Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:5736

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
14-07-2017
Datum publicatie
21-07-2017
Zaaknummer
C/10/527637 / KG ZA 17-554
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Vordering aandeelhouder tot ontslag statutair bestuurder (die een concurrerend bedrijf heeft opgericht?) en tot schadevergoeding.

Betekening aan een gedaagde in de Russische Federatie. Haags Betekeningsverdrag 1965.

Zekerheid proceskosten? Haags Rechtsvorderingsverdrag 1954.

IPR. Rechtsmacht. Toepasselijk recht.

Artikel 4 lid 1 en 2 van Verordening (EU) Nr. 1215/2012 (Herschikte EEX-Verordening).

Artikel 7 Rv.

Rome II verordening (Verordening (EG) nr. 864/2007). Art. 10:159 BW.

Artikel 8 lid 2 Verordening (EG) Nr. 593/2008 (de Rome I Verordening). Art. 10:154 BW.

Geldvordering in kort geding.

HR 2 december 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1564 inzake ABP/Poot.

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 10-11-2009, JOR 2010/121.

Opheffing conservatoir beslag.

Non-concurrentiebeding art. 7:653 lid 1 sub b BW

Verklaring derde-beslagene art. 477a lid 1 Rv.

Artikel 843a lid 1 Rv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/3843
AR-Updates.nl 2017-0906
OR-Updates.nl 2017-0223
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/527637 / KG ZA 17-554

Vonnis in kort geding van 14 juli 2017

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaten mr. R.M.T. van den Bosch en mr. S.N.J. Putter te Rotterdam,

tegen

1 [gedaagde] ,

wonende te [woonplaats gedaagde] ,

gedaagde in conventie, eiser in reconventie,

advocaat mr. M. Smit te Rotterdam,

2. [gedaagde 1],

wonende te [woonplaats gedaagde] ,

gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,

advocaat mr. M. Smit te Rotterdam,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

RTMO LOGISTICS B.V.,

gevestigd te [woonplaats gedaagde] ,

gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,

advocaat mr. M. Smit te Rotterdam,

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

AGO HOLDING B.V.,

gevestigd te [woonplaats gedaagde] ,

gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,

advocaat mr. M. Smit te Rotterdam,

5. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

AGORA SHIPPING & TRADING B.V.,

gevestigd te [woonplaats gedaagde] ,

gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,

advocaat mr. M. Smit te Rotterdam,

6. [gedaagde 2],

wonend te [woonplaats gedaagde] ,

gedaagde in conventie,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna [eiser] en, gedaagden in conventie, eisers in reconventie 1 tot en met 4, [gedaagde] c.s. genoemd worden. Afzonderlijk zullen gedaagden [gedaagde] , [gedaagde 1] , RTMO, AGO Holding, Agora en [gedaagde 2] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de overgelegde producties

  • -

    de akte eisvermeerdering van [eiser]

  • -

    de incidentele conclusie tot zekerheidstelling van [gedaagde] c.s.

  • -

    de eis in reconventie van [gedaagde] c.s.

  • -

    de tweede akte eisvermeerdering van [eiser]

  • -

    de mondelinge behandeling

  • -

    de pleitnota van [eiser]

  • -

    de pleitnota van [gedaagde] c.s.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Agora is vanuit [woonplaats gedaagde] actief als tussenpersoon op de markt van nationaal en internationaal goederenvervoer.

2.2.

De oprichting van Agora heeft de volgende achtergrond. [eiser] en [gedaagde 2] werkten voorheen in [woonplaats] samen in de logistieke sector. Teneinde klanten in de Rotterdamse haven te kunnen bedienen is Agora opgericht. Als enig statutair bestuurder van Agora is [gedaagde] aangesteld. De aandelen in Agora worden gehouden door [eiser] , [gedaagde 2] en [gedaagde] , ieder voor 1/3 deel.

2.3.

[gedaagde 2] is in 2013 een eigen bedrijf begonnen en werkt sindsdien niet meer zakelijk samen met [eiser] ; [gedaagde 2] is wel, nog steeds, houder van 1/3 van de aandelen in Agora.

2.4.

[gedaagde 1] is de partner/echtgenote van [gedaagde] . [gedaagde 1] was tot 31 december 2015 werkzaam bij Agora in de functie van administratief medewerkster.

2.5.

[gedaagde 1] heeft op 30 oktober 2015 AGO Holding opgericht. [gedaagde 1] is directeur-grootaandeelhouder (D-GA) van AGO Holding. AGO Holding heeft op eveneens 30 oktober 2015 RMTO opgericht. AGO Holding is D-GA van RMTO. RMTO is actief op dezelfde markt als Agora. RMTO heeft in elk geval in 2016 een aantal klanten bediend die voorheen door Agora werden bediend.

2.6.

[eiser] heeft op 3 mei 2017 verschillende conservatoire verhaalsbeslagen doen leggen ten laste van [gedaagde] , [gedaagde 1] , RTMO en AGO Holding , na verkregen verlof van de voorzieningenrechter van de rechtbank [woonplaats gedaagde] de dato 2 mei 2017.

2.7.

De advocaat van [gedaagde] (in diens hoedanigheid van bestuurder van Agora) heeft [eiser] bij brieven van 3 mei 2017, 30 mei 2017 (aangetekend) en 23 juni 2017 (aangetekend) gesommeerd tot betaling aan Agora van een bedrag van € 489.228,13 aan openstaande facturen over de periode 2013-2017.

2.8.

Bij brief van de advocaat van [gedaagde] , [gedaagde 1] , RTMO en AGO Holding van 30 mei 2017 is aan [eiser] medegedeeld dat deze gedaagden in de (deze) door [eiser] aanhangig gemaakte kort gedingprocedure de onrechtmatigheid van de conservatoire beslaglegging aan de orde willen stellen en dat zij daarom nog niet voornemens zijn om te verklaren ex artikel 475 lid 2 Rv.

2.9.

[eiser] heeft bij dagvaarding van 1 juni 2017 (ook) een bodemprocedure tegen [gedaagde] , [gedaagde 1] , RTMO en AGO Holding aanhangig gemaakt bij de rechtbank [woonplaats gedaagde] .

2.10.

[gedaagde] heeft bij e-mailbericht van 13 juni 2017 het volgende geschreven aan [eiser] :

“Dear [eiser] , good day,

Please find invitation attached.

please confirm receiving this invitation.

Thank you,

Regards,

[persoon 1] ”

2.11.

De bijlage bij dit e-mail heeft de navolgende inhoud:

“Invitation Annual General Meeting of Shareholders

The shareholders of Agora Shipping & Trading B.V. are invited to attend the Annual General Meeting of

Shareholders to be held on June 28th 2017 at 10:00 am at the [adres]

[woonplaats gedaagde] .

The shortened schedule as follows:

- Opening

- Recent Events

- Outstanding payments to Agora 2013 to 2017, made by shareholders (Strelets-Reflogistics and

Refteam-Multinational Export)

- Dismissal / suspension of director

- Appointing a (temporary) director (Hanzehoff & Partners)

- Full accountant of the way of business was conducted within Agora

- Approval of the last annual general meeting of the shareholders

- Annual statements 2016

This invitation we send you either by e-mail or registered letter.

