Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:5826

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
02-06-2017
Datum publicatie
25-07-2017
Zaaknummer
10/750102-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Invoer van cocaïne verwerkt in koffers en kleding. Het in bezit hebben van een verboden vuurwapen en munitie in de vorm van een gaspistool en 50 knalpatronen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 10/750102-11

Datum uitspraak: 2 juni 2017

Tegenspraak

(Verkort vonnis)

De rechtbank Rotterdam heeft op grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren op [geboortedatum verdachte] te [geboorteplaats verdachte] ,

thans uit andere hoofde gedetineerd in de PI Nieuwegein.

De terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 22 mei 2017.

De verdachte, bijgestaan door zijn raadsman mr. K. Durdu, advocaat te Rotterdam, is ter terechtzitting verschenen en gehoord.

De officier van justitie mr. M.A. Boheur heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten. De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 92 dagen, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.

De tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

(zaak [dossiernaam 1] )

hij in of omstreeks de periode van 22 juni 2011 tot en met 29 augustus 2011 te Rotterdam en/of (elders)in Nederland en/of Brussel (België), tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid cocaïne (verwerkt en/of in een koffer), in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen,

  • -

    (een) ander(en) heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen of uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen, en/of

  • -

    zich en/of (een) ander(en) gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen, en/of

  • -

    voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven bedoelde feit,

hebbende verdachte en/of (een of meer van) verdachtes mededader(s)

  • -

    (telefonisch) contacten onderhouden met zijn mededader(s) en/of

  • -

    ontmoetingen gehad met zijn mededader(s) en/of

  • -

    een hotel geregeld en/of betaald voor zijn mededader(s) en/of

  • -

    een lijst en/of sms-bericht met producten voorhanden gehad en/of ontvangen en/of het (laten) aanschaffen van die producten, welke producten (middels een chemische bewerking) bestemd zijn voor het terugwinnen van cocaïne;

2.

(zaak [dossiernaam 2] )

hij op of omstreeks 27 augustus 2011 te Rotterdam, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 categorie III onder 1° van de Wet wapens en munitie, te weten,

  • -

    een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3° van die Wet, in de vorm van een gaspistool van het merk Blow, model mini:9, kaliber 9mm P.A.K. en voorzien van serienummer [nummer] , en/of

  • -

    munitie in de zin van artikel 1 onder 4° van de Wet wapens en munitie als bedoeld in art. 2 lid 2 van die wet, van de Categorie III, te weten 50 althans een (groot) aantal knalpatronen, kaliber 9mm P.A.K.,

voorhanden heeft gehad.

De bewijsmiddelen

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist met de bewijsmiddelen, dan wel met een opgave daarvan, zal dit plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit vonnis zal worden gehecht.

De bewezenverklaring

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen - elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft – heeft de rechtbank de overtuiging bekomen dat de verdachte de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten heeft begaan, te weten dat verdachte:

1.

(zaak [dossiernaam 1] )

in de periode van 22 juni 2011 tot en met 29 augustus 2011 te Rotterdam en/of elders in Nederland en/of in Brussel (België), tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid cocaïne (verwerkt en/of in een koffer), een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en te bevorderen,

  • -

    zich en/of (een) ander(en) gelegenheid en middelen en inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen, en

  • -

    voorwerpen en stoffen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven bedoelde feit,

hebbende verdachte

  • -

    (telefonisch) contacten onderhouden met zijn mededaders en

  • -

    ontmoetingen gehad met zijn mededaders en

  • -

    een hotel betaald voor zijn mededader en

  • -

    een lijst en sms-bericht met producten voorhanden gehad en ontvangen en het (laten) aanschaffen van die producten, welke producten (middels een chemische bewerking) bestemd zijn voor het terugwinnen van cocaïne;

2.

(zaak [dossiernaam 2] )

op 27 augustus 2011 te Rotterdam een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 categorie III onder 1° van de Wet wapens en munitie, te weten,

  • -

    een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3° van die Wet, in de vorm van een gaspistool van het merk Blow, model mini 9, kaliber 9mm P.A.K. en voorzien van serienummer [nummer] , en

  • -

    munitie in de zin van artikel 1 onder 4° van de Wet wapens en munitie als bedoeld in art. 2 lid 2 van die wet, van de Categorie III, te weten 50 knalpatronen, kaliber 9mm P.A.K.,

voorhanden heeft gehad.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

Bewijsoverwegingen

De rechtbank overweegt met betrekking tot feit 1 dat uit de tapgesprekken naar voren komt dat verdachte en zijn mededaders zich hebben bezig gehouden met het voorbereiding van de invoer van cocaïne verwerkt in koffers of in kleding. Het verweer van de verdediging dat verdachte hier niet bij betrokken was en alleen contacten had in verband met een openstaande schuld, wordt weerlegd door de inhoud van de tapgesprekken. In deze gesprekken gaat het over geld dat verdachte aan anderen moet geven, maar ook over onder andere goederen die moeten worden gekocht (bestemd voor het terugwinnen van cocaïne) en personen die moeten worden opgehaald, over een koffer waar stukken uit geknipt moeten worden en over het feit dat er kennelijk niks in zit. Dat deze gesprekken over cocaïne gaan, wordt ook nog eens bevestigd door medeverdachte [naam medeverdachte] .

De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

ten aanzien van feit 1:

om een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet voor te bereiden of te bevorderen, zich en/of een ander gelegenheid en middelen en inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en voorwerpen en stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;

ten aanzien van feit 2

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot munitie van categorie III.

De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

De strafoplegging

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Verdachte heeft voorbereidingshandelingen getroffen voor het invoeren van cocaïne vanuit Zuid-Amerika. De cocaïne zou verwerkt in koffers of kleding naar Nederland worden gebracht, waarna de cocaïne via een chemisch proces zou worden teruggewonnen. Verdachte heeft door zijn handelen bijgedragen aan de handel in en het gebruik van verdovende middelen, hetgeen de criminaliteit bevordert. Bovendien leiden dergelijke delicten tot verspreiding van harddrugs, waardoor de volksgezondheid wordt bedreigd. Dit alles is maatschappelijk gezien onaanvaardbaar en rechtvaardigt een strafrechtelijke sanctie.

De rechtbank heeft in aanmerking genomen dat verdachte, blijkens het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie van 19 april 2017, eerder in Portugal is veroordeeld voor harddrugsfeiten.

De rechtbank neemt verder in aanmerking dat er sinds de inverzekeringstelling van verdachte op 27 augustus 2011 bijna 6 jaar zijn verstreken. Naar het oordeel van de rechtbank is de redelijke termijn waarbinnen de berechting van verdachte, als bedoeld in artikel 6 EVRM, dient plaats te vinden daarmee overschreden. Bij de op te leggen straf zal de rechtbank in die zin daarmee rekening houden dat zij geen ruimte meer ziet voor een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van langere duur dan het door verdachte ondergane voorarrest.

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank een gevangenisstraf van 3 maanden, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden.

De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

  • -

    47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht;

  • -

    10a van de Opiumwet en de daarbij behorende lijst I;

  • -

    26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1:

om een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet voor te bereiden of te bevorderen, zich en/of een ander gelegenheid en middelen en inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en voorwerpen en stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;

ten aanzien van feit 2

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot munitie van categorie III;

verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Dit vonnis is gewezen door

mr. G.P. Verbeek, voorzitter,

mr. C.W. de Wit, rechter,

mr. E.C. Kole, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. C.M. van de Kamp, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 2 juni 2017.