Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:5730

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
04-07-2017
Datum publicatie
21-07-2017
Zaaknummer
10/741109-17 en 10/690337-16 (t.t.z.gevoegd) parketnummer vordering TUL VV 10/157355-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veelpleger.

Veroordeling voor vernieling, bedreiging, belediging ambtenaar en het binnendringen in een besloten lokaal bij een ander in gebruik.

Oplegging maatregel ISD voor de duur van 2 jaar zonder aftrek van voorarrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/741109-17 en 10/690337-16 (ter terechtzitting gevoegd)

Parketnummer vordering TUL VV: 10/157355-16

Datum uitspraak: 4 juli 2017

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Krimpen aan den IJssel,

raadsman mr. R. Haze, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 20 juni 2017.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaardingen onder de parketnummers 10/741109-17 en 10/690337-16. De tekst van het tenlastegelegde is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. In de dagvaarding onder parketnummer 10/9741109-17 is het tenlastegelegde onder 3 en 4 ter terechtzitting gewijzigd overeenkomstig de vordering van de officier van justitie. Bijlage I bevat de tekst van de gewijzigde tenlastelegging.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. M.P.M. Reinders heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring onder parketnummer 10/741109-17 van het onder 1 tot en met 6 ten laste gelegde;

  • -

    bewezenverklaring onder parketnummer 10/690337-17 van het onder 1 tot en met 3 ten laste gelegde;

  • -

    oplegging van de maatregel tot plaatsing van de verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 jaren zonder aftrek van voorarrest;

  • -

    afwijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 10/157355-16.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Vrijspraak

Ten aanzien van feit 5 onder parketnummer: 10/741109-17:

4.1.1.

Standpunt officier van justitie

Het meest aannemelijke scenario is dat de verdachte de ruit heeft vernield om toegang te krijgen tot het besloten lokaal zodat hij daar kon overnachten. De verdachte heeft immers verklaard dat hij moet inbreken om te kunnen slapen en hij is als enige in het pand aangetroffen, aldus de officier van justitie.

4.1.2.

Beoordeling

De door de officier van justitie aangedragen feiten en omstandigheden bevatten inderdaad aanknopingspunten voor een bewezenverklaring van de tenlastegelegde vernieling. Toch deelt de rechtbank de conclusie van de officier van justitie niet. De verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij een slaapplek zocht, dat hij wakker werd in het pand van de [naam stichting] (waar dagopvang wordt geboden), maar dat hij geen idee heeft hoe hij daar binnen is gekomen. Ander bewijs dan verdachtes aanwezigheid in het pand voor de vernieling is er niet. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de tenlastegelegde vernieling niet kan worden bewezen, zodat de verdachte hiervan wordt vrijgesproken.

Ten aanzien van de feiten 1 en 3 onder parketnummer: 10/690337-16:

4.1.3.

Standpunt officier van justitie

Er is wettig en overtuigend bewijs aanwezig van de onder 1 tenlastegelegde diefstal van de telefoon op grond van gelijkluidende verklaringen van verdachtes moeder en de zus en van het onder 3 tenlastegelegde verzet op grond van het proces-verbaal van aanhouding van de opsporingsambtenaren [naam opsporingsambtenaar 1] en [naam opsporingsambtenaar 2] en de ter terechtzitting afgelegde verklaring van die [naam opsporingsambtenaar 2] .

4.1.4.

