Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:5901

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
19-07-2017
Datum publicatie
27-07-2017
Zaaknummer
C/10/507351 / HA ZA 16-775
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Burengeschil. Uitleg erfdienstbaarheid, doorgang in erfafscheiding, onderhoud, hinder, plaatsing beveiligingscamera.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team haven en handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/507351 / HA ZA 16-775

Vonnis van 19 juli 2017

in de zaak van

1 [eiser 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [eiser 2],

wonende te [woonplaats] ,

3. de vereniging

VERENIGING VAN EIGENAARS FLAT TUINLAAN NR 68ABC,

gevestigd te Schiedam,

eisers,

advocaat mr. P. Feenstra te Zoetermeer,

tegen

1 [gedaagde 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [gedaagde 2],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagden,

advocaat mr. T. Verbaas te Utrecht.

Eisers zullen hierna [eiser 1] , [eiser 2] en de VvE genoemd worden en gedaagden [gedaagde 1] en [gedaagde 2] . Eisers worden tezamen als [eisers] en gedaagden tezamen als [gedaagden] aangeduid.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 24 juni 2016, met producties 1 tot en met 16;

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties 1 en 2;

  • -

    de oproepbrief van de rechtbank van 5 oktober 2016;

  • -

    de brief van mr. Verbaas van 10 januari 2017 met productie 3 tot en met 6;

  • -

    het B8-formulier namens [eisers] met productie 17;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 31 januari 2017.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Het perceel kadastraal bekend gemeente Schiedam [perceel] (hierna: [perceel] ) is in eigendom van [eisers] Het perceel is gesplitst in drie appartementsrechten, plaatselijk bekend [adres en woonplaats]

2.2.

[eiser 1] en [eiser 2] zijn gehuwd en wonen aan de [adres en woonplaats] .

2.3.

[gedaagden] is eigenaar van het perceel, plaatselijk bekend als [perceel gedaagden] ev., kadastraal bekend gemeente Schiedam, sectie [perceel gedaagden] (hierna: [perceel gedaagden] ). [perceel gedaagden] ligt achter het [perceel] en wordt geëxploiteerd als bergings- en stallingsruimte. Het binnenplein is omringd door 28 garageboxen welke door [gedaagden] worden verhuurd aan ondernemers uit het midden- en kleinbedrijf.

2.4.

Naast het perceel van [eisers] ligt aan de straatzijde een kantoorpand, plaatselijk bekend [perceel gedaagden] en kadastraal bekend gemeente Schiedam sectie [perceel gedaagden] (hierna: [perceel gedaagden] ). Laatstgenoemd perceel is eveneens eigendom van [gedaagden]

2.5.

Op het [perceel] ligt, direct naast en parallel aan [perceel gedaagden] , een doorgang die leidt naar het daarachter gelegen [perceel gedaagden] . Vanaf de straat is [perceel gedaagden] alleen via dit pad te bereiken. Aan het eind van het pad bevindt zich op het [perceel] een overdekte poort/toegang.

2.6.

In een akte houdende vestiging erfdienstbaarheid van 1 juli 1949, bij afschrift ingeschreven ten kantore voor de Dienst voor het kadaster en de openbare registers op 2 juli 1949 in hypotheken 4 deel 2870 nummer 14 is de navolgende passage opgenomen:

dat het laatstgemeld perceel Sectie L nommer 3045 niet aan de openbare weg uitkomt, zodat voor dit perceel een uitweg over een aangrenzend perceel naar de [adres] noodzakelijk is, verklaarden bij deze te vestigen ten behoeve van het gemeld perceel Gemeente Schiedam, [perceel gedaagden] , als heersend erf en ten laste van het gemeld perceel Gemeente Schiedam [perceel] als dienstbaar erf de erfdienstbaarheid van weg om te komen van en te gaan naar de Tuinlaan over een strook grond ter breedte van ongeveer drie meter langs de noordwestelijke grens van het dienstbaar erf en te dien aanzien te bepalen:

dat in de bovenomschreven erfdienstbaarheid begrepen is het recht om met auto’s van de uitweg gebruik te maken;

dat het onderhoud van de vorenomschreven strook grond en de uitvoering van de voor de uitoefening van de erfdienstbaarheid noodzakelijke werken, alsmede het onderhoud en de eventueel noodzakelijke vernieuwing van de afsluitingen van de bovenbedoelde strook grond voor het geheel zullen komen ten laste van de eigenaren van het heersend erf; en dat de bestaande gedeeltelijke overbouwing van de vorenomschreven strook grond te allen tijde ongewijzigd in stand kan blijven.

2.7.

