van de assimilatielampen en de slangen voor de aan- en afvoer van de lucht een dikke laag stof lag. Dit duidt erop dat deze al langere tijd aanwezig waren. In de garage werden scharen aangetroffen met daarop hennepresten en er lagen droogrekken met resten van henneptoppen. Op het zeil in de kweekruimte was een witte, op kalk lijkende substantie zichtbaar. Dit duidt er eveneens op dat de hennepkwekerij al langere tijd in gebruik was. Door getuige [naam getuige] is verklaard dat de koolstoffilters een licht vervuild filterdoek hadden en dat het erop leek dat het recent vervangen was.

De rechtbank is, gelet op het bovenstaande, van oordeel dat de veroordeelde in ieder geval één hennepoogst heeft gehad. Op basis van het dossier kan niet worden vastgesteld dat er meer oogsten zijn geweest. Uit het proces-verbaal dossier voorbeeldberekening en het verhoor van de getuige [naam getuige] bij de rechter-commissaris kan immers niet worden vastgesteld dat de aangetroffen laag stof die zich gevormd heeft en de vervuiling van de koolstoffilters zien op een periode die langer is dan de periode van 1 voorafgaande oogst (10 weken) en de kweekperiode van de aangetroffen planten . De rechtbank gaat daarom in het kader van de ontneming ervan uit dat de veroordeelde één oogst heeft gehad.

VASTSTELLING VAN HET WEDERRECHTELIJK VERKREGEN VOORDEEL

Gebleken is dat de veroordeelde door middel van en uit de baten van de hiervoor vermelde strafbare feiten wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Dit voordeel dient de veroordeelde te worden ontnomen.

Het voordeel dat de veroordeelde wederrechtelijk heeft verkregen wordt geschat op

€ 19.509,00.

Deze schatting is gegrond op de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de inhoud van de wettige bewijsmiddelen. De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist, in een aan dit vonnis te hechten bijlage worden opgenomen.

Met betrekking tot de berekening van het geschatte voordeel wordt nader het volgende overwogen.

Op 5 januari 2016 wordt in het pand aan de [adres delict] te Vlaardingen een in werking zijnde hennepkwekerij aangetroffen. In de hennepkwekerij stonden 250 planten.

De rechtbank gaat ervan uit dat er één oogst is geweest waarvoor de veroordeelde opbrengsten en kosten heeft gehad. De rechtbank acht -gelet op de bewijsmiddelen in het dossier- niet aannemelijk dat nog een andere persoon bij de hennepkwekerij betrokken is geweest en daarom dient de totale netto opbrengst van de oogst aan hem te worden toegerekend.

De rechtbank maakt voor het berekenen van de opbrengst en de kosten gebruik van het ‘Proces-verbaal dossier voordeelberekening met proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer] , die zich in het dossier bevindt, alsmede het ‘Wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij bij binnenteelt onder kunstlicht’ van het Bureau Ontnemingswetgeving Openbaar Ministerie van 1 november 2010 (hierna: BOOM-rapport).

In totaal werden 1 maal 250 hennepplanten geoogst.

De opbrengst per plant is 28,2 gram. Per kweek kon 250 x 28,2 gram = afgerond 7 kilogram hennep worden geoogst. Conform het BOOM-rapport is de opbrengst per kilo hennep 3.280,00 euro. Dat betekent dat de opbrengst per oogst 7 x 3.280,00 = 22.960,00 euro oplevert.

De kosten voor het pand zal de rechtbank niet betrekken in de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel. De huurkosten van het pand zijn geen kosten die in directe relatie staan met de voltooiing van het betreffende strafbare feit. Wat het pand betreft, is naar voren gekomen dat de veroordeelde dit pand al enige tijd voor de start van de hennepkwekerij huurde.

De veroordeelde heeft ter terechtzitting verklaard dat hij de capaciteitskosten van [naam energieleverancier] heeft betaald. De rechtbank zal dit bedrag bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel aftrekken.

Opbrengst : € 22.960,00

Afschrijvingskosten : bedrag conform BOOM-rapport € 200,00

Variabele kosten : 250 x 6,18 euro per plant € 1.545,00

Capaciteitskosten : betaald aan [naam energieleverancier] € 1.706,00

Wederrechtelijk verkregen voordeel € 19.509,00

VASTSTELLING VAN HET TE BETALEN BEDRAG

Bepaald zal worden dat het gehele bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel door de veroordeelde aan de Staat moet worden betaald.

Bij deze beslissing zijn de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de veroordeelde in aanmerking genomen.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Deze beslissing is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

  • -

    stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, vast op € 19.509,00 (zegge: negentienduizend vijfhonderdennegen euro);

  • -

    legt aan de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de staat van € 19.509,00 (zegge: negentienduizend vijfhonderdennegen euro).

Dit vonnis is gewezen door:

mr. W.H.J. Stemker Köster, voorzitter,

en mrs. V.F. Milders en D. van Putten, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M.J. Kraaijeveld, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.