Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:5732

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
20-06-2017
Datum publicatie
21-07-2017
Zaaknummer
10/660052-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling tot een gevangenisstraf van 20 maanden/waarvan 14 maanden voorwaardelijk.

Voorhanden hebben van 5.842 gram heroïne, 46 gram cocaïne en voorbereidingsmiddelen en witwassen geldbedrag van 15.000 euro.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/660052-17

Datum uitspraak: 20 juni 2017

Tegenspraak

Verkort vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Dordrecht,

raadsman mr. P.J. Silvis, advocaat te Schiedam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 20 juni 2017.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd.

De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. C.J.A. de Bruijn heeft gevorderd:

  • -

    vrijspraak van het onder 3 primair ten laste gelegde;

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1 primair, 2 primair en 3 subsidiair ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 25 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 5 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren met de oplegging van bijzondere voorwaarden als vermeld in het reclasseringsrapport. Daarnaast heeft de officier van justitie de verbeurdverklaring van het in beslag genomen geldbedrag gevorderd.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Bewijswaardering

4.1.1.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs en voert daartoe aan dat de verdachte geen opzet op - ook niet in voorwaardelijke zin – en wetenschap van de aanwezigheid van de drugs, de drugsgerelateerde voorwerpen en het geldbedrag heeft gehad. De verdachte leende zijn huissleutel wel eens uit aan vrienden zodat zij een meisje naar zijn huis konden meenemen. Die jongens zouden de drugs en het geld in de woning hebben gelegd. Verdachte wist hier als gezegd niets van. De aangetroffen vingerafdrukken op het plastic waarin het geld was verpakt kunnen worden verklaard door het feit dat het plastic kennelijk afkomstig is van een rol huishoudfolie die in verdachtes huis lag. De verdachte heeft verklaard dat hij op een eerder moment een dergelijke rol huishoudfolie in zijn handen heeft gehad zodat de aanwezigheid van zijn vingerafdrukken op de folie terecht zijn gekomen, maar dat hij niets wist van het geld, laat staan dat hij dit geld verpakt heeft.

4.1.2.

Beoordeling

In de woning van de verdachte zijn in een doos in de woonkamer en in zijn slaapkamer cocaïne, heroïne, paracetamol en cafeïne aangetroffen. In een opbergruimte onder het bed in verdachtes slaapkamer is een geldbedrag bestaande uit twintig-eurobankbiljetten gevonden. Onder het bed werden twee plastic tassen met daarin verdovende middelen en een in plastic gewikkeld pakket van tien euro-bankbiljetten aangetroffen. In totaal is een geldbedrag van € 15.000,- aangetroffen. In een kastje in zijn slaapkamer werd verdachtes paspoort aangetroffen. In de bij de woning behorende schuur, waarvan de deur volgens de verdachte met dezelfde sleutel kan worden geopend als de buitendeur van de woning, zijn twee gas- dan wel stofmaskers, een elektrische koffiemolen, een zakje beigekleurige poeder, twee spatels, een teil, een zeef, drie persen, vier gasbranders, een schepje en een nota voor de aanschaf van een bankstel op naam van de verdachte aangetroffen. Op het in plastic gewikkelde geldbedrag zijn afdrukken van verdachtes rechtermiddelvinger en de linkermiddelvinger aangetroffen.

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij de opbergruimte onder zijn bed via een uittrekbare lade - waarin volgens hem beddengoed lag - regelmatig opende. Voorts heeft verdachte tegenover een verbalisant verklaard dat hij die ouwe spullen in de schuur moest bewaren.

De rechtbank overweegt dat de bovengenoemde goederen in verdachtes woning nagenoeg voor het grijpen lagen. Hij moet derhalve hebben geweten dat die spullen in zijn huis lagen. Er is dan ook sprake van opzettelijk aanwezig hebben van heroïne en cocaïne aan de zijde van de verdachte. De rechtbank gaat er op grond van de DNA mengprofielen op de in de schuur aangetroffen spullen en de verklaringen van verdachte over het uitlenen van zijn huissleutel aan derden van uit dat de verdachte de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten niet alleen heeft gepleegd, en evenbedoelde spullen samen met anderen voorhanden heeft gehad.