Voorts staat in een akte van koop en verkoop, verleden op 30 december 1988, bij afschrift ingeschreven op diezelfde dag ten kantore voor de Dienst voor het kadaster en de openbare registers in hypotheken 4 deel 10347 nummer 21 vermeld:

ten laste van het voormelde lijdende erf [perceel] en ten behoeve van het voormelde heersend erf sectie [perceel gedaagden] wordt bij deze bepaald en vastgesteld en als erfdienstbaarheid gevestigd, zulks ter aanvulling op de reeds bestaande erfdienstbaarheid als voormeld:

de bestaande erfdienstbaarheid van weg om te komen van en te gaan naar de Tuinlaan mag op geen enkele wijze belemmerd worden door het aanbrengen van hekwerken of anderszins, zodat te allen tijde een volledig vrije doorgang gewaarborgd blijft.

3 Het geschil

3.1.

[eisers] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

1. Gedaagden te veroordelen, hoofdelijk, om binnen vier weken na betekening van het in deze te wijzen vonnis, de toegangspoort zoals deze zich bevindt in de erfafscheiding gelegen tussen de percelen te Schiedam aan de [perceel gedaagden] (kadastraal bekend gemeente Schiedam, sectie [perceel gedaagden] ) en [perceel] (kadastraal bekend gemeente Schiedam, [perceel] ) te verwijderen, althans permanent te dichten, alsmede om binnen genoemde termijn voor hun rekening en ter vervanging van de huidige erfafscheiding op de erfgrens van genoemde percelen een ondoorzichtige schutting dan wel scheidsmuur te realiseren met een hoogte van twee meter, zulks onder verbeurte van een hoofdelijk door gedaagden te verbeuren dwangsom van € 250,- voor iedere dag dat gedaagde met het vorenstaande in gebreke mochten blijven, althans een zodanige beslissing die de rechtbank in deze rechtens juist en billijk acht;

2. Gedaagden en de zijnen te verbieden om zich voor nu en de toekomst rechtstreeks toegang te verschaffen vanaf hun [perceel gedaagden] tot het [perceel] van eisers, zulks op straffe van een door gedaagden hoofdelijk te verbeuren dwangsom van

€ 250,- voor iedere overtreding van het vorenstaande, althans een zodanige beslissing die de rechtbank in deze rechtens juist en billijk acht;

3. gedaagden te veroordelen, hoofdelijk, om binnen vier weken na betekening van het in deze te wijzen vonnis, over te gaan tot het uitvoeren van het achterstallig onderhoud aan de oprit en de overbouwing (overdekte toegang), waaronder doch niet uitputtend is begrepen:

a) het naar de eis van goed en deugdelijk werk egaliseren van onderhavig wegdek van de oprit vanaf de openbare weg tot en met onder de overbouwing en de grond op het achterliggende perceel, zulks naar de eis van goed en deugdelijk werk en overeenkomstig het advies van [ingenieur] d.d. 29 maart 2016;

b) het uitvoeren van achterstallig onderhoud aan de muren, plafonds en draagconstructie van genoemde overbouwing, zulks naar de eis van goed en deugdelijk werk;

alsmede om gedaagden te veroordelen, hoofdelijk, om in de toekomst algeheel, deugdelijk en periodiek onderhoud uit te voeren aan zowel de oprit als de overbouwing, zulks naar de eis van goed en deugdelijk werk;

dit alles onder verbeurte van een door gedaagden hoofdelijk te verbeuren dwangsom van € 500,- voor iedere dag dat gedaagden met het vorenstaande in gebreke mochten blijven, althans een zodanige beslissing die de rechtbank in deze rechtens juist en billijk acht;

4. gedaagden te veroordelen, hoofdelijk, tot betaling aan eisers van een bedrag van in hoofdsom € 3.390,27 uit hoofde van onrechtmatig handelen wegens de door eisers aan hun eigendom (garagebox) geleden schade, zulks vermeerderd met de wettelijke rente over genoemd bedrag vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening, althans een zodanige beslissing die de rechtbank in deze rechtens juist en billijk acht;

5. gedaagden te verbieden om een camera te bevestigen aan/op hun eigendom, dan wel op een andere plek, gericht op eisers en de hunnen, het registergoed van eisers dan wel overige bezittingen van eisers, alsmede om gedaagden te bevelen de reeds aangebrachte camera aan de achtergevel van hun eigendom binnen een week na betekening van het in deze te wijzen vonnis te verwijderen en verwijderd te houden, zulks op straffe van een door gedaagden hoofdelijk en met voor matiging vatbare te verbeuren dwangsom van € 100,- voor iedere overtreding van het vorenstaande en voor elk (dag) deel dat de overtreding voortduurt, althans een zodanige beslissing die de rechtbank in deze rechtens juist en billijk acht;

