Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:602

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
11-01-2017
Datum publicatie
24-01-2017
Zaaknummer
C/10/502904 / HA ZA 16-543
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Geen aanbod en aanvaarding nieuwe inleenovereenkomst voor uitzendkrachten. De inleenovereenkomst 2015 is een overeenkomst voor bepaalde tijd die van rechtswege is beëindigd na het verstrijken van de daarin opgenomen duur. O.a. Haviltex-uitleg. Vorderingen eiseres afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/419
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team haven en handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/502904 / HA ZA 16-543

Vonnis van 11 januari 2017

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

AGRARISCH UITZENDBUREAU VAN BERGEN B.V.,

gevestigd te Hoek van Holland,

eiseres,

advocaat mr. N. de Boer te Breda,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

RIJNPLANT HANDELSKWEKERIJ B.V.,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

RIJNPLANT BREEDING B.V.,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

RIJNPLANT B.V.,

alle gevestigd te De Lier,
gedaagden,

advocaat mr. G.A. Smit te Amsterdam.

Partijen zullen hierna Van Bergen en Rijnplant c.s. (enkelvoud) genoemd worden. Waar Rijnplant c.s. afzonderlijk wordt bedoeld, zal zij worden aangeduid als Handelskwekerij, Breeding en Rijnplant.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 30 mei 2016 met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord met producties;

  • -

    de brief van 17 augustus 2016, waarbij een comparitie van partijen is bepaald;

  • -

    de brief inzending stukken van 7 november 2016 aan de zijde van Van Bergen, met producties 16 tot en met 19;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 22 november 2016;

  • -

    de brief van 2 december 2016 aan de zijde van Rijnplant c.s. naar aanleiding van het proces-verbaal;

  • -

    de brief van 9 december 2016 aan de zijde van Van Bergen naar aanleiding van het proces-verbaal;

  • -

    de brief van 16 december 2016 aan de zijde van Rijnplant c.s. naar aanleiding van laatstgenoemde brief van Van Bergen.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Van Bergen exploiteert een uitzendbureau in de agrarische sector. Handelskwekerij en Breeding houden zich bezig met de groothandel in bloemen en planten.

2.2.

Op 16 december 2013 hebben Van Bergen, Handelskwekerij en Breeding een inleenovereenkomst voor bepaalde tijd gesloten op basis waarvan door Van Bergen uitzendkrachten ter beschikking zijn gesteld (hierna: de inleenovereenkomst 2014). In de inleenovereenkomst 2014 is – voor zover hier van belang – het volgende opgenomen:

‘INLEENOVEREENKOMST […]

De door u aan AUB Van Bergen bv verstrekte opdracht ingaande per 16 december 2013 t/m 31-12-2014 betreft het ter beschikking stellen van uitzendkrachten […].

Het bovengenoemde tarief is van toepassing tot 31-12-2014 […]

Tijdig voor 31-12-2014 treden partijen met elkaar in overleg om tot een nieuwe tariefvaststelling te komen. Mochten parijen blijvend geen overeenstemming vinden over een nieuw vast te stellen tarief blijft het hierboven overeengekomen tarief van toepassing. Voorts is de intentie uitgesproken om door een intensieve samenwerking te komen tot een verdere kostenreductie door het optimaliseren van de logistieke- en bedrijfsprocessen […].

Op al onze overeenkomsten zijn van toepassing de voorwaarden gedeponeerd […] Door ondertekening van deze overeenkomst verklaart u een afschrift van de op deze overeenkomst toepasselijke algemene voorwaarden te hebben ontvangen […].’

2.3.

De door de Nederlandse Bond van Bemiddelings- en Uitzendondernemingen opgestelde algemene voorwaarden (hierna: de algemene voorwaarden) maken onderdeel uit van de inleenovereenkomst 2014. Artikel 11 en 12 van de algemene voorwaarden luiden als volgt:

‘ARTIKEL 11

INHOUD VAN DE INLEENOVEREENKOMST EN OPZEGTERMIJNEN

  1. In de inleenovereenkomst wordt de duur van de terbeschikkingstelling van de uitzendkracht vermeld en wanneer deze op voorhand nog niet duidelijk is, een zo nauwkeurig mogelijke schatting daarvan. Voor zover mogelijk en wenselijk worden daarin verder de begin- en einddatum van de terbeschikkingstelling, het aantal te werken uren, de opzegtermijn en de arbeidsvoorwaarden van de uitzendkracht vastgelegd.

  2. Als het uitzendbeding van toepassing is op de uitzendovereenkomst hoeven de uitzendonderneming of de inlener geen opzegtermijn in acht te nemen als zij de terbeschikkingstelling tussentijds wensen te beëindigen, tenzij schriftelijk anders is overeengekomen.

  3. Als het uitzendbeding niet van toepassing is op de uitzendovereenkomst is er sprake van een uitzendovereenkomst voor bepaalde of onbepaalde tijd. In dit geval eindigt de inleenovereenkomst slechts door het verstrijken van de overeengekomen duur van de terbeschikkingstelling, tenzij schriftelijk anders is overeengekomen.

  4. Als de inlener de terbeschikkingstelling van de uitzendkracht die op basis van een uitzendovereenkomst voor bepaalde of onbepaalde tijd werkzaam is tussentijds wenst te beëindigen, zal de inlener aan de uitzendonderneming een terstond opeisbare vergoeding verschuldigd zijn. Deze vergoeding bedraagt 100% van het laatstgeldende inlenerstarief voor de betrokken uitzendkracht, vermenigvuldigd met het aantal van de in de inleenovereenkomst overeengekomen uren, gelegen in de periode vanaf het moment van tussentijdse beëindiging tot het moment van afloop van de inleenovereenkomst zoals in eerste instantie overeengekomen.

  5. Als de inlener de terbeschikkingstelling wenst te beëindigen terwijl er niets is overeengekomen omtrent de duur van de terbeschikkingstelling en de uitzendkracht op basis van de uitzendovereenkomst voor bepaalde of onbepaalde tijd werkzaam is, geldt een opzegtermijn van 20 werkdagen, tenzij schriftelijk anders is overeengekomen.

ARTIKEL 12

AANGAAN RECHTSTREEKSE ARBEIDSVERHOUDING DOOR INLENER MET DE UITZENDKRACHT

  1. Als de inlener met een hem door de uitzendonderneming ter beschikking gestelde of te stellen uitzendkracht rechtstreeks een arbeidsovereenkomst, dan wel een andersoortige arbeidsverhouding wil aangaan, stelt hij de uitzendonderneming daarvan onverwijld schriftelijk in kennis. Partijen treden vervolgens in overleg om de wens van de inlener te bespreken.

  2. Onder andersoortige arbeidsverhouding als bedoeld in dit artikel wordt onder meer verstaan:

  1. het aanstellen als ambtenaar;

  2. de overeenkomst van opdracht;

  3. de aanneming van werk;

  4. het ter beschikking laten stellen van de uitzendkracht aan de inlener door een derde (bijvoorbeeld een andere uitzendonderneming) voor hetzelfde of ander werk.

3. De inlener gaat niet rechtstreeks een arbeidsovereenkomst met de uitzendkracht aan, als de uitzendkracht de uitzendovereenkomst met de uitzendonderneming niet rechtsgeldig heeft beëindigd’

2.4.

Van Bergen, Handelskwekerij en Breeding hebben vervolgens op 1 december 2014 een “algemene inleenovereenkomst” gesloten (hierna: de inleenovereenkomst 2015) waarin – voor zover hier van belang – het volgende is opgenomen:

‘ALGEMENE INLEENOVEREENKOMST […]

De uitlener zal in vanaf 2015 uitzendkrachten met een juist identiteitsbewijs en een sofinummer ter beschikking stellen aan de inlener. […]

Uitlener stelt de uitzendkrachten in 2015 beschikbaar onder de hieronder vermelde voorwaarden: […]

Het bovengenoemde tarief is van toepassing van 1-1-2015 tot en met 31-12-2015 […]

Vanaf 1 oktober 2015 treden partijen met elkaar in overleg om tot een nieuwe tariefvaststelling voor 2016 te komen. Mochten partijen blijvend geen overeenstemming vinden over een nieuw vast te stellen tarief blijft het hierboven overeengekomen tarief van toepassing de bepalingen in deze overeenkomst. Voorts is de intentie uitgesproken om door een intensieve samenwerking te komen tot een verdere kostenreductie door het optimaliseren van de logistieke- en bedrijfsprocessen. […]

Op al onze overeenkomsten zijn van toepassing de voorwaarden gedeponeerd […] Door ondertekening van deze overeenkomst verklaart u een afschrift van de op deze overeenkomst toepasselijke algemene voorwaarden te hebben ontvangen […].’