De omstandigheden waaronder het geldbedrag in de slaapkamer van de verdachte is aangetroffen vormt een aanwijzing voor witwassen. Het is algemeen bekend dat diverse vormen van criminaliteit gepaard gaan met grote bedragen in contant geld. Dat iemand zonder inkomen een groot contant geldbedrag onder zijn bed bewaart, vraagt om uitleg. Van de verdachte mag worden verlangd dat hij een concrete, min of meer verifieerbare verklaring en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft aangaande zijn handelen met betrekking tot het voornoemde geldbedrag. In deze context acht de rechtbank het door verdachte aangedragen alternatieve scenario, dat zijn vingerafdrukken op het pakket geld terecht zijn gekomen doordat het geld door anderen kennelijk in zijn huishoudfolie is gewikkeld - niet geloofwaardig. De verdachte heeft dan ook geen verklaring gegeven waaruit zou kunnen worden afgeleid dat het geld - ondanks het vermoeden van witwassen - toch een legale herkomst heeft. Dit betekent dat het niet anders kan zijn dan dat het bovengenoemde aangetroffen geldbedrag - middellijk of onmiddellijk - uit misdrijf afkomstig is en dat de verdachte daarvan wetenschap heeft gehad.

4.1.3.

Conclusie

Het verweer wordt verworpen.

4.2.

Bewezenverklaring

Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij op of omstreeks 26 januari 2017 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 5842 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en/of ongeveer 46 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde heroïne en/of cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

2.

hij op of omstreeks 26 januari 2017 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de

Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van heroïne en/of cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en/of cocaïne, zijnde heroïne en/of cocaïne (telkens) (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen 332,8 gram paracetamol en/of cafeïne en/of 2 adem-/gasmaskers en/of een koffiemolen en/of een teil en/of 2 spatels en/of een mengschep en/of 3 persen en/of 4 gasbranders en/of een zeef voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en/of verdachtes mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en).

3.

hij op of omstreeks 26 januari 2017, te Rotterdam, althans in Nederland, een voorwerp, te weten een geldbedrag van 15.000,- euro, heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, terwijl hij wist dat dat voorwerp geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of

middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan is gegrond op de redengevende inhoud van het voorgaande en op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende tot bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Het vonnis zal in die gevallen waarin de wet dit vereist worden aangevuld met een later bij dit vonnis te voegen bijlage met daarin de inhoud dan wel de opgave van de bewijsmiddelen.

5 Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

1.

het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

2.

het medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet voorbereiden of bevorderen door voorwerpen, stoffen voorhanden te hebben waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van het feit.

3.

witwassen.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straffen die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan, de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van het voorhanden hebben in zijn woning van bijna 5 kilo heroïne en 46 gram cocaïne en aan het medeplegen van voorbereidingshandelingen als bedoeld in artikel 10A van de Opiumwet.

De verdachte heeft hiertoe een groot aantal stoffen en diverse voorwerpen voorhanden gehad waarvan hij wist dat deze bestemd waren voor de versnijding van heroïne en cocaïne.

Gelet op de aard en de hoeveelheid kan het niet anders dan dat het bestemd is geweest voor de handel in voornoemde verdovende middelen. Deze handel gaat in het algemeen gepaard met andere vormen van criminaliteit door gebruikers die strafbare feiten plegen in het kader van de financiering van hun behoefte aan verdovende middelen. Dit zorgt voor maatschappelijke overlast en schade. Bovendien is het gebruik van verdovende middelen sterk verslavend en veroorzaakt het schade aan de gezondheid van gebruikers. De verdachte heeft zich om al deze gevolgen niet bekommerd.

De verdachte heeft zich voorts schuldig gemaakt aan het witwassen van een bedrag van

€ 15.000,-. Witwassen vormt een ernstige bedreiging van de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan. Geld dat wordt verdiend door het plegen van strafbare feiten maakt immers onderdeel uit van het zwartgeldcircuit en kan een ontwrichtende werking hebben op de samenleving. Het kan niet anders dan dat verdachte bij dit alles enkel heeft gehandeld uit winstbejag, zulks ten koste van de samenleving.

7.2.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.2.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 24 mei 2017, Hieruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

7.2.2.

Rapportages

Reclassering Nederland heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 26 april 2017. Dit rapport houdt samengevat onder meer het volgende in.

Er is geen sprake van een delictpatroon maar er zijn wel problemen op het gebied van dagbesteding, werk en inkomen. De verdachte is al jaren werkloos en door zijn eigen schuld zijn uitkering kwijtgeraakt. Daarnaast heeft hij schulden. Het is zeer aannemelijk dat een financieel het oogmerk was voor verdachtes handelingen. De verdachte is bereid mee te werken aan een hulpverleningstraject. Het is belangrijk dat de verdachte een dagbesteding en een inkomen heeft omdat het ontbreken daarvan het risico op recidive verhoogt. De reclassering adviseert een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf met een meldplicht en andere voorwaarden het gedrag betreffende zoals een inspanningsverplichting mee te werken aan begeleiding gericht op dagbesteding, vrijwillig/passend werk of andere dagactiviteiten en een schuldentraject.

De rechtbank onderschrijft bovengenoemde conclusies en maakt deze tot de hare.

7.3.

Conclusies van de rechtbank

Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd.

De raadsman heeft aangevoerd dat de verdachte slechts een kleine rol heeft gehad in de tenlastegelegde feiten en dat de verdachte gemotiveerd is om iets van zijn leven te maken.

Gelet hierop, het strafblad van de verdachte met één veroordeling in 2005 wegens diefstal van een fiets en het reclasseringsadvies ziet de rechtbank aanleiding om een groot deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen met de voornoemde voorwaarden. Dit voorwaardelijk strafdeel dient er toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen en te werken aan zijn toekomst. De rechtbank acht in tegenstelling tot de officier van justitie een proeftijd van drie jaren hiervoor geïndiceerd, nu de verdachte zich kennelijk heeft laten leiden door financieel gewin en gelet op het ontbreken van reguliere inkomsten en het bestaan van schulden.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straffen, waaronder de hierna te bespreken verbeurdverklaring, passend en geboden.

8 In beslag genomen voorwerpen

8.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de verbeurdverklaring van het in beslag genomen geldbedrag van € 15.000,- dat vermeld is op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen.

8.2.

Beoordeling

Het in beslag genomen geldbedrag van € 15.000,- zal worden verbeurd verklaard als bijkomende straf. Het geldbedrag behoort de verdachte toe en het bewezenverklaarde feit is begaan met betrekking tot dit geld.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 47, 57 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht en artikelen 2, 10, 10A van de Opiumwet.

10 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlage maken deel uit van dit vonnis.

11 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 primair, 2 primair en 3 primair ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 (twintig) maanden;

bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 14 (veertien maanden) niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt gesteld op 3 (drie) jaren, na te melden voorwaarden overtreedt;

stelt als algemene voorwaarden:

  • -

    de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

  • -

    de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;

  • -

    de veroordeelde zal medewerking verlenen aan reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

stelt als bijzondere voorwaarden:

  1. de veroordeelde zal zich melden bij Reclassering Nederland, zolang en frequent als die reclasseringsinstelling noodzakelijk vindt;

  2. andere voorwaarden het gedrag betreffende als een inspanningsverplichting mee te werken aan begeleiding gericht op dagbesteding, vrijwillig/passend werk of andere dagactiviteiten en een schuldentraject.