6. gedaagden te veroordelen, hoofdelijk, om de door gedaagden op de erfafscheiding tussen de percelen 2875 en 3044 aangebrachte verlichting te verwijderen dan wel dusdanig af te stellen dat deze tussen 23.00 uur en 06.00 uur buiten gebruik is en op andere tijdstippen maximaal 3 minuten licht geeft, zulks onder verbeurte van een door gedaagden hoofdelijk te verbeuren dwangsom van € 100,- voor iedere overtreding van het vorenstaande en iedere dag dat deze overtreding voortduurt, althans een zodanige beslissing die de rechtbank in deze rechtens juist en billijk acht;

7. gedaagden te gelasten er zorg voor te dragen dat eisers en de hunnen ten allen tijde onbelemmerd en vrijelijk toegang hebben tot hun eigendommen, tevens inhoudende dat eisers niet geconfronteerd zullen worden met feitelijke versperringen/belemmeringen door gedaagden en de gebruikers/huurders van perceel 3045, alsmede te bepalen dat eisers geen overlast van de huurders/gebruikers van de garageboxen op perceel 3045 meer zullen ondervinden, waaronder - doch niet uitputtend opgesomd - als hinder wordt begrepen:

- het (al dan niet) kortstondig parkeren voor of op de oprit en/of onder de overbouwing;

- het veroorzaken van geluidsoverlast door luid spelende (auto-)radio’s;

- het langdurig stationair laten draaien van motorvoertuigen;

- het met een hogere snelheid dan 5 kilometer per uur rijden op de oprit/onder de overbouwing;

- het toelaten van (beladen) voertuigen met een gewicht boven de 1750 kilogram;

zulks onder verbeurte van een door gedaagden hoofdelijk te verbeuren dwangsom ten bedrage van € 100,- voor iedere overtreding van het vorenstaande en/of elk dagdeel dat de overtreding voortduurt, althans een zodanige beslissing die de rechtbank in deze rechtens juist en billijk acht;

8. gedaagden te veroordelen om geen ander verkeer toe te laten tot [perceel gedaagden] dan de huurders van de garageboxen die zich aldaar bevinden (en met een maximum van 1 motorvoertuig per garagebox) en om gedaagden te gelasten het gebruik van de afzonderlijk gerealiseerde parkeerplekken per direct te staken, zulks onder verbeurte van een door gedaagden hoofdelijk te verbeuren dwangsom van € 100,- voor iedere overtreding van het vorenstaande, althans een zodanige beslissing die de rechtbank in deze rechtens juist en billijk acht;

9. gedaagden te veroordelen, hoofdelijk, in de kosten van de procedure.

3.2.

Het verweer van [gedaagden] strekt tot afwijzing van de vordering.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Hieronder zullen de geschilpunten die partijen verdeeld houden per onderwerp worden besproken.

Aanbrengen doorgang in perceelafscheiding

4.2.

[gedaagden] heeft foto’s in het geding gebracht waarop zichtbaar is dat de erfafscheiding tussen de percelen [perceel] en [perceel gedaagden] bestaat uit een (doorzichtig) hekwerk en stenen pilaren. In het hekwerk is in 2005/2006 een deur aangebracht die eveneens bestaat uit een doorzichtig hekwerk. Deze deur/poort wordt volgens [eisers] met regelmaat gebruikt door de werknemers en cliënten van het bedrijfspand, die zich over het pad naar de straat begeven. Op deze wijze heeft [gedaagden] een ‘achterom’ gerealiseerd via het eigendom van [eisers] De verleende erfdienstbaarheid strekt er echter toe om het achterliggende [perceel gedaagden] te bereiken en niet een recht van overpad te creëren ten behoeve van het [perceel gedaagden] . [gedaagden] gaat hun recht van erfdienstbaarheid te buiten. [gedaagden] handelt voorts onrechtmatig jegens [eisers] door onterecht gebruik te laten maken van de doorgang door gebruikers van het [perceel gedaagden] .

4.3.

[gedaagden] stelt dat zij [eisers] voorafgaand op de hoogte heeft gesteld van de te plaatsen perceelafscheiding en hierover overleg heeft gevoerd. [gedaagden] heeft de deur/poort weliswaar vernieuwd, maar vóór deze vernieuwing heeft op die plaats ook een deur gezeten. Deze deur was al aanwezig in 1998, ten tijde van de aankoop door [gedaagden] van het [perceel gedaagden] . [gedaagden] beroept zich daarom primair op verjaring. Subsidiair meent [gedaagden] dat elk belang bij toewijzing van de vordering op straffe van verbeurte van een dwangsom ontbreekt, laat staan dat grond aanwezig is voor een veroordeling om de opening te dichten.