Yours sincerely,

[gedaagde] (director)

(on behalf of Agora Shipping Trading B.V.)”

2.12.

[eiser] heeft hierop bij e-mailbericht van 15 juni 2015 geantwoord:

“ Dear [persoon 1] ,

I found an e-mail in my mailbox concerning an annual general meeting of shareholders that is supposed to take place on 28 June 2017. 1 had asked you more than a month ago to hold a general meeting of shareholders. Your e-mail gives the impression that you have deliberately waited until the very last moment to hold this meeting just two days before the summary proceeding of 30 June 2017.

This convocation of a general meeting of shareholders is not in accordance with the Articles of Incorporation, which explicitly state that for the calling of a meeting of shareholders it is required that letters are send to the shareholders’ addresses. Only in case a shareholder explicitly agrees thereto, can the invitation for a general meeting of shareholder be send through electronic means, which is not the case for this general meeting of shareholders. The consequence is that no valid general meeting of shareholders can take place on 28 June.

Through my lawyer’s letter off 11 May 2017 I have requested a general meeting of shareholders and asked you to respond immediately and convoke the meeting without delay. This letter mentions several grave concerns and topics that would need to be addressed in such a general meeting. Providing information to the shareholders is crucial and there are many topics that need to be addressed. 1 do not understand why did not immediately organize a meeting of shareholders and why you waited so long. In the present circumstances this is highly irregular. Moreover, due to other obligations and the short term 1 will, unfortunately, not be able to attend the meeting personally.

As it is important that the board of Agora Shipping & Trading B.V. (“Agora”) provides clear answers and information to the shareholders and as we need to deal with and solve the current situation in the interest of Agora and its shareholders, 1 am prepared to not invoke the invalidity of the general meeting of shareholders provided the following conditions are met:

1. At the meeting, all topics mentioned in my lawyer’s letter of 11 May 2017 to you, as well as the topics mentioned in the writ of summons for the summary proceeding that is planned on 30 June 2017, are placed on the agenda and discussed. These documents, including the exhibits to the writ of summons, are therefore also considered to be part of the documentation for the meeting. The topics mentioned in these documents include in particular (but are not limited to):

• The transfer of business / clients from Agora to third parties (such as in particular RTMO Logistics B.V.), including the preparatory steps taken thereto;

• The unlawful competition of third parties with Agora, your involvement therein and your collusion with third parties;

• The failure to call for annual general meetings of shareholders;

• The financial situation of Agora and Agora’s annual accounts of the previous years.

2. As you know, the interim director that is being proposed is Mr. [persoon 2] The attachment to your e-mail does not mention him at all. His background and CV are part of the writ of summons (see item 1 above). There should be no doubt that the appointment to be discussed and the decision to be voted upon concerns the appointment of Mr. [persoon 2] as interim director. This should also be clearly part of the meeting’s agenda.

3. A civil law notary makes a report of what was discussed at the meeting. We do not want any discussion on what was discussed during the meeting, which information was provided, what was decided, etc. A proper recording of the meeting is therefore essential. The Articles of Incorporation of the company specifically provide for the possibility to have a civil law notary make a report of the meeting.

My lawyer in the Netherlands has contacted the reputable independent firm Van der Stap Notarissen, who also have an office in [woonplaats gedaagde] . They have a civil law notary available to make a recording and draft the report of the meeting.

4. The language of the meeting will be English. Dutch is also acceptable, as I intend to have myself represented at that meeting and will issue power of attorney for that purpose.

If these conditions are met, 1 am prepared not to invoke the invalidity of the general meeting of shareholders. Can you confirm to me as soon as possible that the conditions mentioned in items 1 through 4 above will be met?

Furthermore, t have the following remarks concerning the schedule that you e-mailed.

a. The attachment to your e-mail also mentions as a topic on the schedule the “approval of the last

annual general meeting of the shareholders” as one of the topics. What is this referring to? Was

there a meeting of shareholders? When did that take place and why was I not invited? Can you

provide information in this respect? And what does the approval refer to?

b. The invitation also mentions a topic “annual statements 2016”. What is this point about? Will

these annual statements be discussed at the meeting? And, what about the annual statements

of the previous years? I am not aware of any approved annual accounts for, for example, the

years 2013, 2014 and 2015. These should be discussed first. However, that is not mentioned on

the schedule.

c. Can you send me the available draft annual statements as soon as possible?

I reserve all my rights and defenses,

Sincerely,

[eiser] ”

2.13

Bij de vergadering op 28 juni 2017 waren [eiser] noch [gedaagde 2] aanwezig.

3 Het geschil in conventie en in reconventie

3.1.

[eiser] vordert in conventie, na twee aktes eisvermeerdering, om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

A. [gedaagde] met onmiddellijke ingang te ontslaan als bestuurder van Agora, althans te schorsen voor de duur van twee jaar als bestuurder van Agora, althans een andere door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen termijn;

B. [persoon 2] Hoff of enig ander door de voorzieningenrechter in goede

justitie aan te wijzen persoon, te benoemen tot tijdelijk alleen en zelfstandig bevoegd

bestuurder van Agora;

C. Agora te gebieden om het ontslag, althans de schorsing bedoeld onder A. en de

benoeming bedoeld onder B. in te schrijven in het Handelsregister van de Kamer van

Koophandel;

D. Gedaagden [gedaagde] , [gedaagde 1] , AGO Holding en RTMO te verbieden om:

- Bij cliënten of contactpersonen van Agora nieuwe werkzaamheden te acquireren

en uit te voeren;

- Opdrachten van cliënten van Agora te accepteren en uit te voeren;

- Betalingen te ontvangen van cliënten van Agora.

E. Gedaagden [gedaagde] , [gedaagde 1] , AGO Holding en RTMO te gebieden om:

- Betalingen die zij ontvangen van (voormalige) cliënten van Agora voor werkzaamheden en of diensten die gedaagden ten behoeve van deze (voormalige) cliënten verrichten of hebben verricht binnen 5 dagen na ontvangst van bedoelde betalingen deze (door) te storten op de bankrekening van Agora.