2.5.

Rijnplant c.s. maakt sinds maart 2015 onderdeel uit van Dümmen Orange, een veredelingsbedrijf voor bloemen en planten.

2.6.

Medio 2015 hebben de heren [persoon 1] en [persoon 2] (namens Van Bergen) en [persoon 3] en [persoon 4] (namens Handelskwekerij en Breeding) gesproken over onder andere de hoogte van het uurtarief op basis waarvan de uitzendkrachten door Van Bergen ter beschikking worden gesteld.

2.7.

Daaropvolgend heeft [persoon 2] op 8 juni 2015 een e-mail gestuurd aan [persoon 3] en [persoon 4] . In de e-mail staat onder meer de volgende tekst:

‘Ter bevestiging van diverse telefonische contacten. Wij kunnen voor Rijnplant met een tarief van € 15,25 uit de voeten, op basis van de condities in de overeenkomst van 2015. […]’

De mail bevat verder een uitvoerige beschrijving van wat in de visie van Van Bergen haar bedrijf en Dümmen Orange “kunnen betekenen voor elkaar”.

2.8.

Deze e-mail is op dezelfde datum beantwoord door [persoon 3] met de volgende tekst:

‘Beste [persoon 2] ,
Dank voor de bevestiging. Om alle misverstanden te voorkomen:
Het tarief van 14,95 geldt tot en met 31/12/2015

Het tarief van 15,25 geldt van 7/1/2076 tot en met 31/12/2016
GR [persoon 3] ’

2.9.

Van Bergen heeft eind november 2015 het tarief voor 2016 ter formalisering schriftelijk met Rijnplant c.s. willen vastleggen. Ondanks correspondentie en telefonisch contact hebben partijen geen nieuwe overeenkomst getekend.

2.10.

Bij e-mail van 15 december 2015 heeft Rijnplant c.s. aan Van Bergen het volgende laten weten:

‘Beste [persoon 1] / [persoon 2] […]

Helaas moet ik jullie mededelen dat wij voornemens zijn verder te gaan met VP: zij hebben een scherper tarief neergelegd en zijn zonder omhaal meteen akkoord gegaan met ons contract.

Een van die voorwaarden is dat als uitzendkrachten per se niet over willen naar VP, zij de mogelijkheid krijgen via AUS bij ons kunnen blijven werken . Dit uiteraard als jullie daarmee instemmen.
Wij zullen er alles aan doen de overgang zo soepel mogelijk te laten verlopen, ik sluit ook niet uit dat de kansen ooit weer kunnen keren.[…]’

2.11.

Deze e-mail is op dezelfde datum beantwoord door [persoon 1] met de volgende tekst:

‘Wij aub van Bergen respecteren u besluit graag van jullie kant nu snel handelen

U bent onverantwoord laat met deze beslissing daar u dit al in september wist

Graag morgen 16 12 2015 om 1500 een mail wat er met de mensen gaat gebeuren.
met vriendelijke groet [persoon 1] ’

2.12.

Rijnplant c.s. heeft de uitzendkrachten over het voornemen om over te stappen naar het uitzendbureau VoornePutten als volgt schriftelijk geïnformeerd:

