Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:5734

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
20-06-2017
Datum publicatie
21-07-2017
Zaaknummer
10/660138-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veelpleger.

Veroordeling wegens winkeldiefstal.

Oplegging maatregel ISD voor de duur van één jaar zonder aftrek van voorarrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/660138-17

Datum uitspraak: 20 juni 2017

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Krimpen aan den IJssel,

raadsvrouw mr. D.S. Lösing, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 20 juni 2017.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. M.P.M. Reinders heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het ten laste gelegde;

  • -

    oplegging van de maatregel tot plaatsing van de verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 jaren zonder aftrek van voorarrest.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Bewezenverklaring zonder nadere motivering

Het ten laste gelegde is door de verdachte bekend en nadien is geen vrijspraak bepleit. Dit feit zal zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.

In bijlage II heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij op of omstreeks 09 maart 2017 te Rotterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een of meerdere verpakkingen tandpasta, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer] , in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

diefstal

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Maatregel

7.1.

Algemene overweging

De maatregel die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan, de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan winkeldiefstal bij een vestiging van de [naam slachtoffer] te Rotterdam. Diefstal is een hinderlijk feit dat in dit geval schade en overlast voor het gedupeerde winkelbedrijf teweegbrengt.

7.2.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.2.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 40 pagina’s van 24 mei 2017. Hieruit blijkt dat de verdachte veelvuldig is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

7.2.2.

Rapportages

De psycholoog van het NIFP, [naam psycholoog] , heeft in het kader van een ISD-trajectconsult, gedateerd op 4 april 2017, een advies opgesteld. Dit advies houdt het volgende in.

De verdachte heeft verklaard dat hij verslaafd is en dat hij voor het verwerven van coke veel geld nodig heeft. Dit leidt tot het plegen van vermogensdelicten. Er is sprake van een zeer langdurig bestaande verslavingsproblematiek, die volgens de verdachte in remissie is. De problematiek wordt geclassificeerd als afhankelijkheid van cocaïne en heroïne.

Er zijn geen aanwijzingen voor psychiatrische problematiek, depressie of autisme. Er is geen evidente aanwijzing voor organisch-cerebrale schade die een aanvullend neuro psychiatrisch of psychologisch diagnostiek nodig zouden maken. Er is evenmin aanleiding een psychiatrisch advies te geven aan de medische dienst in de Penitentiaire Inrichting. Een speciale zorgsetting is niet geïndiceerd. Er zijn geen medisch-inhoudelijke contra-indicaties aanwezig voor een ISD-maatregel.

Bouman GGZ, afdeling reclassering, heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd op 15 maart 2017. Dit rapport houdt onder meer het volgende in.

De verdachte staat bekend als een veelpleger en heeft eerder de ISD-maatregel opgelegd gekregen. Het is desondanks niet gelukt om de sociaal-maatschappelijke positie van de verdachte te verbeteren en te stabiliseren. De belangrijkste criminologe factoren zijn de verslavingsproblematiek en verdachtes houding ten opzichte van behandeling en begeleiding. Dit is ondanks herhaaldelijk bespreken met de verdachte niet (h)erkend. De verdachte stelt dat hij tot het delict is gekomen omdat hij zijn uitkering niet tijdig ontving waardoor hij wel moest stelen.

De verdachte gebruikt dagelijks methadon om te voorkomen dat hij ziek wordt. De verdachte stond tot vorig jaar november onder toezicht bij Bouman GGZ-Antes, maar dit toezicht is voortijdig negatief beëindigd door de verdachte omdat de verdachte tegen het advies in de FPK verliet en zijn meldplichtafspraken niet meer nakwam. De reclassering heeft toen aangegeven niet voldoende zicht op de verdachte te houden en kon daardoor het recidiverisico onvoldoende beïnvloeden. Het lijkt erop dat de verdachte wisselend is in zijn motivatie om abstinent te geraken. Een ambulante behandeling alleen of plaatsing in een begeleide woonvorm in een voorwaardelijk kader is niet voldoende voor beperking van het recidiverisico. Er is een strikter kader nodig met nadruk op motivatie. Er lijkt immers sprake te zijn van normvervaging door langdurige verslavingsproblematiek dat de motivatie om abstinent te zijn bemoeilijkt. Er is een hoge kans op recidive en een hoog risico op het onttrekken aan voorwaarden nu de verdachte wisselend gemotiveerd is om deel te nemen aan behandeling en begeleiding. De reclassering vindt dat de oplegging van de ISD-maatregel de enige optie is om het hoge risico te beperken.

