Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:5763

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
20-07-2017
Datum publicatie
21-07-2017
Zaaknummer
10/680362-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft aangever met een schep tegen zijn hoofd geslagen. Vrijspraak poging doodslag. Poging zware mishandeling bewezen; geslaagd beroep op noodweer. Benadeelde partij niet-ontvankelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/680362-17

Datum uitspraak: 20 juli 2017

Tegenspraak

Verkort vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] ( [geboorteland verdachte] ) op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres: [adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

raadsvrouw mr. R.S. Boonstra, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 6 juli 2017.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. M. Luijpen heeft gevorderd:

  • -

    vrijspraak van de ten laste gelegde poging tot doodslag;

  • -

    bewezenverklaring van de ten laste gelegde poging zware mishandeling;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 200 uur, subsidiair 100 dagen vervangende hechtenis, alsmede tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

4 Beoordeling van het tenlastegelegde

De verdachte heeft verklaard dat zij haar buurman [naam slachtoffer] (hierna: aangever) op 25 mei 2017 met een schep een klap tegen zijn hoofd heeft gegeven. De aangever heeft bij de politie verklaard dat hij op genoemde datum van de verdachte een klap met een schep tegen de linkerkant van zijn hoofd heeft gekregen. Het dossier bevat een foto waarop duidelijk is te zien dat aangever een forse, diepe wond aan de linkerkant van zijn hoofd heeft.

De vraag die voorligt is of de verdachte bij het geven van die klap (voorwaardelijk) opzet had op het doden van aangever, dan wel op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij aangever. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting onvoldoende aanknopingspunten bieden om te kunnen stellen dat het slaan met de schep tegen de linkerkant van het hoofd van aangever een aanmerkelijke kans op de dood heeft opgeleverd. Een belangrijke schakel die ontbreekt is de verklaring van een arts over de mogelijke gevolgen van het toegebrachte letsel. De verdachte zal daarom van de ten laste gelegde poging tot doodslag worden vrijgesproken.

Anders dan de verdediging acht de rechtbank de ten laste gelegde poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel wél wettig en overtuigend bewezen. Naar het oordeel van de rechtbank is het een feit van algemene bekendheid dat er een aanmerkelijke kans bestaat dat aan een persoon zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht, als deze persoon met een schep tegen de zijkant van het hoofd wordt geslagen, nu zich in het hoofd kwetsbare en vitale delen bevinden. Dat het letsel in ernst relatief beperkt is gebleven, is slechts een gelukkige omstandigheid die niet aan de verdachte is te danken en sluit, gezien haar handelwijze, een aanmerkelijke kans op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel geenszins uit. Door te handelen zoals de verdachte heeft gedaan, heeft zij naar het oordeel van de rechtbank deze kans ook bewust aanvaard, zodat sprake is van voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij aangever.

4.1.

Bewezenverklaring

Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het onder primair - impliciet subsidiair - ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

zij op of omstreeks 25 mei 2017 te Dordrecht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon genaamd [naam slachtoffer] van het leven te beroven, zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een schep tegen/op (de zijkant van) het hoofd van die [naam slachtoffer] heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

De overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan is gegrond op de redengevende inhoud van het voorgaande en op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende tot bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Het vonnis zal in die gevallen waarin de wet dit vereist worden aangevuld met een later bij dit vonnis te voegen bijlage met daarin de inhoud dan wel de opgave van de bewijsmiddelen.

5 Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

5.1.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte een geslaagd beroep op noodweer toekomt, omdat sprake was van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van de partner van de verdachte en haarzelf door aangever en diens zoon, waartegen verdediging noodzakelijk was.

5.2.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat een beroep op noodweer niet kan slagen, omdat de verdachte zelf de conflictsituatie heeft opgezocht door niet in haar woning te blijven en de politie te bellen, maar door naar buiten te gaan en een schep te pakken. Door met een schep tegen het hoofd van aangever te slaan, heeft de verdachte bovendien disproportioneel gehandeld.

5.3.

Beoordeling van de strafbaarheid

Aangezien de rechtbank wettig en overtuigend bewezen acht dat de verdachte aangever met een schep tegen de zijkant van zijn hoofd heeft geslagen, dient te worden beoordeeld of en in hoeverre de overige feiten en omstandigheden een beroep op noodweer van de verdachte rechtvaardigen.

De verdachte heeft verklaard dat aangever en zijn zoon in de ochtend van 25 mei 2017 tegen haar keukenraam sloegen en dat haar partner daarop naar buiten is gegaan. Zij zag dat aangever haar partner een stomp op zijn neus gaf waardoor hij op de grond viel en dat aangever en zijn zoon haar partner vervolgens schopten terwijl hij op de grond lag. Zij is daarop ook naar buiten gegaan waarop zij van aangever een stomp op haar neus kreeg waardoor zij met haar rug tegen de schutting viel. De zoon van aangever heeft haar vervolgens meerdere keren op haar rug geslagen. Daarna heeft zij aangever met een schep, die in haar buurt stond, één klap tegen zijn hoofd gegeven om zichzelf en haar partner te verdedigen, aldus nog steeds de verdachte.

Aangever heeft verklaard dat de partner van de verdachte met een hakmes naar buiten kwam en dat hij, nadat hij dat mes 4 of 5 keer had ontweken, de hand/pols van de partner te pakken kreeg waarna zij beiden op de grond terecht kwamen. Vervolgens kreeg hij van de verdachte een klap met een schep tegen de linkerkant van zijn hoofd. Zijn zoon kwam eerst ter plaatse nadat hij met de schep was geslagen. Na de klap met de schep heeft hij de verdachte een harde duw tegen haar borst gegeven om een tweede klap te voorkomen, maar hij heeft haar niet in haar gezicht geraakt, aldus aangever.

De verklaringen van aangever en de verdachte lopen op punten uiteen, maar op belangrijke punten overlappen zij elkaar. Op basis van de door de verdachte, haar partner en de zoon van aangever afgelegde verklaringen, stelt de rechtbank vast dat aangever en zijn zoon in de ochtend van 25 mei 2017 naar de woning van de verdachte zijn gegaan en dat zij op het keukenraam sloegen en tegen de gevel van de keuken schopten om zich te beklagen over geluidsoverlast. Daarop is de partner van de verdachte met een hakmes naar buiten gelopen en is hij door aangever tegen de grond gewerkt. De partner van de verdachte is daarbij geslagen en geschopt terwijl hij op de grond lag, wat zichtbaar letsel heeft opgeleverd. Daarop heeft de verdachte, die stelt niet te hebben geweten dat haar partner zich had bewapend voordat hij naar buiten ging, gereageerd door ook naar buiten te gaan. In de gegeven omstandigheden bestaat een recht op zelfverdediging, omdat sprake was van een noodweersituatie ten aanzien van de partner van de verdachte. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verdachte dan ook gehandeld ter noodzakelijke verdediging van andermans lijf, namelijk dat van haar partner, tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. Tevens is de rechtbank, anders dan de officier van justitie, van oordeel dat de verdachte door haar handelwijze binnen de grenzen van proportionaliteit en subsidiariteit is gebleven. Daarbij weegt zwaar mee dat de (vrouwelijke) verdachte fysiek veruit de mindere moet zijn geweest ten opzichte van aangever en zijn zoon, dat zij zich niet met blote handen tegen hen kon verweren en het daarom te billijken valt dat zij met een schep tegen de zijkant van het hoofd van aangever heeft geslagen.

Conclusie

De rechtbank honoreert het beroep op noodweer en acht het bewezenverklaarde niet strafbaar, zodat de verdachte ter zake daarvan zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

6 Vordering benadeelde partij

Als benadeelde partij heeft [naam slachtoffer] zich in het geding gevoegd ter zake van het ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 481,93 aan materiële schade en een vergoeding van € 2.700,00 aan immateriële schade.

6.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij wordt toegewezen voor een bedrag van € 1.481,93, te weten een bedrag van € 481,93 aan materiële schade en een bedrag van € 1.000,00 aan immateriële schade. Tevens heeft de officier van justitie oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd.

6.2.

Standpunt verdediging

Namens de verdachte heeft de raadsvrouw afwijzing van de vordering van de benadeelde partij bepleit.

6.3.

Beoordeling

De benadeelde partij zal in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat de verdachte zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging en aan haar dus geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Nu de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard, zal de benadeelde partij worden veroordeeld in de kosten door de verdachte ter verdediging van de vordering gemaakt, welke kosten tot op heden worden begroot op nihil.

7 Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte de (onder primair impliciet primair) ten laste gelegde poging tot doodslag heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte de (onder primair impliciet subsidiair) ten laste gelegde poging zware mishandeling, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezenverklaarde geen strafbaar feit oplevert en ontslaat de verdachte ten aanzien daarvan van alle rechtsvervolging;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, en begroot deze kosten op nihil.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J. Snitker, voorzitter,

en mrs. H. Benaissa en V.F. Milders, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J.A.N. Maat, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De oudste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

zij

op of omstreeks 25 mei 2017 te Dordrecht

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een

persoon genaamd [naam slachtoffer] van het leven te beroven, althans zwaar

lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een schep tegen/op (de

zijkant van) het hoofd van die [naam slachtoffer] heeft geslagen, terwijl de uitvoering

van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

zij

op of omstreeks 25 mei 2017 te Dordrecht

[naam slachtoffer] heeft mishandeld door die [naam slachtoffer] met een schep op/tegen (de

zijkant van) het hoofd te slaan;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht