Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:5858

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
14-07-2017
Datum publicatie
04-08-2017
Zaaknummer
5932956 MB VERZ 17-343
Rechtsgebieden
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Parkeren zonder vergunning. Beschikking is opgelegd op grond van feitcode R397i. Het beroep is gegrond. Wijziging in feitcode R592a is niet mogelijk omdat deze feitcode nog niet was ingevoerd. De wettelijke grondslag voor R592 en R592a is nietig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 5932956 \ MB VERZ 17-343

cjib-nummer: 201360153

registratienummer: JH4392

uitspraak: 13 juli 2017

beslissing van de kantonrechter, zitting houdende te Dordrecht, ex artikel 13 Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)

in de zaak van:

betrokkene: [betrokkene]

adres: [straatnaam en huisnummer]

postcode en woonplaats: [postcode, plaatsnaam]

1 Het verloop van de procedure

Bij initiële beschikking van 22 september 2016 is aan betrokkene een sanctie opgelegd van € 90,00, vermeerderd met € 9,00 administratiekosten, ter zake van “een voertuig parkeren op een parkeerplaats voor vergunninghouders aangeduid door verkeersbord E9, zonder dat voor dat voertuig een vergunning tot parkeren op die plaats was verleend”, begaan op woensdag 10 augustus 2016 om 15:32 uur te Leerdam aan de Noordwal (feitcode R397i).

Tegen deze beschikking is betrokkene op 15 oktober 2016 bij de officier van justitie in beroep gekomen.

De officier van justitie heeft het beroep van betrokkene ongegrond verklaard. Deze beslissing is op 23 februari 2017 aan betrokkene verzonden.

Tegen deze beslissing van de officier van justitie heeft betrokkene op 13 maart 2017 beroep aangetekend.

De zaak is behandeld op de openbare zitting van 29 juni 2017, waar namens de officier van justitie de CVOM-vertegenwoordiger is verschenen. Betrokkene is, hoewel behoorlijk opgeroepen niet verschenen.

2 De beoordeling

2.1

De termijnen en formaliteiten voor de procedure bij de kantonrechter zijn in acht genomen.

2.2

Betrokkene heeft aangevoerd dat hij wel in bezit van een vergunning was ten tijde van de gedraging. Hij vindt daarom dat aan hem onterecht een sanctie is opgelegd.

2.3

Artikel 24, eerste lid, aanhef en onder g van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (hierna: RVV) luidt:

“De bestuurder mag zijn voertuig niet parkeren op een parkeerplaats voor vergunninghouders, aangeduid door verkeersbord E9 van bijlage I, indien voor zijn voertuig geen vergunning tot parkeren op die plaats is verleend.”

2.4

Betrokkene heeft middels brieven van de gemeente, alsmede een afschrift van de parkeervergunning voldoende aannemelijk gemaakt dat voor zijn voertuig wel een vergunning was afgegeven. Het artikel vereist niet dat de vergunning zichtbaar achter de voorruit is geplaatst. Het beroep is daarom in zoverre gegrond.

2.5

Tijdens de mondelinge behandeling is door de officier van justitie verzocht om de feitcode te wijzigen. De kantonrechter begrijpt uit dit verzoek dat de officier van justitie hiermee doelt op feitcode R592 of R592a.

2.6

Feitcode R592 vindt zijn grondslag in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a van de Parkeerverordening 2011 van de gemeente Leerdam (hierna: de verordening), dat luidt als volgt:

“Het is verboden op een parkeerplaats voor belanghebbenden te parkeren:

a. zonder vergunning”

2.7

Het artikel heeft dezelfde strekking als het parkeerverbod neergelegd in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder g, van het RVV. Dit artikel is gekoppeld aan feitcode R397i met als omschrijving “als bestuurder een voertuig parkeren op een parkeerplaats voor vergunninghouders aangeduid door verkeersbord E9 zonder dat voor dat voertuig een vergunning tot parkeren op die plaats was verleend.”

2.8

Ingevolge artikel 121 van de Gemeentewet blijft de bevoegdheid tot het maken van gemeentelijke verordeningen ten aanzien van het onderwerp waarin door wetten, algemene maatregelen van bestuur of provinciale verordeningen is voorzien, gehandhaafd, voor zover de verordeningen met die wetten, algemene maatregelen van bestuur en provinciale verordeningen niet in strijd zijn. Aangezien daarvan in het onderhavige geval wel sprake is, zal artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a van de verordening betrokkene niet kunnen binden. Het wijzigen van de feitcode in R592 zal daarom achterwege blijven.

2.9

Artikel 7, eerste lid, aanhef en onder c van de verordening, waarin feitcode R592a zijn grondslag vindt, luidt als volgt:

“Het is verboden op een parkeerplaats voor belanghebbenden te parkeren:

c. in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften en beperkingen.”

2.10

Bij besluit van 15 december 2016 is feitcode R592a, met als omschrijving “als bestuurder van een voertuig parkeren op een parkeerplaats voor vergunninghouders in strijd met de aan de parkeervergunning verbonden voorwaarden”, aan de bijlage als bedoeld in artikel 2, eerste lid, Wahv toegevoegd (Stb. 2016, 540).

2.11

Nu de kantonrechter is gehouden de beslissing van de officier van justitie ex tunc te toetsen, kan de feitcode, aangezien deze eerst na de gedraging aan de hiervoor genoemde bijlage is toegevoegd, niet worden gewijzigd in R592a.

2.10

Ten overvloede overweegt de kantonrechter dat ook artikel 7, eerste lid, aanhef en onder c van de verordening dezelfde strekking heeft als het parkeerverbod in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder g RVV. Beiden beogen zij het reguleren van parkeervoorzieningen. Voor een gemeentelijke verbodsbepaling die eenzelfde doel heeft als de verbodsbepaling in de RVV bestaat geen ruimte.

2.11

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zal de feitcode niet worden gewijzigd. Het beroep is dan ook gegrond.

3 De beslissing

De kantonrechter:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de beslissing van de officier van justitie alsmede de initiële beschikking;

bepaalt dat aan betrokkene een bedrag van € 99,00 wordt gerestitueerd.

Deze beslissing is gegeven door mr. R.R. Roukema en uitgesproken ter openbare zitting.

30395

Wanneer de bij deze beslissing opgelegde sanctie meer bedraagt dan € 70,00 of uw beroep niet-ontvankelijk is verklaard op grond van het niet tijdig stellen van zekerheid, staat ingevolge artikel 14 Wahv tegen deze uitspraak hoger beroep open binnen 6 weken na de hieronder vermelde dag van toezending bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Het beroepschrift dient ingezonden te worden bij de kantonrechter (Postbus 7003, 3300 GC Dordrecht). Het is niet mogelijk om beroep hoger beroep in te stellen per e-mail.

Datum toezending: