Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:5828

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
20-07-2017
Datum publicatie
25-07-2017
Zaaknummer
10/700193-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III (het voorhanden hebben van een pistool met 4 bijbehorende kogelpatronen) levert op een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10/700193-17

Datum uitspraak: 20 juli 2017

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

preventief gedetineerd in Penitentiaire Inrichting Nieuwegein,

raadsman mr. J.P.M. Denissen, advocaat te Utrecht.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 6 juli 2017.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie, mr. H.A. van Wijk, heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 13 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar en de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering is geadviseerd.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Bewijswaardering

4.1.1.

Standpunt verdediging

Aangevoerd is dat onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is voor een bewezenverklaring van het ten laste gelegde. Verdachte ontkent het ten laste gelegde feit en het dossier bevat onvoldoende bewijsmiddelen die deze ontkenning ontkrachten.

4.1.2.

Beoordeling

Uit het proces-verbaal van bevindingen met nummer [proces-verbaalnummer] blijkt dat de surveillerende verbalisanten [naam verbalisant 1] en [naam verbalisant 2] de verdachte staande hielden op verdenking van overtreding van de Opiumwet en vroegen om zijn legitimatiebewijs. Deze werd door de verdachte getoond. Bij navraag van de politiesystemen bleek de verdachte voor te komen ter zake vuurwapenbezit en andere strafbare feiten. Op de vraag of de verdachte verdovende middelen bij zich had, haalde hij zelf twee brokjes hash uit zijn jaszak. Verbalisant [naam verbalisant 1] vroeg daarop of de verdachte nog meer verdovende middelen bij zich had. Daarop reageerde verdachte heel zenuwachtig.

Nadat verbalisant [naam verbalisant 1] daarop de verdachte mededeelde dat hij een onderzoek aan zijn kleding wilde instellen, probeerde de verdachte eerst zijn identiteitsbewijs uit diens handen te trekken en rende vervolgens weg.

De verbalisanten hoorden vervolgens een klap en geritsel in de bosjes. Verbalisant [naam verbalisant 2] zag de verdachte even later bij bosjes staan. De verdachte rende vervolgens weg, waarna verbalisant [naam verbalisant 1] hem aanhield ter zake overtreding van de Opiumwet.

De verbalisanten hebben vervolgens een onderzoek ingesteld nabij het pad waar de verdachte had gerend en gestaan. De pet van de verdachte werd aangetroffen op het pad en ongeveer twee meter daarvandaan in de bosjes werd een zwartkleurig vuurwapen aangetroffen.

Onderzoek aan het vuurwapen wees uit dat het om een Zastava 70 ging, waarin zich een patroonmagazijn met 4 patronen bevond.

Uit het DNA-onderzoek door het NFI is gebleken dat het DNA-profiel van de verdachte matcht met het DNA-mengprofiel dat is verkregen van het DNA in de bemonstering van het aangetroffen vuurwapen. Vanwege het grote aantal donoren is het volgens het NFI niet mogelijk om de bewijskracht te berekenen.

Uit het dossier blijkt voorts dat in de telefoon van de verdachte diverse foto’s werden aangetroffen, waarop de verdachte stond afgebeeld met een op het in de bosjes aangetroffen vuurwapen gelijkend vuurwapen. De verdachte is tijdens zijn politieverhoor met deze foto’s geconfronteerd. Desgevraagd antwoordde de verdachte dat dit een luchtdrukpistool en speelgoed betrof.

De verklaring van de verdachte ter terechtzitting inhoudende dat, áls zijn DNA op het vuurwapen is aangetroffen, dat erop terecht zou kunnen zijn gekomen doordat hij ten val is gekomen en daarbij mogelijk met zijn hand het vuurwapen heeft aangeraakt, acht de rechtbank gelet op alle omstandigheden niet aannemelijk.

De rechtbank acht het ten laste gelegde gelet op deze omstandigheden voldoende wettig en overtuigend bewezen.

4.1.3.

Conclusie

Het verweer wordt verworpen.

4.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij op of omstreeks 06 april 2017 te Spijkenisse, gemeente Nissewaard, een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder 1º van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet in de vorm van een pistool, nl een pistool van het merk Zastava, type 70, kaliber 7.65mm en/of munitie in de zin van artikel 1 onder 4º, gelet op artikel 2 lid 2 categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 4, bij het vuurwapen behorende, kogelpatronen van het kaliber 7.65mm, voorhanden heeft gehad.

5 Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit

begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het feit is dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feiten waarop de straf is gebaseerd

De verdachte had op 6 april 2017 een illegaal vuurwapen voorhanden.

Het ongecontroleerde bezit van vuurwapens is bijzonder laakbaar. Vuurwapens leveren in de maatschappij een onaanvaardbaar risico op, omdat het bezit van een vuurwapen maar al te gemakkelijk leidt tot het gebruik ervan. Het afvuren van een vuurwapen heeft meestal ernstig lichamelijk letsel of de dood tot gevolg. Alleen al het tonen van een vuurwapen leidt tot grote angst van degenen die ermee geconfronteerd worden. Het bezit van een vuurwapen en bijbehorende munitie is dan ook onaanvaardbaar en dient zwaar bestraft te worden.

In het nadeel van verdachte wordt daarbij meegewogen dat het vuurwapen geladen was en dat verdachte dit bij zich droeg op de openbare weg.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft voorts acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 9 juni 2017 op naam van de verdachte, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld, onder meer voor soortgelijke strafbare feiten.

7.3.2.

Rapportage

Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op het rapport van Reclassering Nederland van

20 juni 2017. Uit dit rapport komt onder andere naar voren dat bij de verdachte sprake zou zijn van PTSS, een verstandelijke beperking en hechtingsproblematiek. Geadviseerd wordt bij schuldigverklaring een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf met een meldplicht en andere voorwaarden het gedrag betreffende op te leggen.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van het feit en het strafblad van verdachte kan naar het oordeel van de rechtbank daarop evenwel niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd.

Nu de reclassering begeleiding en bijzondere voorwaarden noodzakelijk acht, zal de rechtbank een deel van de voorgenomen straf voorwaardelijk opleggen, met de voorwaarden die hierna worden genoemd. Dit voorwaardelijk strafdeel dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op artikel 26 van de Wet Wapens en Munitie.

9 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

10 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) maanden;

bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 4 (vier) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt gesteld op 2 jaar, na te melden voorwaarden overtreedt;

stelt als algemene voorwaarden:

  • -

    de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

  • -

    de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;

  • -

    de veroordeelde zal medewerking verlenen aan reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

stelt als bijzondere voorwaarden:

  • -

    de veroordeelde zal zich melden bij Reclassering Nederland, zolang en frequent als die reclasseringsinstelling dat noodzakelijk vindt;

  • -

    de veroordeelde zal zich inspannen tot het hebben en houden van een zinvolle dagbesteding, inkomen en een geschikte woonruimte - zo nodig met ambulante begeleiding, zulks ter beoordeling van de reclassering - en tot het regelen van een zorgverzekering.

geeft aan genoemde reclasseringsinstelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A.M.H. Geerars, voorzitter,

en mrs. R. Brand en W.J.M. Diekman, rechters,

in tegenwoordigheid van mrs. L. Lobs-Tanzarella en V.A.M.G. van de Bilt, griffiers,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De tweede griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 06 april 2017 te Spijkenisse, gemeente Nissewaard, een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder 1º van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet in de vorm van een pistool, nl een pistool van het merk Zastava, type 70, kaliber 7.65mm en/of munitie in de zin van artikel 1 onder 4º, gelet op artikel 2 lid 2 categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 4, bij het vuurwapen behorende, kogelpatronen van het kaliber 7.65mm, voorhanden heeft gehad.