Binnen de eerste fase van het ISD-traject zal er voornamelijk ingezet moeten worden op de motivatie voor klinische behandeling (gericht op stabilisatie op het gebruik) gevolgd door begeleiding naar een begeleide vormvorm met gereguleerd gebruik. Het Psychisch Medisch Overleg bepaalt of er een indicatie wordt afgegeven en vraagt deze aan bij het IFZ/DIZ die vervolgens bepalen waar de verdachte geplaatst kan worden.

Het ISD-kader biedt de mogelijkheid om de verdachte bij ontoelaatbaar gedrag voor een time-out in de penitentiaire inrichting (terug) te plaatsen waarna de behandeling hervat kan worden mits de ernst van het gedrag dit toelaat, hetgeen de continuïteit van de zorg ten goede komt.

Gelet op het bovenstaande adviseert de reclassering de oplegging van de ISD-maatregel.

7.3.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

De rechtbank stelt vast dat verdachte een stelselmatige dader is in de zin van artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht en de Richtlijn voor strafvordering bij meerjarige zeer actieve veelplegers van het Openbaar Ministerie. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan één of meer misdrijven waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. De verdachte is blijkens het op zijn naam gestelde uittreksel uit de justitiële documentatie van 24 mei 2017 in de vijf jaren voorafgaande aan de door hem begane feiten ten minste driemaal tot een vrijheidsbenemende straf veroordeeld. De desbetreffende vonnissen zijn onherroepelijk. De onderhavige feiten zijn begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen. Er moet ernstig rekening mee worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan. In 2010 is de verdachte al een ISD-maatregel en in 2001 de SOV-maatregel opgelegd. De rechtbank stelt vast dat de tot op heden aan de verdachte opgelegde straffen en maatregelen er niet toe hebben geleid dat het criminele gedrag van de verdachte is beëindigd.

Voorts onderschrijft de rechtbank de conclusies van de psycholoog en reclassering die beide de oplegging van de ISD-maatregel adviseren.

De verdediging heeft ter terechtzitting onder meer aangevoerd dat de verdachte telkens problemen heeft met zijn financiën, huisvesting en methadonverstrekking zodra hij in vrijheid wordt gesteld. Het bestaande instrumentarium zou hiervoor geen oplossing bieden.

De verdachte verklaarde ter zitting dat hij al sinds zijn zestiende verslaafd is en dat hij dagelijks methadon gebruikt. Hij heeft alle cursussen in de ISD al gevolgd. Hij wil afspraken maken over gereguleerd gebruik van methadon in een begeleide woonvorm en kan zich daartoe motiveren als de ISD-maatregel wordt opgelegd voor de duur van één jaar.

De rechtbank is gelet op het vorenoverwogene van oordeel dat er een reëel en ernstig gevaar voor herhaling aanwezig en dat de oplegging van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel de enige optie is om het plegen van delicten door verdachte te laten eindigen. Het belang van de samenleving dient thans voorop te staan gelet op de steeds weer door verdachte veroorzaakte overlast en schade. De rechtbank heeft hierbij gelet op ernst van de begane feiten, de vele voorafgaande veroordelingen en in aanmerking genomen dat de maatregel er mede toe strekt de maatschappij te beveiligen en de recidive van verdachte te beëindigen.

Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de maatregel er mede toe strekt om verdachte te helpen bij zijn verslavingsproblematiek. Het doel van de maatregel is niet dat verdachte weer alle verplichte ISD-cursussen gaat volgen (want dat heeft hij al gedaan). Om die reden wordt de maatregel ook voor een kortere duur, te weten één jaar, opgelegd. In dat jaar dient de verdachte een behandeling te krijgen gericht op (stabilisatie van) zijn methadongebruik en begeleiding bij de overgang naar een begeleide woonvorm, zodat hij voldoende is ingebed in de maatschappij als hij de inrichting voor stelselmatige daders verlaat. Aldus zou moeten worden voorkomen dat verdachte weer tegen dezelfde praktische problemen (op gebied van huisvesting, financiën en methadonverstrekking) oploopt als hij eerder heeft ervaren. Alles afwegend komt de rechtbank tot het oordeel dat de oplegging van de ISD-maatregel voor de duur van één jaar zonder aftrek van de voorlopige hechtenis passend en geboden is.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 38m, 38n en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

9 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

10 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

gelast dat de verdachte wordt geplaatst in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 1 (één) jaar, zonder aftrek van voorarrest;

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J. Snitker, voorzitter,

en mrs. B.E. Dijkers en M. Beusmans-Verwijs, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. R. van Puffelen, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 09 maart 2017 te Rotterdam

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening

heeft weggenomen

een of meerdere verpakkingen tandpasta, in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer] , in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte;

art 310 Wetboek van Strafrecht