F. [gedaagde 1] te veroordelen tot het nakomen van de geheimhoudingsverplichting opgenomen in haar arbeidsovereenkomst jegens Agora en geen gebruik te maken van

de gegevens van relaties en andere vertrouwelijke informatie van Agora;

G. Agora en [gedaagde] te veroordelen om onmiddellijk doch uiterlijk binnen 24 uur na het

eerste verzoek van de tijdelijk bestuurder van Agora, hun volledige medewerking te verlenen en onder meer de volledige administratie en boekhouding van Agora aan hem ter beschikking te stellen;

H. te bepalen dat elke gedaagde een dwangsom verbeurt van € 25.000,- voor iedere

dag (een gedeelte van een dag daaronder begrepen) dat hij/zij nalaat aan de voor

hem/haar geldende veroordelingen als genoemd onder sub D, E, F en/of G te voldoen;

I. [gedaagde 2] te veroordelen tot het gehengen en gedogen van voorgaande vorderingen;

J. Gedaagden hoofdelijk te veroordelen in de kosten van de procedure, te betalen

uiterlijk binnen twee dagen na het in dezen te wijzen vonnis, te vermeerderen met de

nakosten van € 131,- zonder betekening of € 199,- in het geval van betekening en voor zover het voldoen van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf de eerste dag na het verstrijken van de bedoelde voldoeningstermijn,

K. Gedaagden Agora, AGO Holding en RTMO te veroordelen binnen 5 dagen na de datum van het in deze te wijzen vonnis op grond van art. 720 jo. 476a Rv verklaring te doen van de vorderingen en zaken die door het door [eiser] op 3 mei 2017 onder ieder van hen gelegde conservatoire derdenbeslag zijn getroffen;

L. Te bepalen dat de verklaring die elke gedaagde Agora, AGO Holding en RTMO ex art. 720 jo. 476a Rv afgeeft in ieder geval de volgende informatie bevat:

a. een met redenen omklede opgave of zij al dan niet iets aan de geëxecuteerde verschuldigd is of uit een ten tijde van het beslag reeds bestaande rechtsverhouding zal worden, dan wel of zij al dan niet iets voor deze onder zich heeft;

b. de aard en het beloop van de door het beslag getroffen vorderingen en

eventueel de tijdsbepalingen of voorwaarden die daaraan zijn verbonden;

c. een gespecificeerde opgave van de door het beslag getroffen zaken;

d. een opgave van eventuele andere, onder de derde-beslagene ten laste van

de geëxecuteerde liggende beslagen met vermelding van de deurwaarders

die ze hebben gelegd en de tijdstippen waarop ze zijn gelegd;

e. een opgave van de aan de derde-beslagene bekende pandrechten die op

door het beslag getroffen goederen rusten, met vermelding van de

pandhouders;

f. de eventuele verdere gegevens die voor het vaststellen van de rechten van

partijen dienstig mochten zijn.

M. Te bepalen dat elke onder punt K van het petitum genoemde gedaagde (Agora, AGO Holding en RTMO) een dwangsom verbeurt van € 7.500,- voor iedere dag (een gedeelte van een dag daaronder begrepen) dat zij nalaat aan de voor haar geldende veroordelingen als genoemd onder sub K en L van het petitum te voldoen.

N. Gedaagden sub 1 tot en met sub 4 hoofdelijk te veroordelen, des dat de een betalend

de ander zal zijn bevrijd, te veroordelen binnen 5 dagen na de datum van het in

deze te wijzen vonnis bij wijze van voorlopige maatregel en ter bekostiging van de

kosten en het salaris van de benoemde interim bestuurder, een bedrag van € 20.000,- althans een ander door de voorzieningenrechter te bepalen bedrag, te betalen aan Agora.

[eiser] stelt daartoe het volgende.

3.2.

[gedaagde] en [gedaagde 1] handelen onrechtmatig, althans plegen zij wanprestatie. Op naam van [gedaagde 1] , en met actieve ondersteuning van [gedaagde] , is de nieuwe onderneming RTMO opgericht die concurrentie aandoet aan Agora en daarbij, sluipenderwijs, steeds meer klanten van Agora afpakt. [gedaagde] en [gedaagde 1] doen het daarbij tegenover deze klanten voorkomen alsof deze nieuwe onderneming de opvolger, of dochteronderneming, van Agora is. Ook doet [gedaagde 1] het tegenover klanten voorkomen alsof zij nog steeds werkzaam is voor Agora. De wanprestatie/onrechtmatige daad is eveneens toerekenbaar aan de (mede-gedaagde) ondernemingen van welke [gedaagde] en [gedaagde 1] zich bedienen om de onrechtmatige concurrentie aan te doen. [gedaagde 1] schendt het non-concurrentiebeding in haar arbeidsovereenkomst met Agora.

[gedaagde 2] staat aan de kant van de andere gedaagden en dient in elk geval de te nemen maatregelen ter bescherming van Agora te gedogen.

3.3.

[gedaagde] c.s. voeren verweer en concluderen om:

A. Alle vorderingen van [eiser] af te wijzen;

B. De vermeerderingen van eis af te wijzen;

C. [eiser] te veroordelen tot vergoeding van de (proces)kosten van dit geding.

3.4.

In reconventie vorderen [gedaagde] c.s.:

D. de vordering van Agora c.s., betreffende het opheffen van de conservatoire (derden) beslagen toe te wijzen en te oordelen dat [eiser] de gelegde conservatoire (derden) beslagen binnen twee werkdagen opheft, dan wel in goede justitie een andere redelijke termijn te bepalen waarbinnen de conservatoire (derden)beslagen dienen te worden opgeheven;

E. de opheffing van de conservatoire (derden)beslagen binnen twee werkdagen, of een

andere termijn in goede justitie te bepalen, op te laten heffen op straffe van een dwangsom van € 1.000,- per dag met een maximum van € 50.000,-;

F. bij toewijzing van de interim manager [eiser] te veroordelen tot het stellen van

voldoende zekerheid voor het salaris en kosten van de te benoemen interimmanager, de hoogte van de zekerheid in goede justitie te bepalen;

G. [eiser] te veroordelen om de inloggegevens van het e-mailaccount van Agora te

verstrekken, alsmede de gevorderde bescheiden te verstrekken aan Agora;

H. [eiser] te veroordelen tot vergoeding van de (proces)kosten voor de eis in reconventie.

3.5.

[eiser] voert verweer in reconventie en concludeert tot afwijzing van het gevorderde.

3.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie

4.1.

Eén der gedaagden - [gedaagde 2] - is niet verschenen in deze procedure. Beoordeeld dient te worden of de voorgeschreven termijnen en formaliteiten in acht zijn genomen zodat jegens hem verstek kan worden verleend, waarbij de omstandigheid dat het hier een spoedeisende zaak betreft kan meewegen. Met name van belang is, of aan [gedaagde 2] een adequate mogelijkheid is geboden om in rechte gehoord te worden.

4.2.

[gedaagde 2] is woonachtig in de [land] . De [land] is, als rechtsopvolger van de USSR, partij bij het Haags Betekeningsverdrag 1965. De toepasselijkheid van dit verdrag brengt mee dat de kennisgeving van de dagvaarding aan [gedaagde] c.s. in beginsel dient te blijken uit een daartoe krachtens dit verdrag te gebruiken formulier. Een dergelijk formulier ontbreekt in deze procedure.

Het niet volgens de eisen van het verdrag oproepen kan echter, in dit kort geding, in redelijkheid niet beslissend zijn, gelet op de met een dergelijke oproeping gemoeide tijd enerzijds en het spoedeisend karakter anderzijds. Voldoende is daarom dat de voorzieningenrechter voldoende aannemelijk geworden acht dat de dagvaarding [gedaagde 2] heeft bereikt. Dat is het geval. [eiser] heeft overgelegd een in het [land] vertaald exemplaar van de conceptdagvaarding, waarbij staat geschreven, op een afschrift van het aanvraagformulier voor de onderhavige kort gedingprocedure: “received” waarnaast een handtekening is geplaatst. Daarnaast staat de tekst: “I certify the signature of [gedaagde 2] which is made in my presence 31/05/2017. St Petersburg Leonid Gribanov, attorney at law.” De voorzieningenrechter acht aannemelijk dat de eerstgenoemde handtekening geplaatst is door [gedaagde 2] en dat een [land] advocaat daarnaast verklaart dat [gedaagde 2] dit geschrift daadwerkelijk heeft ontvangen. Voorts is van belang dat [gedaagde] ter zitting zijn mobiele telefoon heeft getoond en dat daarop, blijkens de vertaling van de registertolk [land] , een bericht te lezen viel dat afkomstig was van [gedaagde 2] dat, zakelijk weergegeven, inhield dat [gedaagde 2] op de hoogte is van de onderhavige procedure en dat hij niet voornemens is om ter zitting te verschijnen in de onderhavige procedure.

Er zal dan ook aan [gedaagde 2] verstek worden verleend.

4.3.

De incidentele vordering van [gedaagde] c.s. tot het doen stellen van zekerheid door [eiser] voor de proceskosten zal worden afgewezen. [eiser] woont in de [land] . De [land] is, als rechtsopvolger van de USSR, partij bij het Haags Rechtsvorderingsverdrag 1954. Artikel 17 van dat verdrag verzet zich ertegen dat [eiser] zekerheid moet stellen. Art. 224 lid 2 sub a Rv brengt mee dat een dergelijke verdragsbepaling in de weg staat aan de gevorderde zekerheidsstelling. [gedaagde] c.s. hebben ter zitting aangevoerd dat zekerheidsstelling in dit geval niettemin geboden is, omdat [eiser] nooit zijn facturen pleegt te betalen zodat ook niet valt te verwachten dat hij een aan hem opgelegde proceskostenvergoeding zal betalen. Dit verweer faalt, nu het verdrag en de wet voor een dergelijke situatie –wat er van de juistheid van de stellingen daaromtrent verder zij- geen uitzondering maken. Bovendien zal hierna blijken dat de proceskosten zullen worden gecompenseerd.

4.4.

Partijen zijn woonachtig, respectievelijk gevestigd, in verschillende landen. De Nederlandse (voorzieningen)rechter dient ambtshalve te toetsen of haar rechtsmacht toekomt om het geschil te behandelen.

4.5.

De Nederlandse (voorzieningen)rechter komt in ieder geval rechtsmacht toe om de onderhavige zaak te behandelen ten aanzien van die gedaagden die in Nederland woonachtig zijn, dan wel gevestigd zijn, dat wil zeggen een ieder behoudens [gedaagde 2] . Dit volgt uit artikel 4 lid 1 van Verordening (EU) Nr. 1215/2012, oftewel de Herschikte EEX-Verordening, welk artikellid aan de rechter van het land van de woonplaats van gedaagde rechtsmacht geeft. Deze verordening is ook van toepassing in het geval de eisende partij, zoals hier, buiten de EU woonachtig is.

Dit geldt zelfs als [gedaagde] en Petkeviciene niet de Nederlandse nationaliteit mochten bezitten (waaromtrent [eiser] niets stelt). Dan dient ten aanzien van hen dat de rechtsmacht beoordeeld wordt naar nationaal Nederlands recht en niet naar de Herschikte EEX-Verordening (aldus artikel 4 lid 2 van de Herschikte EEX-Verordening). In dat geval kan de rechtsmacht gegrond worden op artikel 2 Rv, nu zij beiden in [woonplaats gedaagde] wonen..

4.6.

[gedaagde 2] woont niet in Nederland maar in de [land] . In beginsel dient [gedaagde 2] gedaagd te worden voor de bevoegde rechter in het land van zijn woonplaats. Dit beginsel kan uitzondering leiden indien de samenhang van de vorderingen tegen [gedaagde 2] en tegen de overige gedaagden zich ertegen verzet dat de zaken afzonderlijk behandeld worden. Nu in dit geval sprake is van een dergelijke samenhang (als bedoeld in artikel 7 Rv) is de rechtsmacht jegens [gedaagde 2] eveneens gegeven. De vordering tegen [gedaagde 2] houdt immers niets meer of anders in dan dat hij veroordeeld wordt om te gehengen en gedogen dat de jegens de andere gedaagden in conventie gevorderde maatregelen worden toegewezen.

4.7.

Dan wordt toegekomen aan vraag welk recht toepasselijk is. Dit dient, voor zover de grondslag van de vordering een onrechtmatige daad is, beoordeeld te worden aan de hand van de Rome II verordening (Verordening (EG) nr. 864/2007), gelezen in verbinding met art. 10:159 BW.

4.8.

Naar voorlopig oordeel is Nederlands recht toepasselijk ten aanzien van het gestelde onrechtmatig handelen. Vermoedelijk doet de gestelde schade - met name schade die rechtstreeks samenhangt met dan wel voortvloeit uit de omzetderving van Agora, een Nederlandse vennootschap - wegens de gestelde onrechtmatige gedragingen zich voor in Nederland en is Nederlands recht toepasselijk op grond van artikel 4 lid 1 Rome II verordening. Ook als sprake is van schade elders volgt dit uit artikel 4 lid 3 Rome II verordening, dat bepaalt:

“Indien uit het geheel der omstandigheden blijkt dat de onrechtmatige daad een kennelijk nauwere band heeft met een ander dan het in de leden 1 en 2 bedoelde land, is het recht van dat andere land van toepassing. Een kennelijk nauwere band met een ander land zou met name kunnen berusten op een reeds eerder bestaande, nauw met de onrechtmatige daad samenhangende betrekking tussen de partijen, zoals een overeenkomst.”

Deze nauwere band bestaat er uit dat het hier gaat om een vordering van een aandeelhouder in een Nederlandse vennootschap uit hoofde van een onrechtmatige daad omdat een in Nederland woonachtige mede-aandeelhouder, tevens bestuurder, samen met een voormalige werknemer van deze vennootschap (tevens partner/echtgenote van de mede-aandeelhouder) een nieuwe Nederlandse vennootschap heeft opgericht waarmee vanuit Nederland concurrentie wordt aangedaan aan een andere Nederlandse vennootschap.

4.9.

Voor zover de grondslag van de vordering niet een onrechtmatige daad is, maar wanprestatie, in de vorm van (gestelde) schending door [gedaagde 1] van een non-concurrentiebeding in haar arbeidsovereenkomst, dient de vraag welk recht toepasselijk is beantwoord worden aan de hand van Verordening (EG) Nr. 593/2008 (de Rome I Verordening) in verbinding met art. 10:154 BW.

4.10.

