Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:5756

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
29-06-2017
Datum publicatie
28-07-2017
Zaaknummer
10/740207-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Minderjarige verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan straatroof waarbij hij geweld heeft gebruikt en een bril heeft weggenomen. Verdachte is veroordeelt tot een jeugddetentie voor de duur van 2 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team jeugd

Parketnummer: 10/740207-17

Datum uitspraak: 29 juni 2017

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] [geboren in 2002] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

raadsman mr. T. Sönmez, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek, met gesloten deuren, ter terechtzitting van 29 juni 2017.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. P. Swaak heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 2 maanden voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest, met een proeftijd van twee jaar en met als
    bijzondere voorwaarden dat de verdachte

  • -

    zich tot het moment waarop hij naar Turkije is geëmigreerd (en maximaal tot het einde van de proeftijd) en op door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen zal melden bij en zich zal laten begeleiden door de jeugdreclassering, zo frequent en zo lang deze instelling dat noodzakelijk acht;

  • -

    met opdracht aan de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond/Jeugdbescherming west Zuid-Holland Zuid/Leger des Heils Jeugd/reclassering/Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden

4 Waardering van het bewijs

Bewezenverklaring zonder nadere motivering

Het primair ten laste gelegde is door de verdachte bekend. Dit feit zal zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.

In bijlage II heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en nadien geen vrijspraak is bepleit. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij op of omstreeks 14 april 2017 te Vlaardingen

op of aan de openbare weg, te weten de [plaats delict] ,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft wegenomen een bril (van het merk Louis Vuitton), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [naam slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) van voormeld misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of bedreiging met geweld bestond(en) uit het:

  • -

    tonen/voorhouden van een (vlinder-)mes aan die [naam slachtoffer 2] , en/of

  • -

    aan die [naam slachtoffer 2] toevoegen van de woorden: “Wholla ik steek je”, althans woorden van gelijke aard en/of strekking, en/of

  • -

    (met kracht) steken/snijden met dat mes in de wenkbrauw, althans het gezicht van die [naam slachtoffer 2] , en/of

  • -

    (met kracht) slaan/stompen met gebalde vuist in/op/tegen het gezicht/hoofd van die [naam slachtoffer 2] .

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

primair

diefstal, vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd op de openbare weg, door twee of meer verenigde personen.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.1.

Feit waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een straatroof, waarbij hij geweld heeft gebruikt en een bril heeft weggenomen.

Nadat de verdachte op internet een zonnebril te koop had zien staan en met de verkoper een afspraak had gemaakt voor de overdracht, is hij op 14 april 2017 samen met een vriend naar de afgesproken plaats toegegaan. De verdachte wist toen al dat hij de bril niet zou betalen, maar zou stelen. Met dit doel had hij zijn vriend een mes mee laten nemen.

Op het moment dat de verdachte op de afgesproken plaats de bril van aangever [naam slachtoffer 1] overhandigd had gekregen en hij zag dat de vriend van [naam slachtoffer 1] , aangever [naam slachtoffer 2] een boksbeugel in zijn handen had, heeft de verdachte het meegenomen mes aan [naam slachtoffer 2] voorgehouden. Toen bleek dat [naam slachtoffer 2] hier niet (zichtbaar) bang van werd en [naam slachtoffer 2] bovendien aangaf dat de verdachte moest betalen, heeft de verdachte [naam slachtoffer 2] een vuistslag in zijn gezicht gegeven, waarna hij er met de bril vandoor is gegaan.

Uit de aangifte van [naam slachtoffer 2] komt naar voren dat hij tijdens het incident wel degelijk bang is geweest en is geschrokken. Ook [naam slachtoffer 1] is de beroving niet in zijn koude kleren gaan zitten.

Met zijn handelen heeft de verdachte op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijk integriteit en het gevoel van veiligheid van de beide slachtoffers.

Een dergelijke straatroof is echter niet alleen beangstigend voor de slachtoffers; ook bij andere burgers brengt zo’n incident gevoelens van angst en onveiligheid teweeg, zeker nu de beroving is gepleegd op de openbare weg. De verdachte heeft zich hiervan kennelijk geen rekenschap gegeven.

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 8 juni 2017, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.

Bij het bepalen van de aan de verdachte op te leggen straf houdt de rechtbank rekening met de inhoud van de rapportage van de Raad voor de Kinderbescherming van 22 juni 2017, waaruit onder meer naar voren komt dat het de verdachte op verschillende leefgebieden goed gaat. Het recidiverisico wordt als laag ingeschat en er zijn geen zorgen met betrekking tot zijn opvoedingssituatie. Wel zijn er enige zorgen met betrekking tot zijn verzuim op school.