“Beste medewerkers,
Zoals jullie bekend werken wij momenteel met twee uitzendbureaus: AUB en VoornePutten. Eind van elk jaar worden de tarieven en voorwaarden voor het komende jaar doorgesproken. Het blijkt dat VoornePutten ons voor 2016 betere voorwaarden kan bieden dan AUB. Wij zijn dan ook voornemens over te stappen naar VoornePutten.
Echter, wij willen natuurlijk wel graag dat jullie meegaan! Wij hebben met vele van jullie tijdens een lange samenwerking een band opgebouwd, wij weten dat jullie goed werk leveren en wij willen jullie binnen ons bedrijf houden! Daarom hebben wij er bij VoornePuften op aangedrongen dat jullie daar minimaal dezelfde voorwaarden krijgen als bij AUB. Dat hebben zij bevestigd.
VoornePutten gaat nu zo snel mogelijk contact met jullie opnemen om jullie over te zetten. Wij hebben echter met VoornePutten afgesproken dat indien jullie per se niet mee willen er nog een beperkte tijd de mogelijkheid bestaat via AUB bij ons werkzaam te blijven. Voorwaarde is wel dat ook AUB daaraan wil meewerken.
Schroom niet om bij vragen of onzekerheid rechtstreeks contact met mij op te namen. Ik vind het belangrijk jullie hiervan voor de kerst op de hoogte te stellen. Namens het hele management wens ik jullie fijne feestdagen en hoop jullie volgend jaar zeker weer terug te zien bij Rijnplant.’

2.13.

Bij schrijven van 2 februari 2016 is Rijnplant c.s. namens Van Bergen gesommeerd om binnen twee weken te bevestigen dat Rijnplant c.s. met terugwerkende kracht tot 1 januari 2016 haar verplichtingen uit de overeenkomst na te komen.

2.14.

Partijen hebben elkaar vervolgens over en weer een voorstel gedaan voor een hernieuwde samenwerking, hetgeen niet heeft geresulteerd in een oplossing van het geschil.

3 Het geschil

3.1.

Van Bergen vordert, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

1) primair: gedaagden hoofdelijk - des dat betaling door de een mede strekt tot kwijting van de ander - te veroordelen tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eiseres te voldoen een bedrag van € 1.992.587,88 te vermeerderen met de buitengerechtelijke incassokosten en te vermeerderen met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf 2 februari 2016, althans vanaf 16 februari 2016, althans vanaf de dag van deze dagvaarding, tot aan de dag der algehele voldoening;

subsidiair: gedaagden hoofdelijk - des dat betaling door de een mede strekt tot kwijting van de ander - te veroordelen tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eiseres te voldoen een bedrag van € 69.063,25 te vermeerderen met een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag terzake aanvullende schadevergoeding, een en ander te vermeerderen met de buitengerechtelijke incassokosten en te vermeerderen met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf 2 februari 2016, althans vanaf 16 februari 2016, althans vanaf de dag van deze dagvaarding, tot aan de dag der algehele voldoening;

althans te verklaren voor recht dat de samenwerking door RijnPlant c.s. ten onrechte is beëindigd en gedaagden hoofdelijk - des dat betaling door de een mede strekt tot kwijting van de ander - te veroordelen tot vergoeding van de daardoor door Van Bergen geleden schade (te vermeerderen met rente en kosten) nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

meer subsidiair: gedaagden hoofdelijk - des dat betaling door de een mede strekt tot kwijting van de ander - te veroordelen tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eiseres te voldoen een bedrag van € 53.593,25 te vermeerderen met een bedrag van € 15.470,- en te vermeerderen met een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, terzake aanvullende schadevergoeding, een en ander te vermeerderen met de buitengerechtelijke incassokosten en te vermeerderen met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf 2 februari 2016, althans vanaf 16 februari 2016, althans vanaf de dag van deze dagvaarding, tot aan de dag der algehele voldoening;

althans te verklaren voor recht dat RijnPlant c.s. wegens voortijdige beëindiging van de opdracht het redelijk loon als bedoeld in artikel 7:411 BW verschuldigd is en gedaagden hoofdelijk - des dat betaling door de een mede strekt tot kwijting van de ander - te veroordelen tot vergoeding van dit loon (te vermeerderen met rente en kosten) nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

2) te verklaren voor recht dat RijnPlant c.s. met haar schrijven aan de betrokken uitzendkrachten haar verplichtingen uit de overeenkomst heeft geschonden althans onrechtmatig jegens Van Bergen heeft gehandeld en gedaagden hoofdelijk - des dat betaling door de een mede strekt tot kwijting van de ander - te veroordelen tot een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag terzake schadevergoeding te vermeerderen met de buitengerechtelijke incassokosten en te vermeerderen met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf 2 februari 2016, althans vanaf 16 februari 2016, althans vanaf de dag van deze dagvaarding, tot aan de dag der algehele voldoening ofwel gedaagden hoofdelijk - des dat betaling door de een mede strekt tot kwijting van de ander - te veroordelen tot vergoeding van de hierdoor door Van Bergen geleden schade (te vermeerderen met rente en kosten) nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

3) gedaagden hoofdelijk - des dat betaling door de één leidt tot kwijting van de ander - te

veroordelen in de kosten van deze procedure, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het in deze te wijzen vonnis en - voor het geval voldoening binnen deze termijn niet plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf de hiervoor bedoelde termijn voor voldoening, alsmede voor nakosten met een bedrag van € 131,-, dan wel, indien betekening van het in deze te wijzen vonnis plaatsvindt, een bedrag van € 199,-.’

3.2.

Van Bergen legt aan haar eerste vordering primair ten grondslag dat in juni 2015 een nieuwe inleenovereenkomst voor bepaalde tijd tot stand is gekomen die Rijnplant c.s. in strijd met artikel 11 lid 3 van de algemene voorwaarden heeft opgezegd. Hierdoor is Rijnplant c.s. ingevolge lid 4 van datzelfde artikel een vergoeding verschuldigd. Subsidiair legt Van Bergen aan haar eerste vordering ten grondslag dat Rijnplant c.s. de overeenkomst tussentijds onrechtmatig heeft beëindigd, althans haar verplichtingen uit de overeenkomst weigert na te komen. Hierdoor is Rijnplant c.s. schadeplichtig jegens Van Bergen en de schade bestaat uit gederfde winst, acquisitiekosten en huisvestingskosten voor uitzendkrachten. Meer subsidiair wordt aanspraak gemaakt op het redelijk loon zoals bedoeld in artikel 7:411 BW. Aan haar tweede vordering legt Van Bergen ten grondslag dat Rijnplant c.s. op toerekenbare wijze tekortgeschoten is in de nakoming van haar verplichtingen uit de overeenkomst door zonder voorafgaand overleg met Van Bergen uitzendkrachten te informeren over de overstap naar een ander uitzendbureau. Tot slot is Rijnplant c.s. tevens kosten verschuldigd, waarop de derde vordering van Van Bergen ziet.

3.3.

Rijnplant c.s. voert verweer strekkende tot niet-ontvankelijk verklaring dan wel afwijzing van de vorderingen, met veroordeling – uitvoerbaar bij voorraad – van Van Bergen in de (na)kosten, alles te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Is in juni 2015 overeenstemming bereikt?

4.1.

Tussen partijen is allereerst in geschil of zij in juni 2015 overeenstemming hebben bereikt en toen een nieuwe inleenovereenkomst hebben gesloten ter voortzetting van de samenwerking tussen partijen in 2016.

4.2.

Van Bergen heeft zich op het standpunt gesteld dat op basis van de e-mail-correspondentie van 8 juni 2015 door middel van aanbod en aanvaarding de inleenovereenkomst voor het jaar 2016 tot stand is gekomen en dat dit een overeenkomst voor bepaalde tijd betreft die niet tussentijds opzegbaar is. Rijnplant c.s. betwist dit en voert daartegen aan dat na overname door de Dümmen Orange Group gesprekken en onderhandelingen over tarieven zijn gevoerd met Van Bergen, maar ook met andere uitzendbureaus. Met de e-mail-correspondentie op 8 juni 2015 is enkel het aanbod van Van Bergen ten aanzien van het tarief – en niet een geheel nieuwe inleenovereenkomst – bevestigd en verduidelijkt.

4.3.

Een overeenkomst komt tot stand door een aanbod en de aanvaarding daarvan (artikel 6:217 lid 1 BW). De vraag of de e-mail van Van Bergen op 8 juni 2015 als een aanbod heeft te gelden alsook de vraag of de reactie daarop als een aanvaarding heeft te gelden, hangt af van wat partijen hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid, overeenkomstig de zin die zij daaraan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mochten toekennen (artikelen 3:33 en 3:35 BW).

