Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:5908

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
27-07-2017
Datum publicatie
02-08-2017
Zaaknummer
6041833/VV EXPL 17-206
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Ontruiming in kort geding ogv artikel 7:231-2 BW en art 13b Opumwet, sluiting woning door burgemeester. Nog geen onherroepelijke beslissing na bezwaar en beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 6041833 / VV EXPL 17-206

uitspraak: 27 juli 2017

vonnis in kort geding ex artikel 254 lid 5 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

de stichting

Stichting Waterweg Wonen,

gevestigd te Vlaardingen,

eiseres bij exploot van dagvaarding van 20 juni 2017,

gemachtigde: mr. K.J. van Bergenhenegouwen,

tegen

[gedaagde] ,

domicilie gekozen hebbend te Dordrecht, op het kantoor van zijn na te noemen gemachtigde,

gedaagde,

gemachtigde: mr. J.P.M. Castelein, te Dordrecht.

Partijen worden hierna aangeduid als Waterweg Wonen respectievelijk [gedaagde].

1 Het verloop van de procedure

De kantonrechter heeft kennis genomen van de volgende processtukken:

  • -

    het originele exploot van dagvaarding in kort geding, met producties;

  • -

    de pleitnotitie van de kant van [gedaagde].

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 12 juli 2017. Namens Waterweg Wonen is op de zitting verschenen de heer [B.], consulent beheer, bijgestaan door de gemachtigde. [gedaagde] is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

De standpunten van partijen zijn mondeling toegelicht. De gemachtigde van [gedaagde] heeft dit gedaan aan de hand van een pleitnotitie die zij heeft overgelegd.

Van het verhandelde ter zitting heeft de griffier aantekening gehouden.

De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis nader bepaald op heden.

2 De vaststaande feiten

In het kader van de onderhavige procedure kan van de volgende vaststaande feiten worden uitgegaan.

2.1.Waterweg Wonen verhuurt met ingang van 4 januari 2010 aan [gedaagde] als huurder de sociale (eensgezins)huurwoning aan de [straat-en plaatsnaam] (verder de woning). Op de huurovereenkomst zijn van toepassing de algemene huurvoorwaarden (verder de Huurvoorwaarden).

2.2

Op 23 februari 2017 heeft de politie, naar aanleiding van een melding van inbraak, een onderzoek ingesteld en in en nabij de woning verdovende middelen genoemd op lijst I en II van de Opiumwet aangetroffen (717,4 gram MDMA (pillen) in de woning en in een tas nabij de woning met 1.451,5 gram henneptoppen). Daarnaast zijn in de woning aangetroffen een digitale weegschaal en een koolstoffilter.

2.3

Op 16 maart 2017 heeft de burgemeester van de gemeente Vlaardingen (verder de burgemeester) [gedaagde] aangeschreven en meegedeeld dat hij voornemens is de woning op grond van artikel 13b van de Opiumwet voor de duur van zes maanden te sluiten en hem in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze in te dienen.

2.4

Bij besluit van 7 april 2017 heeft de burgemeester de woning op grond van artikel 13b Opiumwet voor zes maanden gesloten. De sluiting is ingegaan op 10 april 2017 en duurt tot 10 oktober 2017.

2.5

Bij brief van 7 april heeft Waterweg Wonen de huurovereenkomst met [gedaagde] op grond van artikel 7:231 lid 2 BW buitengerechtelijk ontbonden.

2.6

[gedaagde] heeft bij monde van zijn gemachtigde aan Waterweg Wonen laten weten niet te berusten in de buitengerechtelijke ontbinding en de woning niet aan Waterweg Wonen te zullen opleveren.

2.7.

[gedaagde] heeft bij de bestuursrechter in deze rechtbank bezwaar gemaakt tegen het (onder 2.4 bedoelde) besluit van de burgemeester en aan de voorzieningenrechter van deze rechtbank (team Bestuursrecht) verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

De bestuursrechter heeft in zijn uitspraak van 8 mei 2017 overwogen dat in bezwaar het bestreden besluit naar verwachting in stand zal blijven, daarom geen aanleiding gezien voor het treffen van een voorlopige voorziening en het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening afgewezen. De bezwaarprocedure loopt nog.