De raad ziet ondanks de aard en de ernst van het tenlastegelegde feit mogelijkheden om met de verdachte, zijn ouders en zijn omgeving aan de slag te gaan en daarmee de kans op herhaling (verder) te verkleinen. Dit in samenwerking met de jeugdreclassering.

De raad voor de kinderbescherming adviseert dan ook om aan de verdachte een voorwaardelijke (werk)straf op te leggen onder de algemene en bijzondere voorwaarden, waaronder een meldplicht en verplichte begeleiding door de jeugdreclassering, zoals in het rapport genoemd.

Ter terechtzitting is echter gebleken dat de ouders van de verdachte voornemens zijn nog dit jaar te remigreren naar Turkije. De verdachte zal dan met hen meegaan, in Turkije gaan wonen en daar naar school gaan. Gelet op deze nabije toekomstplannen acht de rechtbank het niet opportuun om aan de verdachte bijzondere voorwaarden op te leggen.

In het voordeel van de verdachte houdt de rechtbank ook rekening met het feit dat ter terechtzitting is gebleken dat de verdachte zich erg schaamt voor wat hij heeft gedaan en voor de narigheid die hij de slachtoffers en zijn ouders heeft bezorgd. De rechtbank weegt mee dat verdachte oprecht spijt heeft betuigd.

De rechtbank overweegt dat gezien de ernst van het feit in beginsel niet anders kan worden gereageerd dan met het opleggen van een jeugddetentie. De rechtbank zal echter gezien het bovenstaande afzien van het opleggen van een onvoorwaardelijke jeugddetentie. Omdat de verdachte first-offender is, spijt heeft van wat hij heeft gedaan en hij binnenkort zal verhuizen naar Turkije, zal de rechtbank de voorgenomen straf voorwaardelijk opleggen. Aan deze straf zal de rechtbank alleen de algemene voorwaarden verbinden die hierna worden genoemd en afzien van het opleggen van bijzondere voorwaarden.

Deze voorwaardelijk straf dient er mede toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen, mocht hij binnen de proeftijd terug naar Nederland komen.

Alles afwegend wordt na te noemen straf passend en geboden geacht.

8 Vorderingen benadeelde partijen/ schadevergoedingsmaatregel

Als benadeelde partijen hebben zich in het geding gevoegd:

[naam benadeelde 1] , wonende te Vlaardingen, ter zake van het tenlastegelegde feit.

De benadeelde partij vordert een bedrag van € 150,00 aan materiële schade en een bedrag van € 350,00 aan immateriële schade,

en

[naam benadeelde 2] , wonende te Vlaardingen, ter zake van het tenlastegelegde feit.

De benadeelde partij vordert een bedrag van € 800,00 aan immateriële schade.

Standpunt officier van justitie

De benadeelde partij [naam benadeelde 1] dient niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn vordering. De door hem gevorderde materiële schade is te hoog, aangezien hij in zijn aangifte heeft verklaard dat hij niet meer precies weet hoeveel hij destijds voor de bril heeft betaald en de bril geen echte Louis Vuitton-bril betrof.

Met betrekking tot de door hem gevorderde immateriële schade moet de benadeelde partij niet ontvankelijk worden verklaard aangezien het gepleegde geweld niet tegen deze benadeelde partij was gericht.

Ten aanzien van de vordering van benadeelde partij [naam benadeelde 2] is het voorstelbaar dat deze als gevolg van het bewezenverklaarde feit immateriële schade heeft geleden, nu het geweld tegen hem was gericht. Hij rekwireert tot het opleggen van een verplichting tot schadevergoeding aan de verdachte van € 350,00 als voorschot en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte ten aanzien van dit bedrag.

Beoordeling

De benadeelde partij [naam benadeelde 1] zal in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard. De door de benadeelde partij ingediende vordering is onvoldoende onderbouwd. Als gevolg daarvan is thans onvoldoende komen vast te staan of/dat de schade waarvan vergoeding wordt gevorderd rechtstreeks verband houdt met het bewezen verklaarde feit.

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij [naam benadeelde 2] door het bewezen verklaarde strafbare feit, rechtstreeks immateriële schade is toegebracht.

Die schade zal op dit moment op basis van de thans gebleken feiten en omstandigheden naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 350,00. De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard, aangezien de bewijsstukken ter onderbouwing van de vordering ontoereikend zijn. Nader onderzoek naar de omvang daarvan zou een uitgebreide nadere behandeling vereisen. De rechtbank is van oordeel dat de nadere behandeling van dit deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafproces zou vormen. Dit deel van de vordering kan derhalve slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Nu de verdachte het strafbare feit samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover de mededader de benadeelde partij betaalt is de verdachte in zoverre jegens de benadeelde partij van deze betalingsverplichting bevrijd.

De benadeelde partij [naam benadeelde 2] heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 14 april 2017.

Conclusie

De benadeelde partij [naam benadeelde 1] wordt niet ontvankelijk verklaard in zijn vordering.

De verdachte moet de benadeelde partij [naam benadeelde 2] een schadevergoeding betalen van

€ 350,00. Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 36f, 77a, 77g, 77h, 77i, 77x, 77y, 77z en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 2 (twee) maanden,

bepaalt dat deze jeugddetentie niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten wegens niet nakoming van na te melden voorwaarde;

stelt de proeftijd vast op 2 (twee) jaren onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;


beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte, dat bij eerdere beslissing is geschorst;

verklaart de benadeelde partij [naam slachtoffer 1] niet-ontvankelijk in de vordering;

veroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn/haar mededader, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam slachtoffer 2] , te betalen een bedrag van € 350,00 (zegge: driehonderdvijftig euro ), aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 14 april 2017 tot aan de dag der algehele voldoening;

bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door de mededader van de verdachte aan de benadeelde partij, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;

verklaart de benadeelde partij [naam slachtoffer 2] niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 350,00 (hoofdsom, zegge: driehonderdvijftig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 april 2017 tot aan de dag van de algehele voldoening; beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van € 350,00 vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 7 dagen; toepassing van de vervangende jeugddetentie heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, waaronder begrepen betaling door zijn mededader, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. P.L. van Dijke, voorzitter, tevens kinderrechter,

en mrs. C.N. Melkert en E. Huls, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M.E. Boekholtz, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 29 juni 2017.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 14 april 2017 te Vlaardingen

op of aan de openbare weg, te weten de [plaats delict] ,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft wegenomen een bril (van het merk Louis Vuitton), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [naam slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) van voormeld misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of bedreiging met geweld bestond(en) uit het:

  • -

    tonen/voorhouden van een (vlinder-)mes aan die [naam slachtoffer 2] , en/of

  • -

    aan die [naam slachtoffer 2] toevoegen van de woorden: “Wholla ik steek je”, althans woorden van gelijke aard en/of strekking, en/of

  • -

    (met kracht) steken/snijden met dat mes in de wenkbrauw, althans het gezicht van die [naam slachtoffer 2] , en/of

  • -

    (met kracht) slaan/stompen met gebalde vuist in/op/tegen het gezicht/hoofd van die [naam slachtoffer 2] ;

(artikel 312 Wetboek van Strafrecht)

Art 310 Wetboek van Strafrecht

Art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van strafrecht

Subsidiair, voor zover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 14 april 2017 te Vlaardingen

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een bril (van het merk Louis Vuitton), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, en welk goed verdachte en/of zijn mededaders anders dan door misdrijf onder zich hadden, te weten als potentiele koper(s), wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

(artikel 321 Wetboek van Strafrecht)

en

hij op of omstreeks 14 april 2017 te Vlaardingen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [naam slachtoffer 2] heeft mishandeld door (met kracht):

  • -

    te steken/snijden met dat mes in de wenkbrauw, althans het gezicht van die [naam slachtoffer 2] , en/of

  • -

    te slaan/stompen met gebalde vist in/op/tegen het gezicht/hoofd van die [naam slachtoffer 2] ;

  • -

    die [naam slachtoffer 2] een kopstoot te geven;

(artikel 300 Wetboek van Strafrecht)

en

hij op of omstreeks 14 april 2017 te Vlaardingen tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [naam slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling,

immers heeft verdachte opzettelijk dreigend:

  • -

    aan die [naam slachtoffer 2] een (vlinder)mes getoond en/of voorgehouden en/of met dat mes stekende bewegingen gemaakt in de richting van die [naam slachtoffer 2] en/of

  • -

    aan die [naam slachtoffer 2] de woorden toegevoegd: “Wholla ik steek je, althans woorden van gelijke aard en/of strekking.

(artikel 285 Wetboek van Strafrecht)