4.4.

De rechtbank overweegt dat uit het bepaalde in artikel 5:50 BW gelezen in combinatie met de jurisprudentie (zie onder meer ECLI:NL:HR:1984:AG4738 alsmede ECLI:NL:RBGEL:2013:CA0512) volgt dat het verboden is in een muur die de erfscheiding vormt zonder toestemming van de eigenaar van het naburige erf een deur aan te brengen die toegang verleent tot het naburige erf. Nu van enige toestemming aan de zijde van [eisers] niet is gebleken, dient de deur in beginsel te worden verwijderd, tenzij het beroep op verjaring slaagt. Voor zover [gedaagden] zich heeft beroepen op de erfdienstbaarheid, overweegt de rechtbank dat het recht van erfdienstbaarheid is gevestigd ten behoeve van [perceel gedaagden] en dat het [gedaagden] derhalve niet vrij staat om vanaf het [perceel gedaagden] gebruik te maken van het pad dat is gelegen op het [perceel] .

4.5.

Naar het oordeel van de rechtbank is de vordering niet verjaard. Daartoe overweegt zij als volgt. De verjaringstermijn bedraagt op grond van het bepaalde in artikel 3:306 BW twintig jaren. De termijn van verjaring van een rechtsvordering tot opheffing van een onrechtmatige toestand begint met de aanvang van de dag volgende op die waarop de onmiddellijke opheffing van die toestand gevorderd kan worden (artikel 3:314 lid 1 BW). De feitelijke onrechtmatige toestand betreft de aanwezigheid van de deur in de erfafscheiding. Vervolgens is de vraag vanaf wanneer die onrechtmatige toestand bestaat. Daarover verschillen partijen van mening. [gedaagden] heeft betoogd dat zich voor 1998 een deur bevond in de erfafscheiding, terwijl [eisers] verwijst naar een overgelegde brief uit 1995 waarin de rechtsvoorganger van [gedaagden] verzoekt om een deur in de scheidsmuur aan te brengen. Hierop heeft [eisers] afwijzend gereageerd. Voorts heeft [eisers] een foto van hun dochter in de tuin overgelegd, waaruit blijkt dat er in 1990 geen deur in de erfafscheiding aanwezig was. Dit leidt bij de rechtbank tot de conclusie dat [gedaagden] haar beroep op verjaring, in het licht van het door [eisers] gevoerde onderbouwde verweer, onvoldoende heeft onderbouwd. Het had op de weg van [gedaagden] gelegen om haar standpunt nader en gemotiveerd te onderbouwen.

4.6.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de vordering van [eisers] om de deur permanent te dichten, toewijsbaar is. Daartoe is het enkele op slot draaien van de deur onvoldoende: er dient een aanpassing plaats te vinden zodanig dat er geen deur in het hekwerk meer aanwezig is.

4.7.

[eisers] heeft onder 1 eveneens gevorderd om een ondoorzichtige scheidsmuur te realiseren met een hoogte van twee meter. Dit gedeelte van de vordering is niet toewijsbaar om de navolgende reden. Op grond van het bepaalde in artikel 5:49 BW kan [eisers] te allen tijde vorderen dat [gedaagden] meewerkt aan het oprichten van een scheidsmuur van twee meter hoogte op de erfgrens met het [perceel gedaagden] . De kosten dienen door de eigenaars van beide percelen in gelijke delen te worden gedragen. In artikel 5:43 BW is neergelegd dat onder muur een ondoorzichtige afsluiting wordt begrepen. Gelet op het voorgaande kan [eisers] derhalve niet van [gedaagden] vorderen om een ondoorzichtige scheidmuur te plaatsen en de kosten daarvan te dragen. Toewijzen van dit gedeelte van de vordering staat de wet niet toe. De rechtbank verzoekt partijen met elkaar in overleg te treden teneinde tot een oplossing te komen die voor beide partijen bevredigend is.

4.8.

Het vorenstaande brengt met zich dat het gevorderde onder 1 voor toewijzing gereed ligt voor zover dit het permanent dichten van de deur betreft. Daarbij zal de rechtbank de gevorderde termijn van vier weken verlengen naar zes weken in verband met de huidige vakantieperiode. Nu uit de overgelegde kadastrale gegevens blijkt dat het [perceel gedaagden] toebehoort voor het 11/20 gedeelte aan [gedaagde 1] en het 9/20 gedeelte aan [gedaagde 2] , zullen zij tezamen worden veroordeeld om de deur/toegangspoort te verwijderen, althans permanent te dichten, zodanig dat hiervan geen gebruik meer kan worden gemaakt. Voor een hoofdelijke veroordeling is gelet op hetgeen in artikel 6:6 BW is bepaald, geen ruimte. De rechtbank zal voorts de gevorderde dwangsom opleggen, nu deze haar niet onredelijk hoog voorkomt. Daaraan zal zij een maximum verbinden.

4.9.

De rechtbank zal het gevorderde onder 2 afwijzen, nu door de toewijzing van het gevorderde onder 1 het belang daarvan is komen te ontvallen. Immers, indien de deur/toegangspoort permanent is gedicht, brengt dit met zich dat [gedaagde 1] zich niet (meer) rechtstreeks toegang kunnen verschaffen tot het naastgelegen perceel middels de huidige opening.

Onderhoud doorgang en overdekte toegang/poort

4.10.

[eisers] heeft betoogd dat uit het recht van erfdienstbaarheid onomwonden volgt dat de kosten voor het onderhoud van de doorgang en de overdekte toegang tot [perceel gedaagden] geheel voor rekening komen van de eigenaar van het dienende erf, derhalve van [gedaagden] Sinds de aankoop van het perceel heeft [gedaagden] echter nauwelijks tot geen onderhoud gepleegd. Uit de overgelegde deskundigenverklaringen blijkt dat de ongelijke verharding bij de ingang van de overdekte toegang trillingen veroorzaakt die op hun beurt leiden tot verzakking van de huidige verharding. Deze dient te worden geëgaliseerd. Voorts werken deze trillingen ook door in de ankers van de balken van de garage van [eisers] gelegen aan/naast de overkapping die dient als toegang tot [perceel gedaagden] . Hierdoor ontstaat scheurvorming. De onderhoudsplicht van het recht van erfdienstbaarheid strekt zich mede uit tot de overdekte toegang en is niet slechts beperkt tot het wegdek. De herstelkosten van de garage worden begroot op € 3.390,27.

4.11.

[gedaagden] heeft hiertegen aangevoerd dat de onderhoudsverplichting volgens de tekst van het recht van erfdienstbaarheid zich uitstrekt tot de voor de uitoefening van de erfdienstbaarheid ‘noodzakelijke werken’ en ‘eventueel noodzakelijke vernieuwingen van de afsluitingen’. Er bevinden zich echter geen noodzakelijke werken en afsluitingen op het dienende erf. Het onderhoud strekt zich derhalve niet uit tot het verrichten van onderhoud aan de overkapping, deze dient ‘slechts’ ongewijzigd in stand te worden gelaten. [gedaagden] erkent dat zij een onderhoudsverplichting heeft ten aanzien van de strook grond. Deze oprit bestaat voor zo’n 80% uit een grindpad en voor het overige gedeelte (met name onder de overkapping) uit betonplaten. Het onderhoud bestaat uit het schoonhouden van het pad en onkruid verwijderen, meer niet. Wat [eisers] bedoelt met egaliseren is niet duidelijk en volgt ook niet uit het advies van [ingenieur] d.d. 29 maart 2016. Het verwijderen van de betonplaten en het aanleggen van bestrating betreft vervanging en vernieuwing, maar dat behoort niet tot het verrichten van onderhoud. [gedaagden] is bereid om het pad gezamenlijk en dus voor gezamenlijke rekening en risico op te knappen. Voorts betwist [gedaagden] dat er een causaal verband bestaat tussen het rijden van passerende voertuigen door de tunnel en de gestelde schade aan de garage. [gedaagden] heeft de [persoon] gevraagd om een inspectie te doen aan de overbouwing en de garage. De heer [persoon] acht verzakking van de garage door verkeer niet plausibel. De garage is niet onderheid, waardoor verzakken kan voorkomen. Ten slotte wordt de hoogte van de gestelde schade ad € 3.390,27 betwist.

4.12.

De rechtbank overweegt dat partijen in geschil zijn over de vraag voor wiens rekening de onderhoudsverplichting van de overkapping komt. Nu de overkapping is gelegen op het perceel van [eisers] ligt de onderhoudsverplichting in beginsel bij [eisers] als eigenaar van het perceel waarop de overkapping zich bevindt. Dit kan anders zijn indien partijen anders zijn overeengekomen. [eisers] beroept zich op de bepalingen die onderdeel uitmaken van het recht van erfdienstbaarheid. Om de vraag te kunnen beantwoorden of door de vestiging van het recht van erfdienstbaarheid de onderhoudsverplichting bij [gedaagden] als eigenaar van het heersende erf is komen te liggen, dienen deze bepalingen te worden uitgelegd. Bij de uitleg van een notariële akte komt het aan op de daarin tot uitdrukking gebrachte bedoeling van degenen die de erfdienstbaarheid hebben gevestigd. Deze bedoeling moet volgens vaste jurisprudentie worden afgeleid uit de in deze akte gebezigde bewoordingen, uit te leggen naar objectieve maatstaven in het licht van de gehele inhoud van de akte (zie onder meer ECLI:NL:HR:2013:1078 en ECLI:NL:HR:2016:1511).