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;


beslist ten aanzien van de voorwerpen, geplaatst op de lijst van inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, als volgt:
- verklaart verbeurd het op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen vermelde geldbedrag van € 15.000,- als bijkomende straf voor het onder 3 tenlastegelegde feit.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J. Snitker, voorzitter,

en mrs. J. van Dort en Beusmans-Verwijs, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. R. van Puffelen, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst gewijzigde tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 26 januari 2017 te Rotterdam

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk

aanwezig heeft gehad

ongeveer 5842 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal

bevattende heroïne en/of ongeveer 46 gram, in elk geval een hoeveelheid van

een materiaal bevattende cocaïne,

zijnde heroïne en/of cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de

Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van

artikel 3a van die wet;

(Artikel 2 jo. 10 Opiumwet)

art 2 ahf/ond C Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 10 lid 3 Opiumwet

subsidiair

een of meer ander(en) op of omstreeks 26 januari 2017 te Rotterdam

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad ongeveer 5842 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en/of ongeveer 46 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne,

zijnde heroïne en/of cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de

Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van

artikel 3a van die wet,

bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte

op of omstreeks 26 januari 2017 te Rotterdam,

opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen

en/of inlichtingen heeft verschaft, door die tot op heden onbekend gebleven

perso(o)n(en) zijn, verdachtes, woning ter beschikking te stellen;

(Artikel 2 jo. 10 Opiumwet jo. 48 Wetboek van Strafrecht)

2. primair

hij op of omstreeks 26 januari 2017 te Rotterdam

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de

Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen,

afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland

brengen van heroïne en/of cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een

materiaal bevattende heroïne en/of cocaïne, zijnde heroïne en/of cocaïne

(telkens) (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I

voor te bereiden en/of te bevorderen

332,8 gram paracetamol en/of caffeïne en/of 2 adem-/gasmaskers en/of een

koffiemolen en/of een teil en/of 2 spatels en/of een mengschep en/of 3 persen

en/of 4 gasbranders en/of een zeef voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte

en/of verdachtes mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te

vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en);

(Artikel 10A Opiumwet)

art 10a lid 1 ahf/sub 3 alinea Opiumwet

subsidiair:

een of meer ander(en) op of omstreeks 26 januari 2017 te Rotterdam

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de

Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen,

afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland

brengen van heroïne en/of cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een

materiaal bevattende heroïne en/of cocaïne, zijnde heroïne en/of cocaïne

(telkens) (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I

voor te bereiden en/of te bevorderen,

332,8 gram paracetamol en/of caffeïne en/of 2 adem-/gasmaskers en/of een

koffiemolen en/of een teil en/of 2 spatels en/of een mengschep en/of 3 persen

en/of 4 gasbranders en/of een zeef voorhanden heeft/hebben gehad, waarvan verdachte

en/of verdachtes mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te

vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en);

bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte

op of omstreeks 26 januari 2017 te Rotterdam,

opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen

en/of inlichtingen heeft verschaft, door die tot op heden onbekend gebleven

perso(o)n(en) zijn, verdachtes, woning en/of de bij die woning behorende schuur ter beschikking te stellen;

(Artikel 10A Opiumwet)

3.

hij op of omstreeks 26 januari 2017, te Rotterdam, althans in Nederland,

een voorwerp, te weten een geldbedrag van 15.000,- euro, heeft verworven,

voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet,

terwijl hij wist dat dat voorwerp geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of

middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

(Artikel 420bis lid 1 onder B Wetboek van Strafrecht)

art 420bis lid 1 ahf/ond b Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 26 januari 2017, te Rotterdam, althans in Nederland,

een voorwerp, te weten een geldbedrag van 15.000,- euro, heeft verworven,

en/of voorhanden gehad,

terwijl hij wist dat dat voorwerp onmiddellijk afkomstig was uit enig eigen

misdrijf;

hij op of omstreeks 26 januari 2017, te Rotterdam, althans in Nederland,

een voorwerp, te weten een geldbedrag van 15.000,- euro, heeft verworven,

en/of voorhanden gehad,

terwijl hij wist dat dat voorwerp onmiddellijk afkomstig was uit enig eigen

misdrijf;

(Artikel 420bis.1 Wetboek van Strafrecht)

art 420bis.1 Wetboek van Strafrecht