Gesteld noch gebleken is dat de arbeidsovereenkomst met [gedaagde 1] een rechtskeuzebeding bevat.

4.11.

Ingevolge artikel 8 lid 2 van de Rome I Verordening is ter zake van het gevorderde betreffende de arbeidsovereenkomst met [gedaagde 1] , Nederlands recht toepasselijk. Dit artikel bepaalt:

“Voor zover het op een individuele arbeidsovereenkomst toepasselijke recht niet door de partijen is gekozen, wordt de overeenkomst beheerst door het recht van het land waar of, bij gebreke daarvan, van waaruit de werknemer ter uitvoering van de overeenkomst gewoonlijk zijn arbeid verricht. Het land waar de arbeid gewoonlijk wordt verricht wordt niet geacht te zijn gewijzigd wanneer de werknemer zijn arbeid tijdelijk in een ander land verricht.”

[gedaagde 1] verrichtte haar arbeid vanuit Nederland.

4.12.

Het, overigens niet betwiste, spoedeisend belang volgt uit de stellingen van [eiser] .

4.13.

Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat het geschil op het volgende neer komt:

-aandeelhouder [eiser] verwijt aan mede-aandeelhouder, tevens bestuurder, [gedaagde] en aan diens partner/ echtgenote [gedaagde 1] dat zij samen een nieuwe onderneming hebben opgericht die onrechtmatige concurrentie aandoet aan de vennootschap (Agora). [eiser] verwacht weinig heil van het (in rechte vorderen van het doen) beleggen van een algemene vergadering (van aandeelhouders) teneinde [gedaagde] te ontslaan omdat [eiser] gebrouilleerd is geraakt met mede-aandeelhouder [gedaagde 2] . De voorzieningenrechter begrijpt deze stellingname aldus dat [eiser] er vanuit gaat dat hij daardoor hoe dan ook een minderheidspositie inneemt op de algemene vergadering (1/3 versus 2/3) en dus via de algemene vergadering niet kan bereiken wat hem voorstaat.

- [gedaagde] en [gedaagde 1] verwijten [eiser] dat hij de facturen van Agora voor diensten die zijn verricht voor (ondernemingen van/ gecontroleerd door) [eiser] onbetaald laat. De schuld van (bedrijven van) [eiser] aan Agora bedraagt inmiddels € 489.228,13. Daardoor is de financiële positie van Agora zeer slecht geworden. Agora is niet meer in staat om de facturen te betalen van de bedrijven die Agora inschakelt bij de uitvoering van de aan haar verstrekte opdrachten. Die bedrijven willen dus geen werkzaamheden meer uitvoeren voor Agora. Daarom hebben [gedaagde] en [gedaagde 1] besloten een nieuw bedrijf op te richten (RTMO), dat anders dan Agora nog geen slechte reputatie heeft opgebouwd bij de bedrijven waarmee wordt samengewerkt. De voorheen door Agora ingeschakelde bedrijven worden thans ingeschakeld door RTMO. De omzet die dat oplevert wordt volgens [gedaagde] en [gedaagde 1] doorbetaald aan Agora onder aftrek van een fee dan wel gemaakte kosten. Per saldo lijdt Agora volgens [gedaagde] en [gedaagde 1] dus niet of nauwelijks nadeel, maar juist voordeel omdat er weer omzet binnenkomt. Mede-aandeelhouder [gedaagde 2] kiest volgens [gedaagde] en [gedaagde 1] partij voor hen en niet voor [eiser] .

- [gedaagde] erkent dat hij niet van tevoren in een algemene vergadering van aandeelhouders zijn voornemen om RTMO op te (laten) richten heeft besproken en evenmin om toestemming van de twee andere aandeelhouders heeft gevraagd voor de oprichting van de nieuwe onderneming en haar inzet, doch dat acht hij, gegeven de situatie en het gedrag van [eiser] , niet van belang.

4.14.

Bij de verdere beoordeling stelt de voorzieningenrechter voorop dat [eiser] slechts de hoedanigheid heeft van minderheidsaandeelhouder en blijkens zijn stellingen ook in die hoedanigheid zijn vorderingen instelt. Agora, de vennootschap waarin [eiser] , [gedaagde 2] en [gedaagde] aandeelhouder zijn, stelt deze vorderingen niet (mede) in (wat er overigens zij van haar positie als gedaagde). [gedaagde] , niet [eiser] , is bestuurder van Agora.

4.14.1

In beginsel heeft een aandeelhouder geen zelfstandig vorderingsrecht jegens een derde - als hoedanig zijn aan te merken RTMO, [gedaagde 1] en AGO Holding - die schade berokkent aan de vennootschap (HR 2 december 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1564 inzake ABP/Poot). De partij die de - directe - schade lijdt is de vennootschap zelf. In beginsel dient dus de vennootschap zelf te ageren tegen (gestelde) onrechtmatige concurrentie. De schade die de aandeelhouder lijdt is slechts indirecte schade, in de vorm van een waardevermindering van de aandelen. Het beginsel dat alleen de vennootschap zelf een vorderingsrecht heeft lijdt uitzondering indien sprake is van schending van een specifieke norm jegens de aandeelhouder (vgl. Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 10-11-2009, JOR 2010/121). [eiser] stelt noch onderbouwt waarom dit beginsel in dit geval uitzondering zou leiden en welke specifieke norm dan jegens hem geschonden is. Bij gebreke daarvan kan voorshands niet worden aangenomen dat [eiser] , als aandeelhouder, een eigen vorderingsrecht toekomt. De vorderingen van [eiser] jegens deze partijen die betrekking hebben op benadeling van de vennootschap wegens onrechtmatige concurrentie zullen dan ook worden afgewezen. Dit zijn de vorderingen D en E.

4.14.2

De vorderingen D en E zijn niet jegens de vennootschap (Agora) zelf ingesteld.

4.14.3

Dan resteren de vorderingen D en E jegens [gedaagde] , mede-aandeelhouder en bestuurder van [eiser] . Hij is, ingevolge de algemene regels van artt. 2: 8 en 9 BW die zijn verhouding jegens [eiser] beheersen, jegens [eiser] verplicht zich te onthouden van concurrerende activiteiten die de vennootschap schaden. In dit kort geding wordt de feitelijke grondslag van de verwijten van [eiser] niet betwist in die zin dat [gedaagde] niet ontkent dat hij, hoewel hij formeel geen bestuurder is van RTMO, daarbij wel zodanig is betrokken dat hij als feitelijk beleidsbepaler kan worden aangemerkt. Hij weerspreekt ook niet dat RTMO zaken doet met klanten van Agora. In beginsel handelt hij dus jegens [eiser] onrechtmatig. [gedaagde] stelt echter in de kern dat dit in het belang van Agora geschiedt en dat de omzet van de nieuwe onderneming RTMO netjes wordt doorbetaald aan Agora. Het is in de onderhavige procedure ongewis gebleven of dit standpunt juist is. [gedaagde] is, als bevoegd bestuurder van de vennootschap Agora, gehouden om het belang van Agora te dienen; zeker nu hij ook nog aandeelhouder is kan niet op voorhand worden uitgesloten dat hij in het belang van Agora heeft gehandeld. De reden die hij voor het opzetten van RTMO heeft gegeven (zie 4.13) is, voor zover het gaat om de onbetaalde schulden, onderbouwd en daarmee voorshands aannemelijk. Voor het opzetten van RTMO is echter geen voorafgaande consultatie in dan wel toestemming van de algemene vergadering gevraagd; dat de vergadering van 28 juni 2017 een juist bijeengeroepen ava was kan, op basis van de feiten, niet worden aangenomen, nog daargelaten wat er ter vergadering is besproken. Wat daarvan zij, als juist is dat de door RTMO gegenereerde omzet wordt doorbetaald aan Agora is materieel wellicht in het belang van de vennootschap gehandeld, waarbij opmerking verdient dat voor het in rekening brengen van kosten geen behoorlijke basis is genoemd, zodat daarvan geen sprake mag zijn. Verificatoire bescheiden die het standpunt van [gedaagde] onderbouwen zijn niet overgelegd, alhoewel deze overlegging toch voor de hand had gelegen.