In de betreffende passage staat vermeld dat het onderhoud van de strook grond waarop de erfdienstbaarheid rust, en van de voor de uitvoering van deze erfdienstbaarheid noodzakelijke werken alsmede van de eventuele noodzakelijke vernieuwingen van de afsluitingen van de strook grond komen voor rekening van [gedaagden] De overkapping kan naar het oordeel van de rechtbank niet als zodanig worden aangemerkt, nu deze niet voor de uitoefening van de erfdienstbaarheid als noodzakelijk kan worden geacht. De overkapping is evenmin als afsluiting te kwalificeren nu het louter een open overkapping betreft. Eerst na de puntkomma wordt in de tekst verwezen naar de bestaande gedeeltelijke overbouwing. Ook daaruit leidt de rechtbank af dat niet bedoeld is om de overkapping te beschouwen als een werk als bedoeld in het eerste gedeelte van de zin. Ten aanzien van de overbouwing is slechts bepaald dat deze in stand moet blijven. Het vorenstaande leidt bij de rechtbank tot het oordeel dat het onderhoud van de overkapping bij [eisers] ligt en dat hun vordering voor zover deze ziet op het onderhoud van de overkapping, voor afwijzing gereed ligt.

4.13.

Ter zake van het onderhoud van de strook grond waarop de erfdienstbaarheid is gevestigd overweegt de rechtbank dat deze volgens de tekst van de erfdienstbaarheid voor rekening van [gedaagden] komt. Dat wordt door [gedaagden] ook niet betwist. De vraag is of onder dit onderhoud eveneens het egaliseren van het wegdek dient te worden begrepen.

Bij gebreke van een nadere definitie van het begrip ‘onderhoud’ in de akte, moet de rechtbank zelf tot een redelijke uitleg komen. Wat onder normaal onderhoud moet worden verstaan, is afhankelijk van het normale gebruik dat van de strook grond wordt gemaakt. In het onderhavige geval wordt van de strook grond gebruik gemaakt door de huurders van de

28 garageboxen die op het [perceel gedaagden] zijn gelegen. Het normale gebruik bestaat derhalve uit het bedrijfsmatig gebruik maken door materieel van verschillende aard en zwaarte door een groot aantal verschillende huurders. Voor het onderhoud is van belang de aard en intensiteit van het gebruik van de strook grond. In die zin acht de rechtbank het aannemelijk dat de huurders van [gedaagden] de strook grond aanzienlijk hebben belast en dat dit heeft geleid tot de scheuren die in het beton onder de overkapping zijn gelegen, waarin kleine stukjes beton ontbreken. Daarnaast is er een kleine uitsparing tussen het beton onder de overkapping en de overige verharding van de strook grond. De werkzaamheden die zullen moeten worden gepleegd om dit te verhelpen, kunnen worden aangemerkt als onderhoud. De rechtbank zal de vordering onder 3 toewijzen voor zover die ziet op het vorenomschreven onderhoud. Daarbij zal de rechtbank eveneens een ruimere herstelperiode van zes weken hanteren vanwege de vakantieperiode en de dwangsom matigen tot € 250,-- en maximeren tot € 10.000,00. De vordering van [eisers] om [gedaagde 1] te veroordelen om ook in de toekomst periodiek onderhoud uit te voeren onder verbeurte van een dwangsom, kan niet worden toegewezen nu dit in de toekomst ligt en niet vast is komen te staan dat [gedaagden] geen gevolg zal geven aan de op haar rustende onderhoudsplicht.

4.14.

De vordering sub 4 om de schade aan de garage, door [eisers] begroot op

€ 3.390,27, te vergoeden, ligt voor afwijzing gereed nu niet is komen vast te staan dat de garage schade heeft geleden door toedoen van [gedaagden]

Plaatsing beveiligingscamera’s en buitenverlichting

4.15.

[gedaagden] heeft naast een regenpijp aan de achterzijde van het kantoorpand van het [perceel gedaagden] een beveiligingscamera geplaatst. De camera bevindt zich op een hoogte van ongeveer vijf meter op de hoek van het pand, derhalve nagenoeg grenzend aan het [perceel] . Er is sprake van een ernstige schending van de privacy van [eiser 1] en [eiser 2] nu de camera duidelijk ook zicht heeft op hun achtertuin. Er is sprake van onrechtmatig handelen omdat de camera ook op een lager punt kan worden gemonteerd. Daarnaast heeft [gedaagden] in 2014 op de erfafscheiding een buitenverlichting geplaatst. Partijen hebben afgesproken dat er geen verlichting zou branden tussen 23.00 en 06.00 uur en dat op andere tijdstippen de verlichting na het aanspringen als gevolg van de sensor niet langer dan drie minuten zou blijven branden. Helaas blijkt dit alles niet het geval en wordt de nachtrust van [eiser 1] en [gedaagde 1] ernstig verstoord door de buitenverlichting die

’s nachts veelvuldig aanspringt.

4.16.

Volgens [gedaagden] is het uitgangspunt dat het is toegestaan om de camera zichtbaar te plaatsen ten behoeve van beveiliging. De beveiligingscamera maakt geen inbreuk op de privacy van [eisers] nu deze geen zicht heeft op de achtertuin van [eisers] Slechts de tuin van het kantoorpand van [gedaagden] en een gedeelte van de grond waarop de erfdienstbaarheid rust worden met de camera bekeken en beveiligd. De vordering tot verwijdering van de camera kan niet worden toegewezen nu elke juridische grondslag daartoe ontbreekt. De buitenverlichting betreft één lamp die aanspringt door middel van een bewegingssensor. Deze lamp is in samenspraak met [eisers] geplaatst. Ongeloofwaardig is dat de lamp ’s nachts met regelmaat aanspringt. Er is geen sprake van onrechtmatige hinder in de zin van artikel 5:37 BW.

4.17.

De rechtbank overweegt als volgt. Uitgangspunt is dat het [gedaagden] in beginsel is toegestaan om – zichtbaar – bewakingscamera’s te plaatsen ten behoeve van de beveiliging van zijn erf en de garageboxen. Ter zitting heeft [gedaagden] toegelicht dat in het verleden vandalisme heeft plaatsgevonden; er zijn tegels en later grind op het terrein van de garageboxen gegooid. Het recht van [gedaagden] om zijn eigendommen te beveiligen is evenwel niet onbegrensd. Onder omstandigheden kan de plaatsing van de camera’s onrechtmatig jegens [eisers] zijn. Dit zal het geval zijn indien [gedaagden] met de camera inbreuk maakt op de privacy van [eisers] Niet in geschil is dat de camera in ieder geval boven 2,5 meter is bevestigd op de achtermuur van het kantoorpand op [perceel gedaagden] . [eisers] heeft in dit kader onder meer betoogd dat de camera bolvormig is en derhalve een panoramisch beeldbereik heeft. [gedaagden] heeft ter zitting verklaard dat de plek is uitgezocht met behulp van een specialistisch beveiligingsbedrijf en dat hij bereid is met [eisers] naar een andere locatie van de camera te kijken. [gedaagden] heeft geen screenprints in het geding gebracht waarop te zien is in welke mate het perceel van [eisers] kan worden bekeken. Gelet op de plaats en hoogte waarop de camera is aangebracht, ligt het voor de hand dat in ieder geval (een deel van) het perceel van [eisers] op de camera kan worden bekeken. De rechtbank is van oordeel dat [gedaagden] maatregelen moet en kan nemen om de privacy van [eisers] te waarborgen. Zo kan een deel van de beelden met blokken worden afgeschermd of kan gekozen worden voor een andere plaats of ander soort camera waardoor het perceel van [eisers] niet kan worden bekeken. De rechtbank zal [gedaagden] dan ook opdragen om de aangebrachte camera te verwijderen. Daartoe zal [gedaagden] eveneens een langere termijn worden gegund dan gevorderd. Nu [gedaagden] reeds heeft toegezegd in samenspraak met [eiser 1] een andere plaats voor de camera te zoeken, ziet de rechtbank geen aanleiding om een dwangsom op te leggen.

4.18.

Ter zake van de buitenverlichting heeft [eisers] sub 6 gevorderd om de verlichting te verwijderen danwel dusdanig af te stellen dat deze tussen 23.00 uur en 06.00 uur buiten gebruik is en op andere tijdstippen maximaal 3 minuten licht geeft. De rechtbank is van oordeel dat het [gedaagde 1] in beginsel vrij staat – zulks ook uit het oogpunt van diefstalpreventie – om een buitenverlichting te hebben die is aangesloten op een bewegingssensor en die langer brandt dan drie minuten op tijdstippen gelegen voor 23.00 uur en na 06.00 uur. De vordering ligt derhalve voor afwijzing gereed.

Ernstige verkeersoverlast huurders

4.19.

Volgens [eisers] maken de huurders van de garageboxen van [perceel gedaagden] frequent gebruik van hun garageboxen. [eisers] ervaart door het komen en gaan van personen en auto’s onrechtmatige hinder in de zin van artikel 5:37 BW juncto 6:162 BW. Er is sprake van geluidsoverlast veroorzaakt door (auto)radio’s en het stationair blijven draaien van de motor.

4.20.

[gedaagden] betwist dat sprake is van ernstige verkeershinder en geluidsoverlast, zodanig dat gesproken kan worden van onrechtmatige hinder. [eisers] voldoet niet aan haar bewijslast nu het bij enkele uitlatingen blijft. Van een verzwaring van de erfdienstbaarheid of een toegenomen gebruik kan niet worden gesproken.

4.21.

Naar het oordeel van de rechtbank is er geen sprake van onrechtmatige hinder. Blijkens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is de vraag of het toebrengen van hinder onrechtmatig is, afhankelijk van de aard, de ernst en de duur van de hinder en de daardoor veroorzaakte schade in verband met de verdere omstandigheden van het geval. In het onderhavige geval heeft [eisers] het eigendom aanvaard in de wetenschap dat op het perceel een erfdienstbaarheid was gevestigd ten behoeve van het achterliggende [perceel gedaagden] waarop 28 parkeerboxen waren gelegen. In de akte staat vermeld dat met de auto gebruik kan worden gemaakt van de erfdienstbaarheid. Nu [eisers] niet heeft onderbouwd dat het gebruik van deze erfdienstbaarheid zodanig buiten het normale gebruik uitgaat dat er sprake is van hinder in de zin van artikel 5:37 juncto 6:162 BW, ligt de vordering sub 7 voor afwijzing gereed.

Aanbrengen parkeervakken op perceel L 3035

4.22.

[gedaagden] handelt voorts volgens [eisers] onrechtmatig door extra parkeervakken aan te brengen op [perceel gedaagden] . Door de bestemming uit te breiden, wordt de erfdienstbaarheid verzwaard.

4.23.

De parkeervakken zijn er volgens [gedaagden] al sinds jaar en dag. [gedaagden] heeft deze niet aangebracht; ook is het aantal garageboxen niet gewijzigd. Nu er geen juridische grondslag is voor deze vordering, dient deze te worden afgewezen.

4.24.

De rechtbank is van oordeel dat ook deze vordering dient te worden afgewezen, nu niet is komen vast te staan dat [gedaagden] extra parkeervakken heeft aangebracht.

4.25.

De rechtbank kan zich voorstellen dat partijen, nu een oordeel is geveld over bovenstaande geschilpunten, opnieuw met elkaar in overleg treden om afspraken te maken om aan hun buurrelatie ook in de toekomst op een voor beide partijen prettige manier invulling te geven.

4.26.

Aangezien elk van partijen als op enig punt in het ongelijk gesteld is te beschouwen, zullen de proceskosten worden gecompenseerd op de hierna te vermelden wijze.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

veroordeelt [gedaagden] om binnen een termijn van zes weken na betekening van dit vonnis, de toegangspoort zoals deze zich bevindt in de erfafscheiding gelegen tussen de percelen te Schiedam aan de [perceel gedaagden] (kadastraal bekend gemeente Schiedam, sectie

[perceel gedaagden] ) en [adres] (kadastraal bekend gemeente Schiedam, [perceel]

) te verwijderen, althans permanent te dichten zoals bedoeld in rechtsoverweging 4.6, zulks onder verbeurte van een dwangsom van € 250,00, voor iedere dag dat gedaagde met het vorenstaande in gebreke mochten blijven, met een maximum aan te verbeuren dwangsommen van € 10.000,00;

5.2.

veroordeelt [gedaagden] om binnen een termijn van zes weken na betekening van dit vonnis, over te gaan tot het uitvoeren van het achterstallig onderhoud aan de strook grond waarop de erfdienstbaarheid rust, bestaande uit het herstel van de scheuren die in het beton onder de overkapping zijn gelegen en in welke scheuren thans kleine stukjes beton ontbreken, alsmede uit het aanbrengen van een aansluiting tussen het beton onder de overkapping en de overige verharding van de strook grond, zodanig dat het beton onder de overkapping en de aansluiting op de strook grond één geheel vormt, zulks onder verbeurte van een dwangsom van € 250,-, voor iedere dag dat gedaagde met het vorenstaande in gebreke mochten blijven, met een maximum aan te verbeuren dwangsommen van

€ 10.000,00;

5.3.

beveelt [gedaagden] om de camera die zich thans bevindt naast een regenpijp aan de achtergevel van het bedrijfspand op het [perceel gedaagden] binnen vier weken na betekening van dit vonnis te verwijderen;

5.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.A. Muilwijk-Schaaij en in het openbaar uitgesproken op 19 juli 2017.

2053/2221