Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:5791

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
20-07-2017
Datum publicatie
24-07-2017
Zaaknummer
10/740504-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor het medeplegen van 109 kilo cocaïne in een woning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/740504-16

Datum uitspraak: 20 juli 2017

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Rotterdam, locatie Hoogvliet,

raadsman mr. H. Raza, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 7 juli 2017.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. M. Tiebosch heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaar met aftrek van voorarrest.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Bewijswaardering

4.1.1.

Standpunt verdediging

4.1.1.1 Onvoldoende bewijs

De raadsman heeft vrijspraak bepleit wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat niet kan blijken dat de verdachte wetenschap, opzet dan wel de beschikkingsmacht had over de aangetroffen cocaïne in de woning aan het [adres delict] te Rotterdam. Tevens kan niet blijken van medeplegen. Er blijkt niet dat de verdachte een significante en wezenlijke bijdrage heeft geleverd. De verdachte woonde niet in deze woning; hij kwam slechts af en toe op bezoek om te ‘chillen’. Tevens hielp hij de bewoner van het pand met het ophalen en wegbrengen van spullen en boodschappen. De verdachte heeft de pakketten daarbij niet gezien. En al had hij deze wel gezien dan kon hij aan de hand van de uiterlijke verschijningsvorm van de blokken niet zien dat het om cocaïne ging.

4.1.1.2 Rapportage NFI

Uit het dossier kan niet worden herleid dat hetgeen het NFI heeft getest ook daadwerkelijk de inhoud is van de in het pand [adres delict] aangetroffen blokken. In het dossier ontbreken de zogenaamde kennisgevingen inbeslagname (kvi) waardoor niet gecontroleerd kan worden of hetgeen inbeslaggenomen is, ook naar het NFI is gegaan. Het NFI-rapport en de vaststelling dat er sprake is van cocaïne kan derhalve niet voor het bewijs worden gebruikt. Daarbij zijn maar vijf monsters getest, terwijl er elf zijn gecodeerd.

4.1.1.3 DNA

In de woning [adres delict] zijn spullen aangetroffen met daarop het DNA van de verdachte. Door het NFI is echter DNA-materiaal van de verdachte gebruikt van een geseponeerde zaak. Het DNA-materiaal had derhalve niet gebruikt mogen worden en de testresultaten van het bewijs dienen te worden uitgesloten.

4.1.2.

Beoordeling

Op 6 november 2016 omstreeks 23:17 uur is in de woning aan het [adres delict] -onderdeel van appartementencomplex [naam appartementencomplex] - te Rotterdam een hoeveelheid van 109,17 kilogram aan blokken aangetroffen. De vraag die derhalve als eerste gesteld dient te worden is, gelet op het verweer van de raadsman daaromtrent, of vastgesteld kan worden dat deze blokken cocaïne bevatten.

Op grond van het proces-verbaal van doorzoeking en het proces-verbaal sporenonderzoek wordt vastgesteld dat vanaf de inbeslagneming van de pakketten in voornoemde woning, de deponering daarvan in de kluis op het politiebureau, de monsterneming en weging aan de hand van de spooridentificatienummers (hierna SIN-nummers) tot en met de indiening daarvan bij het NFI op grond van de voorgaande nummering van de logistieke keten van voornoemde pakketten navolgbaar en controleerbaar is. De goednummers genoemd in de lijst van in beslag genomen goederen bij het proces-verbaal van doorzoeking zijn te koppelen aan de SIN-nummers die weer terug te vinden zijn in de rapportage van het NFI. Hoewel er sprake is van kleine afwijkingen in de verslaglegging omtrent het aantal pakketten, variërend van 106 tot 108 stuks, en het aantal kilogram, zijn in elk geval ten minste 106 pakketten in beslag genomen die in totaal ten minste 109,17 kilogram cocaïne bevatten. De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan het op ambtseed opgestelde proces-verbaal van weging en zal dit als bewijs gebruiken voor het totaal aantal kilo’s cocaïne. Voorts zijn alle pakketten indicatief positief op cocaïne getest door de politie en heeft het NFI vijf van de elf ingezonden monsters positief getest op cocaïne. Dat blijkens de rapportage van het NFI kennelijk niet alle 11 pakketten zijn getest door het NFI, maar slechts vijf met de oneven SIN-nummers, doet niet af aan het feit dat de vijf monsters die wel zijn getest cocaïne bevatten. Overigens is onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de random door de politie genomen monsters en de door het NFI geteste monsters niet representatief zouden zijn als steekproef. Gelet op dit alles kan worden vastgesteld dat hetgeen in de woning aan het [adres delict] is aangetroffen cocaïne betreft.

Voorts dient te vraag te worden gesteld of de verdachte de in de woning aanwezige cocaïne aanwezig heeft gehad. Tijdens de doorzoeking van het pand is een motorhelm en een sleutel van de motor van de verdachte aangetroffen. Ook lag in die woning de iPad van de verdachte. Op de parkeerplaats behorend bij deze woning is verdachtes motor aangetroffen. De in de woning aangetroffen cocaïne was direct in het zicht opgestapeld in de keuken, tevens de plek waar men bij het betreden van de woning direct binnenkomt. Uit de uitgekeken camerabeelden in samenhang met de slotgegevens van het pand blijkt dat de verdachte op 5 én 6 november 2016 meermalen in voornoemde woning is geweest en (grote) boodschappentassen (bigshoppers) en koffers met inhoud in en uit deze woning heeft gebracht. Tevens is te zien dat de verdachte samen met een man genaamd [naam] op 6 november 2016 omstreeks 22:10 uur uit het pand twee zware tassen/koffers naar een auto brengt. Omstreeks 22:20 uur verlaat de verdachte dan het pand met een tas. Tot het moment dat de politie, nog geen uur later, het pand binnengaat, is er geen slotactiviteit meer waargenomen.