3 De vordering

3.1

Waterweg Wonen heeft bij dagvaarding gevorderd bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen:

  1. binnen drie dagen na betekening van het vonnis, althans binnen een in goede justitie te bepalen termijn, althans, zodra de burgemeester van de gemeente Vlaardingen de sluiting van de woning (tijdelijk) heeft opgeheven, de woning te ontruimen en te verlaten met alle zich daarin en/of daarop bevindende personen en/of zaken, voor zover deze laatste niet eigendom van Waterweg Wonen zijn, en onder afgifte van alle sleutels, ter vrije en algehele beschikking van Waterweg Wonen te stellen;

  2. in de kosten van de procedure.

3.2

Waterweg Wonen baseert haar vordering -naast de onder 2.1 tot en met 2.6 genoemde vaststaande feiten- op de sluiting van de woning door de burgemeester en de daarop gevolgde buitengerechtelijke ontbinding van de huurovereenkomst, waardoor de huurovereenkomst op 7 april 2017 is geëindigd en [gedaagde] gehouden is de woning, in elk geval zodra de sluiting is opgeheven, te ontruimen. Bestuursrechtelijke rechtsmiddelen tegen het besluit van de burgemeester behoeven niet te worden afgewacht. Het sluitingsbesluit ligt in de onderhavige (civiele) procedure niet ter toetsing aan de voorzieningenrechter voor.

3.3

Waterweg Wonen heeft een spoedeisend belang bij de ontruiming van de woning. In redelijkheid kan niet van haar worden verwacht een maandenlange bodemprocedure af te wachten. Met het ontruimingsvonnis kan zij de gemeente Vlaardingen verzoeken de sluiting voortijdig op te heffen en kan zij -na ontruiming door [gedaagde]- de sociale huurwoning weer verhuren.

4 Het verweer

4.1

[gedaagde] heeft de vordering tot ontruiming betwist. Hij stelt zich op het standpunt dat een ontruiming een te zwaar middel is, waarbij in het geheel geen rekening wordt gehouden met zijn situatie. Op hetgeen [gedaagde] verder heeft aangevoerd wordt hierna -voor zover van belang voor de beoordeling- ingegaan.

5 De beoordeling

5.1

Naar het oordeel van de kantonrechter heeft Waterweg Wonen een voldoende spoedeisend belang bij de door haar gevorderde voorlopige voorziening. Blijkens de wetsgeschiedenis heeft de wetgever met artikel 7:231 lid 2 beoogd in gevallen waar de woning op grond van een besluit van de burgemeester is gesloten, de verhuurder de mogelijkheid te bieden zo spoedig mogelijk en niet pas na een procedure tot ontbinding van de huurovereenkomst, de huurovereenkomst te beëindigen en een nieuwe huurder te vinden. Waterweg Wonen is in zoverre ontvankelijk is in haar vordering.

5.2.

In dit kort geding moet, mede op basis van hetgeen partijen naar voren hebben gebracht, worden beoordeeld of de in deze zaak aannemelijk te achten omstandigheden een ordemaatregel vereisen dan wel of de vordering van Waterweg Wonen in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft dat het, mede gelet op de wederzijdse belangen van partijen, gerechtvaardigd is op de toewijzing daarvan vooruit te lopen door het treffen van een voorziening zoals gevorderd. Het navolgende behelst dan ook niet meer dan een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen.

5.3

In artikel 7:231 lid 2 BW is bepaald dat een verhuurder een huurovereenkomst buitengerechtelijk kan ontbinden als door gedragingen in het gehuurde in strijd is gehandeld met de Opiumwet en het gebouw op grond van artikel 13b van de Opiumwet is gesloten. De burgemeester is ingevolge het bepaalde in artikel 13b lid 1 Opiumwet bevoegd een woning te sluiten als in of bij die woning middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijsten I en II worden verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig zijn (artikel 13b lid 1 Opiumwet). MDMA is opgenomen in voornoemde lijst I, hennep in voornoemde lijst II.

5.4

De in artikel 7:231 lid 2 BW gegeven bevoegdheid aan de verhuurder grijpt zeer diep in de woonrechten van de huurder in en vormt een uitzondering op de regel dat ontbinding van de huurovereenkomst op de grond dat de huurder is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen slechts door de rechter kan geschieden. Een veroordeling tot ontruiming van een woning bij wijze van voorlopige voorziening zal veelal een definitief karakter hebben en daarmee vergaande gevolgen voor de huurder. Terughoudendheid van de kort gedingrechter bij de beoordeling of een ontruiming bij wijze van voorlopige voorziening gerechtvaardigd is, is daarom geboden. Een ontruimingsvordering zoals de onderhavige, is in kort geding dan ook slechts toewijsbaar wanneer zeer aannemelijk is dat de bodemrechter tot het oordeel zal komen dat de huurovereenkomst op goede gronden buitengerechtelijk is ontbonden. Voor die terughoudendheid is in deze zaak reden te meer, nu het besluit van de burgemeester nog niet onherroepelijk is. De voorzieningenrechter dient zich er derhalve rekenschap van te geven dat het besluit van de burgemeester kan worden vernietigd. (zie ook Hof Arnhem 31 januari 2012, ECLI:NL:GHARN:2012:BV2382, WR 2012/56). Immers, als het besluit van de burgemeester in bezwaar of beroep ongedaan gemaakt wordt, ontvalt de grond aan de buitengerechtelijke ontbinding.

5.5

Voorop gesteld wordt dat Waterweg Wonen de bevoegdheid toekwam de huurovereenkomst met [gedaagde] op grond van artikel 7:231 lid 2 BW te ontbinden indien door gedragingen in de woning in strijd met artikel 2 of 3 van de Opiumwet was gehandeld en de woning daarom op grond van artikel 13b van die wet was gesloten. [gedaagde] heeft op zich zelf niet betwist dat daarvan sprake is. Niet nodig is dat de huurder een tekortkoming kan worden verweten; dat de woning is gesloten op grond van artikel 13b Opiumwet is voldoende om tot buitengerechtelijke ontbinding over te gaan.

5.6

Zowel in het geval dat er sprake is van een onherroepelijk besluit tot sluiting door de burgemeester en de verhuurder gerechtigd was de huurovereenkomst buitengerechtelijk te ontbinden, als in het geval dat het sluitingsbesluit nog niet definitief is geworden, zoals in de onderhavige zaak, kunnen de omstandigheden van het geval meebrengen dat het gebruik maken van de bevoegdheid tot buitengerechtelijke ontbinding van de huurovereenkomst naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid als onaanvaardbaar moet worden aangemerkt. ( zie ook Hof Amsterdam, 19 juli 2011; ECLI:NL:GHAMS:2011:BU7147).

In dat kader overweegt de kantonrechter het volgende.

5.6.1

Vast staat dat in en nabij de woning van [gedaagde] verboden middelen zijn aangetroffen. De aangetroffen MDMA is sowieso een verboden middel, terwijl de aangetroffen hennep een hoeveelheid betreft die ruimschoots een gebruikershoeveelheid overschrijdt. Onbetwist is dat de aangetroffen hoeveelheden hard- en softdrugs moeten worden aangemerkt als handelshoeveelheden. Ook de aangetroffen digitale weegschaal en koolstoffilter wijzen op activiteiten die op grond van de Opiumwet verboden zijn.

5.6.2

[gedaagde] heeft erkend dat hij de hennep in de woning aanwezig heeft gehad. Hij deed dit, naar zijn zeggen, om een vriend, een eigenaar van een coffeeshop, die hij al jaren kent, te helpen tegen een kleine vergoeding van € 50,00 tot € 100,00. Van de harddrugs wist hij niets af. Hij vermoedt dat de kennis, aan wie hij zijn woning had geleend, de harddrugs in zijn woning heeft gebracht. Desgevraagd heeft [gedaagde] tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat hij inmiddels door de strafrechter voor het aanwezig hebben van de aangetroffen hennep is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 40 dagen waarvan 30 dagen voorwaardelijk en dat hij daarnaast een bedrag van € 1.800,00 moet betalen in het kader van de toegewezen vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Voor de aanwezigheid van de harddrugs is hij vrijgesproken, evenals voor handel.