4.4.

Tegen de achtergrond van dit uitgangspunt acht de rechtbank het standpunt Van Bergen over de e-mailcorrespondentie van 8 juni 2015 onjuist. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet anders dan geconcludeerd worden dat het partijen voor ogen heeft gestaan om met die e-mailcorrespondentie enkel het door Van Bergen als laatste aangeboden tarief vast te leggen, dit met het oog op verdere onderhandelingen over een te sluiten overeenkomst. Dit oordeel vindt allereerst ondersteuning in het feit dat Van Bergen wist dat zij niet het enige uitzendbureau was waarmee Rijnplant c.s. samenwerkte en dat er naast gesprekken met Van Bergen tevens gesprekken met concurrenten plaatsvonden over de samenwerking in 2016. Van Bergen heeft dit met zoveel woorden op de zitting bevestigd. Rijnplant c.s. heeft op de zitting verklaard dat de gesprekken met Van Bergen en concurrenten, zoals bekend was bij Van Bergen, plaatsvonden in het licht van de overname door de Dümmen Orange Group en de daarmee gepaard gaande wijzigingen. Van Bergen heeft deze verklaring niet weersproken. Dit wijst erop dat de gesprekken in juni 2015, waaruit de e-mails van 8 juni 2015 zijn voortgevloeid, niet meer dan een stap waren in de oriëntatie van Rijnplant c.s. op mogelijk in 2016 in te schakelen uitzendbureaus. Nu Van Bergen van die context op de hoogte was, kan zij redelijkerwijs er niet op hebben vertrouwd dat met die e-mails een definitieve overeenkomst tot stand was gekomen. Dit vindt ook bevestiging in de daarop volgende handelwijze van Van Bergen en in de contacten die na de e-mailcorrespondentie hebben plaatsgevonden. Van Bergen heeft immers niet betwist dat er na 8 juni 2015 telefoongesprekken hebben plaatsgevonden en partijen hebben door onderhandeld en gecorrespondeerd over het vastleggen van andere afspraken dan de hoogte van het uurtarief. Ook volgt dit uit de verdere tekst van de e-mail van [persoon 2] op 8 juni 2015. Indien in juni 2015 een inleenovereenkomst voor het jaar 2016 tot stand zou zijn gekomen had het voor de hand gelegen dat partijen de afspraken, direct of kort daarna, in een schriftelijke overeenkomst zouden hebben vastgelegd zoals zij al twee maal eerder hebben gedaan. Tot slot wijst ook de reactie van Van Bergen op de mail van Rijnplant c.s. van 15 december 2015 er op dat het voor Van Bergen duidelijk is geweest dat er geen overeenstemming was over voortzetting van de samenwerking tussen partijen in 2016. Diezelfde dag beantwoordt zij immers de opzegging met de woorden ‘wij aub van Bergen respecteren u besluit’ en eerst op 2 februari 2016 is per brief aangegeven dat Van Bergen het besluit tot opzeggen niet respecteert. Dat Van Bergen zich primair om de werknemers bekommerde, zoals zij ter zitting heeft verklaard, doet hier niet aan af en verklaart in elk geval niet waarom het nog tot februari 2016 heeft geduurd voordat zij zich tegen de beëindiging verzette.

4.5.

De rechtbank is, op grond van de door partijen geschetste omstandigheden, van oordeel dat het voor Van Bergen duidelijk moet zijn geweest dat met de mails van 8 juni 2015 geen nieuwe overeenkomst tot stand was gekomen. Van Bergen heeft er in elk geval niet op mogen vertrouwen dat Rijnplant c.s. al in juni 2015 met haar overeen is gekomen de samenwerking in 2016 voort te zetten. Voor zover de vordering van Van Bergen grondslag vindt in een nieuwe in juni 2015 tot stand gekomen inleenovereenkomst voor 2016, ligt deze vordering om die reden voor afwijzing gereed.

De inleenovereenkomst 2015: bepaalde tijd of onbepaalde tijd?

4.6.

Vervolgens is de vraag wat dit betekent voor het beëindigen van de samenwerking tussen partijen. Daarvoor is relevant of partijen op 1 december 2014 met de inleenovereenkomst 2015 een overeenkomst voor bepaalde of voor onbepaalde tijd zijn overeengekomen.

4.7.

Van Bergen heeft zich op het standpunt gesteld dat de inleenovereenkomst 2015 een overeenkomst voor bepaalde tijd, namelijk voor het jaar 2015, betreft. Rijnplant c.s. heeft dit betwist en voert daartegen aan dat zij na de inleenovereenkomst 2014 ervoor heeft gekozen om met de inleenovereenkomst 2015 een algemene inleenovereenkomst aan te gaan voor onbepaalde tijd. Als wel sprake is van een overeenkomst voor bepaalde tijd, dan is deze volgens Rijnplant c.s. per 31 december 2015 van rechtswege geëindigd, nu immers geen nieuwe overeenkomst voor 2016 is gesloten.

4.8.

Ter beantwoording van de vraag wat partijen zijn overeengekomen, dient de inleenovereenkomst 2015 te worden uitgelegd. Daarbij is de tekst en de taal van de overeenkomst van belang, maar komt het tevens aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen en aan de bepalingen van dat geschrift mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158 – Haviltex). Hierbij zijn van beslissende betekenis alle omstandigheden van het concrete geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen, alsmede dat in praktisch opzicht vaak van groot belang is de taalkundige betekenis van de bewoordingen van het geschrift, gelezen in de context ervan als geheel, die deze in (de desbetreffende kring van) het maatschappelijk verkeer normaal gesproken hebben (HR 20 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1427 – DSM/Fox). Verder zijn bij de uitleg van belang de aard van de overeenkomst, de omvang en gedetailleerdheid van de bevestiging, de wijze van totstandkoming ervan – waarbij van belang is of partijen werden bijgestaan door (juridisch) deskundige raadslieden – en de overige bepalingen ervan (HR 19 januari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ3178 – Meyer Europe/Pont Meyer).

4.9.

De tekst van de inleenovereenkomst 2015 is niet volstrekt helder, in het bijzonder is de eerste regel dat niet. Van Bergen heeft echter aangevoerd dat de eerste regel van de overeenkomst (‘de uitlener zal in vanaf 2015 uitzendkrachten […] ter beschikking stellen aan de inlener) moet worden gelezen als ‘in 2015 vanaf januari 2015 uitzendkrachten […] ter beschikking stellen aan de inlener’. Daarbij is van belang dat het Van Bergen is die het contract heeft geredigeerd. Zo gelezen wijst de tekst erop dat de overeenkomst voor bepaalde tijd – namelijk het kalenderjaar 2015 – is bedoeld. Daarnaast bevat de tekst van de inleenovereenkomst 2015 meer aanwijzingen die duiden op het sluiten van een overeenkomst voor bepaalde tijd. Zo staat bijvoorbeeld in de vijfde alinea ‘Uitlener stelt de uitzendkrachten in 2015 beschikbaar […]’. Daarbij komt bovendien dat de tekst van de inleenovereenkomst 2015 niet wezenlijk verschilt van de inleenovereenkomst 2014 waarvan niet in geschil is dat het een overeenkomst voor bepaalde tijd betreft. In beide overeenkomsten is bijvoorbeeld op vrijwel gelijke wijze opgenomen dat partijen aan het eind van het eerstvolgende jaar met elkaar in overleg treden om tot een nieuwe tariefvaststelling te komen. Het aanmerken van de inleenovereenkomst 2015 als een overeenkomst voor bepaalde tijd past daarenboven in de context van de samenwerking tussen partijen die al op basis van de inleenovereenkomst 2014 was ontstaan. De door Rijnplant c.s. aangevoerde feiten die zouden kunnen duiden op een inleenovereenkomst voor onbepaalde tijd, maken dit niet anders. Rijnplant c.s. heeft ter comparitie verklaard dat haar beraadslagingen en besluitvorming over de voortzetting van de samenwerking voor onbepaalde tijd na één inleenovereenkomst voor de bepaalde tijd van één jaar, niet zijn gedeeld met Van Bergen en enkel intern binnen Rijnplant c.s. hebben plaatsgevonden.

4.10.

Het vorenstaande in onderlinge samenhang bezien leidt de rechtbank tot de conclusie dat partijen met de inleenovereenkomst 2015 een overeenkomst voor bepaalde tijd hebben gesloten. Dit heeft tot gevolg dat de samenwerking tussen partijen van rechtswege is geëindigd door het verstrijken van de duur waarvoor zij werd aangegaan, zoals Rijnplant c.s. heeft betoogd en door Van Bergen niet is weersproken. De handelwijze van partijen bevestigt overigens het einde van de overeenkomst per einde 2015. Rijnplant c.s. heeft Van Bergen immers op 15 december 2015 te kennen gegeven de samenwerking niet voort te zetten en daarop is door Van Bergen niet direct negatief gereageerd.

4.11.

Ter comparitie is aan de zijde van Van Bergen te kennen gegeven dat zij het beroep op artikel 7:411 BW niet langer handhaaft zodat de meer subsidiaire grondslag van de eerste vordering geen verdere bespreking behoeft.

4.12.

Op grond van het voorgaande dient de eerste vordering te worden afgewezen.

Handelen in strijd met art. 12 algemene voorwaarden?

4.13.

De tweede vordering van Van Bergen ziet op het toerekenbaar tekortschieten van Rijnplant c.s. in de nakoming van haar verplichtingen uit de inleenovereenkomst. Het gaat daarbij om de vraag of Rijnplant c.s. in strijd met artikel 12 van de algemene voorwaarden heeft gehandeld door de betreffende uitzendkrachten schriftelijk te informeren omtrent het feit dat Rijnplant c.s. wilde overstappen naar het uitzendbureau VoornePutten.

4.14.

Tussen partijen is niet in geschil dat op de tussen hen gesloten inleenovereenkomst 2015 de algemene voorwaarden van toepassing zijn. Verder is niet in geschil dat de onderhandelingen over het voortzetten van de samenwerking tussen partijen in 2016, pas kort voor het kerstverlof van veel uitzendkrachten definitief zijn stukgelopen. Daarnaast staat vast dat Rijnplant c.s. Van Bergen schriftelijk op de hoogte heeft gesteld van het voornemen om verder te gaan met VoornePutten, namelijk middels het bericht op 15 december 2015. Het vorenstaande in onderlinge samenhang bezien leidt de rechtbank tot de conclusie dat Rijnplant c.s. heeft gedaan wat zij in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs behoorde te doen en dat zij niet in strijd met artikel 12 van de algemene voorwaarden heeft gehandeld. Het belang van de werknemers vergde dat zij voor hun kerstverlof zouden worden geïnformeerd over de beëindiging van de samenwerking tussen Van Bergen en Rijnplant c.s. en de gevolgen daarvan voor hun positie. Dat deze informatie in de tijd min of meer samenviel met het moment waarop Van Bergen door Rijnplant c.s. werd geïnformeerd, is mogelijk ongelukkig maar wordt gerechtvaardigd door de korte tijd die voor de kerstverloven nog resteerde. Niet gezegd kan worden dat die korte tijd het gevolg is van handelen dat voor risico van Rijnplant c.s. moet komen. Overigens is niet gebleken dat Van Bergen enige schade heeft geleden als gevolg van een mogelijke schending van artikel 12 van de algemene voorwaarden. Van Bergen heeft daartoe niets concreets gesteld.

4.15.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat ook de tweede vordering van Van Bergen dient te worden afgewezen.

De kosten

4.16.

Het voorgaande betekent dat ook de derde vordering van Van Bergen moet worden afgewezen.

4.17.

Van Bergen zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Rijnplant c.s. worden begroot op:

- griffierecht 3.903,00

- salaris advocaat 6.422,00 (2,0 punt × tarief € 3.211,00)
Totaal € 10.325,00

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt Van Bergen in de proceskosten, aan de zijde van Rijnplant c.s. tot op heden begroot op € 10.325,00,

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling, mr. A.A. Muilwijk-Schaaij en mr. M.J.M. van Beckhoven en in het openbaar uitgesproken op 11 januari 2017.
2868/2053/1980