Beoordeling

Ten aanzien van feit 1:

De moeder en de zus van verdachte hebben verklaard dat de verdachte de telefoon had meegenomen terwijl de verdachte dit feit ontkent en ter terechtzitting onder meer heeft verklaard dat de telefoon van zijn moeder later gewoon onder de bank bleek te liggen. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting leidt de rechtbank af dat de relatie tussen de verdachte en zijn familie al enige tijd verstoord is. De rechtbank heeft onder deze omstandigheden redenen te twijfelen aan de volledigheid en de betrouwbaarheid van de verklaring van verdachtes moeder en zus. De rechtbank heeft om die reden niet de overtuiging dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan. De verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

Ten aanzien van feit 3:

De verdachte verklaarde ter terechtzitting dat hij de verbalisanten beledigde met de woorden kankerlijers, dat hij hierop werd geslagen door één van de verbalisanten, zich daarop verzet heeft bij zijn aanhouding en dat hij - terwijl hij geboeid in de politiebus zat – nog meerdere malen door diezelfde verbalisant tegen het hoofd werd geslagen. De verdachte stelt dat dit zijn verklaring kan worden ondersteund door camerabeelden, omdat de verbalisant een bodycam droeg ten tijde van de aanhouding.

Verbalisant [naam opsporingsambtenaar 2] heeft ter terechtzitting als getuige verklaard dat hij de verdachte na zijn aanhouding en terwijl hij geboeid in de politiebus zat tweemaal heeft geslagen met de linkerhand om de verdachte in toom te houden. Van dit toegepaste geweld is echter in geen enkel proces-verbaal (de aangifte van de verbalisant, proces-verbaal van bevindingen dan wel het proces-verbaal van aanhouding) melding gemaakt. Daarmee stelt de rechtbank vast dat de verslaglegging van de verbalisant(en) gebreken vertoont. De verbalisant heeft voorts verklaard dat zijn bodycam ten tijde van de aanhouding niet aan stond. Er zijn derhalve geen beelden beschikbaar die duidelijkheid kunnen verschaffen over de wijze waarop de aanhouding heeft plaatsgevonden. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden vastgesteld of de verbalisant(en) bij de aanhouding de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit in acht hebben genomen. De rechtbank kan daarmee ook niet vaststellen of de verbalisanten bij de aanhouding van de verdachte nog steeds in de rechtmatige uitoefening van hun bediening waren. De verdachte zal daarom worden vrijgesproken van de aan hem tenlastegelegde wederspannigheid.

4.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op de wijze dat

onder parketnummer 10/741109-17:

3.

hij op of omstreeks 10 maart 2017 te Poortugaal, althans in Nederland, [naam slachtoffer 1] en/of [naam slachtoffer 2] en/of [naam slachtoffer 3] , (allemaal controleurs openbaar vervoer, in dienst van RET en tevens buitengewoon opsporingsambtenaaren) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend

- meermalen tegen voornoemde ambtenaren gezegd/geroepen: "Ik sla jullie kapot"

en/of "ik maak jullie af", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of

- ( daarbij) een sleutel, in elk geval een scherp en/of puntig voorwerp (tussen zijn vingers) in zijn gebalde vuist gehouden en/of getoond en/of

- ( daarbij) een dreigende houding aangenomen.

4.

hij op of omstreeks 10 maart 2017 te Poortugaal, althans in Nederland, opzettelijk een of meer ambtena(a)r(en), te weten [naam slachtoffer 1] en/of [naam slachtoffer 2] en/of [naam slachtoffer 3] (allemaal controleurs openbaar vervoer, in dienst van RET en tevens buitengewoon opsporingsambtenaaren), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening, in hun tegenwoordigheid, en/of in het openbaar mondeling heeft beledigd,

door hen meermalen de woorden toe te voegen: "kankerhomo" en/of "kankerlijer",

althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking.

onder parketnummer: 10/690337-17:

2.

hij op of omstreeks 8 september 2016 te Rotterdam opzettelijk een of meer ambtena(a)r(en), [naam slachtoffer 6] en/of [naam slachtoffer 7] , hoofdagenten van politie Eenheid Rotterdam, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar/hun bediening, in zijn/haar/hun tegenwoordigheid en/of in het openbaar, mondeling heeft beledigd, door hem/haar/hen de woorden toe te voegen:

"kankerlijers",

en/of in zijn tegenwoordigheid op het gezicht, althans in de richting, van die

[naam slachtoffer 6] te spuwen,

althans woorden en/of feitelijkheden van gelijke beledigende aard en/of

strekking.