In het voorgaande ziet de voorzieningenrechter aanleiding om het gevorderde onder D, laatste streepje en E ten aanzien van [gedaagde] toe te wijzen als na te melden.

4.15.

De vorderingen die betrekking hebben op schorsing/ ontslag van de bestuurder [gedaagde] en de benoeming van een nieuwe, ad interim bestuurder zullen worden afgewezen, op na te noemen gronden.

4.16.

Voor een voorziening strekkende tot ontslag, schorsing of vervanging van de bestuurder bestaat geen grond. De bestuurder van een B.V. kan, zo bepaalt artikel 2:244 lid 1 BW, worden ontslagen of geschorst door degene die bevoegd is tot benoeming. Dat is hier de algemene vergadering. Omtrent het in het verleden ordentelijk bijeenroepen van ava’s verschillen partijen van inzicht, terwijl de onder 2.10-2.12 geciteerde e-mailcorrespondentie in elk geval een aanwijzing is dat [gedaagde] daartoe wel bereid is.

Het standpunt van [eiser] dat hij weinig heil verwacht van een algemene vergadering omdat hij gebrouilleerd is geraakt met medeaandeelhouder [gedaagde 2] volstaat niet om hem ontslagen te achten van de route die het vennootschapsrecht hem voorschrijft. Hij heeft die route niet eens beproefd. Er zijn drie aandeelhouders die ieder 1/3 van de aandelen houden, zodat van een patstelling geen sprake zal zijn. Als [eiser] op de algemene vergadering van aandeelhouders een minderheidsstandpunt inneemt, dan heeft hij zich daar in beginsel bij neer te leggen.

Dat zich een situatie voordoet waarin het evident is dat [gedaagde] ernstig tekortschiet als bestuurder, zodat ingrijpen in kort geding gerechtvaardigd is, is overigens niet aannemelijk. [eiser] baseert zijn andersluidende stellingen (los van het niet ordentelijk bijeenroepen van ava’s) op zijn stellingen omtrent de betrokkenheid van [gedaagde] bij onrechtmatige concurrentie. Zoals hiervoor werd overwogen bestaat voorshands een reële mogelijkheid dat van betrokkenheid bij onrechtmatige concurrentie van Agora door RTMO geen sprake blijkt te zijn.

4.17.

Dit betekent overigens niet dat [eiser] volstrekt rechteloos is als minderheidsaandeelhouder. De drie aandeelhouders kunnen vanzelfsprekend in overleg met elkaar treden om te bezien hoe het nu verder moet met de vennootschap en of het niet wenselijk is dat één of twee aandeelhouders uittreedt/ uittreden.

Als dat niet tot resultaten leidt en [eiser] meent dat hij door gedragingen van [gedaagde] zodanig in zijn rechten of belangen is geschaad dat het voortduren van zijn aandeelhouderschap in redelijkheid niet meer van hem kan worden gevergd, kan hij er ook voor kiezen om tegen de mede-aandeelhouder(s), of tegen de vennootschap, een vordering tot uittreding in te stellen (art. 2:343 BW). In die procedure kan bij de prijsbepaling van de door [eiser] af te stoten aandelen desgevorderd rekening worden gehouden met gedragingen die hebben geleid tot een vermindering van de waarde van deze aandelen. Ook kan [eiser] zich wenden tot de Ondernemingskamer als hij meent dat sprake is van wanbeleid, waarbij art. 2:356 BW in het kader van de voorlopige voorzieningen in een enqueteprocedure maatregelen kan treffen..

4.18.

De ingevolge het voorgaande af te wijzen vorderingen zijn de vorderingen A, B, C, G en N.

4.19.

Vordering F zal eveneens worden afgewezen. Een non-concurrentiebeding met een werknemer is slechts geldig voor zover dit schriftelijk is vastgelegd (art. 7:653 lid 1 sub b BW). Het door [eiser] overgelegde exemplaar van de arbeidsovereenkomst met [gedaagde 1] is niet voorzien van de handtekening van [gedaagde 1] . Als een exemplaar mocht bestaan van deze arbeidsovereenkomst dat wel is voorzien van de handtekening van [gedaagde 1] , dan dient vastgesteld te worden dat dat exemplaar niet is overgelegd, zodat het bestaan daarvan voorshands niet aannemelijk is.

Ter zitting heeft [eiser] bepleit dat sprake is van onrechtmatige concurrentie door [gedaagde 1] ook als haar arbeidsovereenkomst daaromtrent geen verbod bevat. Wat daarvan zij, het gevorderde onder F ziet op overtreding van bedingen uit de arbeidsovereenkomst en ook als dat ruimer is bedoeld maakt dat geen verschil. Voor een verbod, op verzoek van [eiser] als aandeelhouder van Agora en zonder dat Agora [eiser] daarin steunt, ontbreekt de rechtsgrond (zie 4.14.1).

4.20.

Nu de vorderingen A tot en met G grotendeels zullen worden afgewezen bestaat evenmin aanleiding om een dwangsom te verbinden aan deze vorderingen. Vordering H zal derhalve in zoverre eveneens worden afgewezen. Ten aanzien van de toe te wijzen onderdelen van vordering D en E jegens [gedaagde] zal een gematigde en gemaximeerde dwangsom als na te melden worden opgelegd.

4.21.

Vordering I, om [gedaagde 2] te veroordelen tot het gehengen en gedogen van voormelde vorderingen, komt onrechtmatig en ongegrond voor en zal worden afgewezen, omdat de vorderingen die gehengd en gedoogd zouden moeten worden, grotendeels zelf ook worden afgewezen. Van de jegens [gedaagde] toe te wijzen delen van vorderingen valt niet in te zien wat [gedaagde 2] daarop voor invloed zou kunnen uitoefenen.

4.22.

Vordering J (de proceskostenveroordeling) zal verderop in dit vonnis aan de orde komen.

4.23.