Gelet op de manier waarop de cocaïne is aangetroffen (direct in het zicht en geseald in blokken van ongeveer één kilogram), de frequentie van het betreden en verlaten van de woning voorafgegaan of gevolgd door het sjouwen van (zware) koffers en grote boodschappentassen, het laatste tijdstip omstreeks 22:20 uur waarop dit voor het laatst gebeurde, in samenhang met de voornoemde laatste slotactiviteiten omstreeks 22:23 uur tot de voornoemde politie-inval omstreeks 23:17 uur, dit alles in onderling verband en samenhang bezien, heeft de verdachte wetenschap en beschikkingsmacht gehad op het aanwezig hebben van de tenlastegelegde cocaïne. Mede gelet op de voornoemde handelingen waaruit blijkt van een actieve en significante bijdrage door de verdachte is sprake van nauwe en bewuste samenwerking, zodat hij daarom is aan te merken als medepleger. Voor het ten laste gelegde ‘aanwezig hebben’ is, anders dan de raadsman betoogt, niet noodzakelijk dat de verdovende middelen de verdachte toebehoren.

Het door de verdachte aangevoerde alternatieve scenario dat hij voor [naam] , die een pakketdienst zou hebben, slechts pakketten zou bezorgen met auto-onderdelen of boodschappen deed is, in het licht van het voorgaande, ongeloofwaardig.

De rechtbank komt op grond van het bovenstaande derhalve tot oordeel dat er wettig en overtuigend bewijs voorhanden is van het medeplegen van het voorhanden hebben van de tenlastegelegde ongeveer 109,17 kilogram cocaïne.

Nu de rechtbank het bewijs met betrekking tot de aangetroffen DNA-sporen niet als bewijs zal gebruiken, behoeft het verweer omtrent de eventuele onrechtmatige verkrijging hiervan geen nadere bespreking.

4.1.3.

Conclusie

Het verweer wordt in al zijn onderdelen verworpen.

4.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij op of omstreeks 06 november 2016 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad (in totaal) ongeveer 109,17 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan, de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft met zijn mededader(s) in een woning in het appartementencomplex [naam appartementencomplex] ongeveer 109 kilogram cocaïne voorhanden gehad. Gelet op de hoeveelheid kan het niet anders dan dat het bestemd is geweest voor de handel. Het is een feit van algemene bekendheid dat de handel in cocaïne uitermate winstgevend is en de ervaring leert ook dat het dikwijls gepaard gaat met andere vormen van criminaliteit, variërend van lichte verwervingscriminaliteit die veel schade en overlast veroorzaken, tot zware criminaliteit, zoals geweldsmisdrijven. Het is ook een feit van algemene bekendheid dat veel gebruikers van verdovende middelen strafbare feiten plegen in het kader van de financiering van hun behoefte aan verdovende middelen. Dit zorgt voor maatschappelijke overlast en schade. Bovendien is het gebruik van verdovende middelen sterk verslavend en veroorzaakt het schade aan de gezondheid van gebruikers. Het is bovendien verontrustend dat woningen in normale wooncomplexen kennelijk worden benut als zogenoemde safehouses waarin grote hoeveelheden harddrugs worden bewaard. Hierdoor kunnen nietsvermoedende bewoners worden geconfronteerd met de bovengenoemde gevolgen van drugscriminaliteit. De verdachte is geheel aan deze gevolgen voorbij gegaan en heeft alleen oog gehad voor zijn eigen financieel gewin.

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 12 juni 2017, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit.

De verdediging heeft verzocht tot de oplegging van een lagere gevangenisstraf dan door de officier van justitie is geëist gelet op onder meer zijn jeugdige leeftijd en kleine rol in het geheel en dat een gevangenisstraf van hooguit twee jaren meer recht doet aan de zaak.

Gezien de ernst van het feit en de aanzienlijke hoeveelheid cocaïne kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf van geruime duur. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op verdachtes rol als hiervoor is omschreven en op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd.

De rechtbank ziet op grond van het strafblad en de jonge leeftijd van de verdachte wel aanleiding om af te wijken van de strafeis van de officier van justitie en een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen. Dit voorwaardelijk deel dient ervoor de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 47 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

9 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

10 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 (zesendertig) maanden;

bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 8 (acht) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt gesteld op 3 jaren, na te melden voorwaarden overtreedt;

stelt als algemene voorwaarde:

- de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

beveelt dat de tijd van 111 dagen die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis, is doorgebracht bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. S. Jordaan, voorzitter,

en mrs. J. van Dort en D. Visser, rechters,

in tegenwoordigheid van mrs. R. van Puffelen en M. van Driel, griffiers,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De oudste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 06 november 2016 te Rotterdam

tezamen en in vereniging met een ander of anderen,

opzettelijk

aanwezig heeft gehad

(in totaal) ongeveer 109,17 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een

materiaal bevattende cocaïne,

zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,

dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

(artikel 2 onder C jo 10 Opiumwet)

art 2 ahf/ond C Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 10 lid 3 Opiumwet