5.6.3

[gedaagde] heeft met de keuze om een handelshoeveelheid hennep in zijn woning te bewaren, naar zijn zeggen als vriendendienst, er welbewust voor gekozen om deel te nemen aan criminele activiteiten. Daarmee heeft hij zijn woonbelang op het spel gezet en welbewust het risico van ontbinding en ontruiming genomen. De situatie waarin hij zich thans bevindt -een woning die door de gemeente is gesloten en een verhuurder die ontruiming wenst- heeft hij dan ook zelf gecreëerd. Dat er sprake is geweest van onder druk zetten door derden, zoals zijn gemachtigde tijdens de mondelinge behandeling heeft gesuggereerd, is niet gebleken. In tegendeel, het was een vriendendienst, die ook nog lucratief voor hem was, hij kreeg er immers een vergoeding voor. Dat [gedaagde] zich achteraf realiseert dat hij verkeerde keuzes heeft gemaakt, maakt dit niet anders.

5.6.4

[gedaagde] heeft gesteld dat Waterweg Wonen op geen enkele wijze rekening heeft gehouden met zijn persoonlijke situatie. Tijdens de mondelinge behandeling heeft hij in dat kader zijn leeftijd, gezondheidstoestand en financiële situatie genoemd, echter, zonder enige onderbouwing. De gevorderde voorziening tot ontruiming van de woning is voor hem weliswaar ingrijpend, maar het is niet aannemelijk geworden dat hij daardoor in een noodsituatie is terecht gekomen.

5.6.5

Gesteld noch gebleken is dat Waterweg Wonen door gebruik te maken van haar ontbindingsbevoegdheid misbruik heeft gemaakt van enig recht. Zij dient als verhuurder te voorkomen dat de door haar verhuurde woningen worden gebruikt voor criminele activiteiten, met de daaraan verbonden negatieve uitstraling voor de woonomgeving. Gelet op de precedentenwerking dienen dergelijke activiteiten zoveel mogelijk ontmoedigd te worden. Verder dient zij te waken voor de leefbaarheid in de wijken waarin haar woningen zijn gelegen en voert zij ten aanzien van drugs in haar woningen een zero tolerance beleid. Een feitelijke beëindiging van het gebruik van de woning door [gedaagde] beantwoordt aan dat doel. Voorts hoeft van Waterweg Wonen niet gevergd te worden dat zij treedt in de overwegingen die de burgemeester aan zijn sluitingsbesluit ten grondslag heeft gelegd. Zij mag van de juistheid van een en ander uitgaan, tenzij (nader) blijkt van concrete feiten en omstandigheden die maken dat in redelijkheid moet worden geoordeeld dat het besluit ondeugdelijk is. [gedaagde] heeft geen feiten en omstandigheden gesteld die de burgemeester niet bekend waren bij het nemen van het besluit en die aanleiding geven voor de veronderstelling dat het besluit ondeugdelijk is.

5.7

Op grond van de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien, acht de kantonrechter de kans dat de burgemeestersluiting bij bezwaar en eventueel beroep daartegen vernietigd wordt, niet aannemelijk.

5.8

De slotsom is dan ook dat het voldoende aannemelijk wordt geacht dat in een bodemprocedure zal worden geconcludeerd dat de buitengerechtelijke ontbinding door Waterweg Wonen een einde aan de huurovereenkomst heeft gemaakt. Daarom vindt de kantonrechter het gerechtvaardigd, om daarop vooruitlopend, thans de vordering tot ontruiming toe te wijzen. De ontruimingstermijn wordt vastgesteld op veertien dagen nadat

burgemeester van de gemeente Vlaardingen de sluiting van de woning heeft opgeheven.

5.9

[gedaagde] wordt in de proceskosten veroordeeld omdat hij de partij is die ongelijk krijgt.

5.10

Hetgeen partijen overigens nog hebben aangevoerd behoeft geen beoordeling, nu dit niet tot een ander oordeel leidt.

6 De beslissing

De kantonrechter,

rechtdoende in kort geding:

veroordeelt [gedaagde] om de woning aan de [straat-en plaatsnaam] te ontruimen binnen veertien dagen nadat de burgemeester van de gemeente Vlaardingen de sluiting van de woning (tijdelijk) heeft opgeheven, met alle personen en zaken die zich vanwege hem daar bevinden en de woning met overhandiging van de sleutels aan Waterweg Wonen ter beschikking te stellen;

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Waterweg Wonen vastgesteld op € 117,00 aan griffierecht, € 99,21 aan dagvaardingskosten en € 600,00 aan salaris voor de gemachtigde;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het méér of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. K.J. Bezuijen en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

362