Vorderingen K, L en M zullen -deels- worden toegewezen. Ter zitting bleek dat inmiddels deels al verklaring was gedaan. De uit te spreken veroordeling tot het doen van verklaring heeft daarop vanzelfsprekend geen betrekking.

(Derden)-beslagenen zijn wettelijk gehouden om aan de beslaglegger verklaring te doen van de vorderingen en zaken die door het beslag zijn getroffen van de vorderingen en zaken die door het beslag zijn getroffen. Verklaring doen dient te geschieden zodra vier weken zijn verstreken na het leggen van beslag. Het beslag is gelegd op 3 mei 2017, dus deze termijn is al verstreken. Het verweer dat de beslagen onrechtmatig zijn gelegd faalt. De plicht tot het doen van verklaring is in het wettelijk systeem niet afhankelijk van de vraag of het beslag onrechtmatig is of niet.

Volstaan zal worden met de veroordeling dat de desbetreffende gedaagden alsnog verklaring zullen moeten doen (voor zover die inmiddels niet alsnog is gedaan). Een dwangsom wordt onnodig geacht, nu [gedaagde] c.s. ter zitting verklaard hebben dat zij bereid zijn om spoedig alsnog verklaringen te doen, voor zover niet reeds gedaan. Bovendien kent de wet al een afdoende sanctie voor het niet doen van de verklaring, namelijk veroordeling van de derde-beslagene tot betaling van het bedrag waarvoor het beslag is gelegd als ware hij daarvan zelf de schuldenaar (art. 477a lid 1 Rv.)

Afgewezen zal worden de vordering omtrent de inhoud van de verklaringen. Wat de verklaring wel/ niet dient in te houden volgt uit de wet zelf. Een voorziening daaromtrent is onnodig en ook niet mogelijk voor zover meer of anders mocht worden gevorderd dan de wet voorschrijft. Het geschil van partijen ziet ook niet op de vraag wat de wet in dit geval meebrengt.

4.24.

Als over en weer deels in het ongelijk gesteld, zullen de proceskosten tussen de in conventie verschenen partijen worden gecompenseerd.

in reconventie

4.25.

De voorzieningenrechter neemt het oordeel in conventie hier over.

4.26.

Over de vordering tot opheffing van de conservatoire (derden)beslagen (vorderingen D en E) wordt als volgt geoordeeld.

4.27.

Volgens art. 705 lid 2 Rv dient het beslag te worden opgeheven indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht blijkt. Dit brengt mee dat het in de eerste plaats op de weg ligt van degene die de opheffing vordert om met inachtneming van de beperkingen van de voorzieningenprocedure aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger gepretendeerde vordering ondeugdelijk of onnodig is (HR 14 juni 1996, NJ 1997/481). Er zal evenwel beslist moeten worden aan de hand van wat door beide partijen naar voren is gebracht en summierlijk met bewijsmateriaal is onderbouwd. Die beoordeling kan niet geschieden los van de in een zodanig geval vereiste afweging van de wederzijdse belangen, waarbij dient te worden beoordeeld of het belang van de beslaglegger bij handhaving van het beslag op grond van de door deze naar voren gebrachte omstandigheden zwaarder dient te wegen dan het belang van de beslagene bij opheffing van het beslag. De Hoge Raad heeft hier aan toegevoegd dat een conservatoir beslag naar zijn aard ertoe strekt om te waarborgen dat, zo een vooralsnog niet vaststaande vordering in de bodemprocedure wordt toegewezen, verhaal mogelijk zal zijn, terwijl de beslaglegger bij afwijzing van de vordering zal kunnen worden aangesproken voor de door het beslag ontstane schade.

4.28.

[gedaagde] heeft gelet op hetgeen daaromtrent in conventie is overwogen onvoldoende aannemelijk gemaakt dat [eiser] geen vordering op hem heeft. Daarbij is van belang dat [gedaagde] , zoals gezegd, geen verificatoire bescheiden heeft overgelegd waaruit zou kunnen blijken van de juistheid van zijn verweer dat hij met RTMO Agora geen concurrentie aandoet, maar netjes de in de nieuwe onderneming behaalde omzet doorbetaalt aan Agora; er is dus ten aanzien van [gedaagde] in elk geval geen sprake van een summierlijk ondeugdelijke vordering.

Nu de verwijten jegens [gedaagde 1] , RTMO en AGO samenhangen met de verwijten jegens [gedaagde] en hun onderlinge (ver)banden zeer sterk zijn geldt dat ook voor hen; hoewel de jegens hen in conventie gevorderde verboden en geboden, mede gelet op de positie van [eiser] , niet toewijsbaar zijn valt thans niet uit te sluiten dat, als te zijner tijd zou blijken dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld, zij mede aansprakelijk zijn voor de daardoor veroorzaakte schade. Daarbij komt dat het belang van [eiser] tot het handhaven van zekerheid zwaarder weegt dan dat van hen. De voorzieningenrechter heeft ter zitting aan [gedaagde] c.s. gevraagd welk belang gediend is met opheffing. Het gegeven antwoord komt erop neer dat het beslag lastig is. Dit is niet voldoende concreet en zwaarwegend voor opheffing.

4.29.

Voor zover [gedaagde] c.s. zich beroepen op verrekening van eventuele schade voor Agora met het bedrag van € 489.228,13 dat [eiser] volgens hen nog verschuldigd is aan Agora, noopt dat op verschillende gronden niet tot een ander oordeel. Het bestaan en de omvang van deze vordering zijn betwist en onduidelijk. Bovendien betwist [eiser] dat hij in deze de schuldenaar is. [eiser] voert aan dat hij slechts als agent is opgetreden; deze stelling is tot op zekere hoogte ook onderbouwd, terwijl [gedaagde] c.s. voorts erkennen dat niet met [eiser] zelf maar met diverse rechtspersonen is gehandeld. Naar Nederlands recht (en ook naar het recht van veel andere staten) is een UBO dan wel directeur in beginsel niet zonder meer zelf, persoonlijk, aansprakelijk voor een schuld van de betrokken rechtspersoon. Wat de positie van [eiser] bij die rechtspersonen daadwerkelijk was en in hoeverre hij persoonlijk aansprakelijk kan worden gehouden voor die schulden kan hier in kort geding, zonder bewijslevering, niet worden vastgesteld. [gedaagde] c.s. beroepen zich in dit verband mede op bestuurdersaansprakelijkheid naar Nederlands recht, terwijl niet zonder meer gezegd is dat Nederlands recht toepasselijk is in de rechtsverhouding met [eiser] . Tenslotte verdient opmerking dat [eiser] niet de schade van Agora kan vorderen, zodat verrekening met een vordering van Agora op hem niet aan de orde kan zijn.

4.30.

Vordering F zal worden afgewezen. Deze vordering wordt ingesteld voor het geval van toewijzing van de vorderingen A en B in conventie tot benoeming van een interim manager, maar die vordering in conventie zal, zoals gezegd, worden afgewezen.

4.31.

Over de vordering om [eiser] te veroordelen om de inloggegevens van het e-mailaccount van Agora en een aantal bescheiden te verstrekken aan Agora, wordt als volgt geoordeeld.

4.32.

Artikel 843a lid 1 Rv. bindt de toewijsbaarheid van de daar bedoelde vordering aan drie cumulatieve voorwaarden:

(i) degene die de vordering doet, dient een rechtmatig belang te hebben en

(ii) het moet gaan om bepaalde bescheiden

(iii) aangaande een rechtsbetrekking waarin de eiser of zijn rechtsvoorganger partij is.

Het vierde lid bepaalt dat degene die de bescheiden te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft, niet gehouden is aan deze vordering te voldoen, indien daarvoor gewichtige redenen zijn, alsmede indien redelijkerwijs aangenomen kan worden dat een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder verschaffing van de gevraagde gegevens is gewaarborgd.

4.33.

Partijen zijn het er over eens dat de domeinnaam [website] en de bijbehorende e-mailaccount(s) [e-mail adres] geregistreerd staan op naam van [eiser] . De voorzieningenrechter gaat er daarom voorshands van uit dat [eiser] , en niet Agora, de rechthebbende is ten aanzien van deze e-mailaccount(s). Agora had kennelijk slechts een gebruiksrecht. Als juist is het standpunt van [eiser] dat [gedaagde] c.s. aan Agora onrechtmatige concurrentie aandoen, dan rechtvaardigt dit dat [eiser] het gebruiksrecht heeft ingetrokken, of althans zich te dien aanzien op een opschortingsrecht beroept. Het staat echter, zoals gezegd, thans niet vast dat sprake is van onrechtmatige concurrentie.

Ter zitting bleek dat de mogelijkheid om deze account te benutten van wezenlijk belang is voor de mogelijkheid om met de klanten en met de in te schakelen bedrijven in contact te treden. Ook [eiser] is er niet mee gebaat dat die mogelijkheid thans niet meer bestaat. Als zakelijke communicatie niet meer mogelijk is op de voorheen gebruikelijke wijze, dan bemoeilijkt dat de mogelijkheid om omzet te genereren. Daarom zal de voorzieningenrechter de vordering om het account ter beschikking te stellen toewijzen ten aanzien van Agora als gebruikster. De overige eisers in reconventie/ gedaagden in conventie hebben in deze geen vorderingsrecht, nu het gebruiksrecht van het account kennelijk was verleend aan (alleen) Agora. Deze veroordeling geschiedt onder de opschortende voorwaarde dat [gedaagde] , als aandeelhouder en bestuurder van Agora en daarnaast feitelijk beleidsbepaler bij RTMO, aan [eiser] genoegzaam aantoont, met verificatoire bescheiden, dat de omzet die RTMO heeft gegenereerd daadwerkelijk is doorbetaald aan Agora. Mede in het kader van de veroordeling in conventie gaat het dan om een eerste opgave, tot heden, die daarna bij nieuwe betalingen dient te worden herhaald. Als genoegzame verificatoire bescheiden gelden in elk geval bankafschriften of een verklaring van een onafhankelijke accountant.

Er zal een termijn voor nakoming als na te noemen worden opgenomen in de beslissing.

4.34.

Daarnaast vorderen [gedaagde] c.s. onder G afgifte van een aantal bescheiden. Volgens het lichaam van de eis in reconventie gaat het hierbij om “alle alternatieven bescheiden met betrekking tot de oproeping van de algemene vergadering van aandeelhouders van het oprichting tot en met 2016.” Deze vordering zal worden afgewezen. Het ligt niet voor de hand dat een statutair bestuurder/ een vennootschap een dergelijke vordering instelt tegen een aandeelhouder. Als regel zal de bestuurder (dan wel de vennootschap) deze stukken juist zelf moeten hebben. Dit kan echter verder in het midden blijven. Het is immers niet duidelijk welk (spoedeisend) belang met deze vordering gediend is. Dat is ter zitting niet duidelijk geworden. [gedaagde] c.s. gaven ter zitting nog wel aan dat zij bewijs willen verkrijgen dat de oproep voor de algemene vergadering die gepland stond op 28 juni 2017 [eiser] daadwerkelijk heeft bereikt (zie 2.10-2.12). Het is dan echter nog steeds niet duidelijk welk (spoedeisend) belang daarmee gediend is, terwijl voorts de vordering zich niet uitstrekt tot 2017. Daarbij is nog daargelaten dat het bij [eiser] aanwezig zijn van de stukken met betrekking tot de aandeelhoudersvergaderingen van Agora over de jaren vóór 2017 betwijfeld wordt nu [eiser] in zijn e-mailbericht van 15 juni 2017 vraagt waarom er in eerdere jaren nooit aandeelhoudersvergaderingen zijn belegd.

4.35.

Als over en weer deels in het ongelijk gesteld, zullen de proceskosten in reconventie tussen partijen worden gecompenseerd (vordering H).

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

in conventie

5.1

verleent verstek tegen de niet verschenen gedaagde [gedaagde 2] ;

5.2

verbiedt [gedaagde] om (al dan niet via RTMO) vanaf 1 (een) werkdag na betekening van dit vonnis betalingen te ontvangen van cliënten van Agora voor werkzaamheden en of diensten die hij en/of RTMO ten behoeve van deze (voormalige) cliënten verrichten of hebben verricht, op straffe van een dwangsom van € 500,= per overtreding, met een maximum van € 50.000,=;

5.3

veroordeelt [gedaagde] om vanaf 1 werkdag na betekening van dit vonnis betalingen die hij (al dan niet via RTMO) ontvangt van (voormalige) cliënten van Agora voor werkzaamheden en of diensten die hij en/of RTMO ten behoeve van deze (voormalige) cliënten verrichten of hebben verricht binnen 5 werkdagen na ontvangst van bedoelde betalingen (door) te storten op de bankrekening van Agora, op straffe van een dwangsom van € 500,= per overtreding, met een maximum van € 250.000,=;

5.4

veroordeelt Agora, AGO Holding en RTMO Logistics om binnen 5 dagen na de betekening van het onderhavige vonnis op grond van art. 720 jo. 476a Rv verklaring te doen van de vorderingen en zaken die door het door [eiser] op 3 mei 2017 onder ieder van hen gelegde conservatoire derdenbeslag zijn getroffen, behalve voor zover deze verklaringen reeds zijn gedaan;

5.5

verklaart het tot vonnis tot zover zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,

5.6

bepaalt dat ieder van de verschenen partijen de eigen proceskosten draagt,

5.7

wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

5.8

veroordeelt [eiser] om de inloggegevens van de e-mailaccount(s) [e-mail adres] aan Agora te verstrekken, binnen 5 werkdagen nadat [gedaagde] aan [eiser] op genoegzame wijze onder overlegging van bewijsstukken heeft aangetoond dat de omzet van RTMO is doorbetaald aan Agora;

5.9

verklaart het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.10

bepaalt dat ieder van partijen de eigen proceskosten draagt,

5.11

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten en in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2017.1

1 2517/106