In bijlage III heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden ten aanzien van het tenlastegelegde onder 1, 2 en 6 onder parketnummer 10/741107-17. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en nadien geen vrijspraak is bepleit. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op de wijze dat:

1.

hij op of omstreeks 10 maart 2017 te Rotterdam opzettelijk en wederrechtelijk een ruit van een woning (gelegen aan de [adres delict 1] ), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam woningbouwvereniging] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd.

2.

hij op of omstreeks 10 maart 2017 te Rotterdam opzettelijk en wederrechtelijk een ruit van een woning (gelegen aan de [adres delict 2] ), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer 4] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd.

6.

hij op of omstreeks 24 februari 2017 te Spijkenisse, gemeente Nissewaard, in een woning/besloten lokaal/besloten erf, gelegen aan de [adres delict 3] en in gebruik bij [naam stichting] , althans bij een ander of anderen dan bij verdachte, wederrechtelijk is binnengedrongen.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

5 Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

onder 10/741109-17:

1.

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat aan een ander toebehoort, vernielen;

2.

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat aan een ander toebehoort, vernielen;

3.

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

4.

eenvoudige belediging terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.

6.

in een besloten lokaal bij een ander in gebruik wederrechtelijk binnendringen.

onder parketnummer: 10/690337-17:

2.

eenvoudige belediging terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering maatregel

7.1.

Algemene overweging

De maatregel die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan, de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan vernieling van een ruit van de woning van zijn moeder en die van een buurman als wraak voor naar zijn zeggen het niet-teruggeven van zijn goederen. Een dergelijke wijze van eigenrichting is ontoelaatbaar. Bovendien zijn dit ergerlijke feiten die schade en overlast toebrengen aan gedupeerden.

De verdachte heeft zich voorts schuldig gemaakt aan bedreiging en belediging van drie bijzondere opsporingsambtenaren in de metro naar aanleiding van een reguliere controle op vervoersbewijzen. De verdachte weigerde iedere vorm van medewerking en gedroeg zich recalcitrant en riep kankerlijers, kankerhomo’s, ik sla jullie kapot en maak je af en toonde dreigend een scherp en puntig voorwerp tegen de opsporingsambtenaren in aanwezigheid van medepassagiers. Dit handelen toont niet alleen een groot gebrek aan respect voor deze ambtenaren die belast zijn met een openbare taak maar zorgde ook voor gevoelens van angst bij de opsporingsambtenaren en voor onrust en onveiligheid voor medepassagiers.

De verdachte heeft ook twee politieambtenaren in de woning van zijn moeder beledigd met de woorden kankerlijers en heeft na zijn aanhouding een opsporingsambtenaar in het gezicht gespuugd. Aldus heeft de verdachte blijk gegeven van minachtig voor het ambtelijk gezag van politieambtenaren. Daarnaast is het spugen in het gezicht voor de betrokken opsporingsambtenaar zeer vies en grievend geweest.

Tot slot is de verdachte wederrechtelijk een besloten lokaal dat bij de [naam stichting] in gebruik was, binnengedrongen om te kunnen slapen. De verdachte heeft hiermee het zogeheten huisrecht van een ander geschonden.

7.2.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.2.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 24 mei 2017, dat vijftien pagina’s beslaat. Hieruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

7.2.2.

Rapportages

Forensisch psychiater [naam psychiater] van het NIFP heeft in het kader van een ISD-trajectconsult een psychiatrisch consult opgesteld, gedateerd op 27 maart 2017, dat onder meer samengevat het volgende inhoudt.

Hoewel de verdachte weigerde zijn medewerking aan het consult te verlenen, blijkt uit de geraadpleegde stukken dat hij in 2015 is gediagnosticeerd met een antisociale persoonlijkheidsstoornis. De psychiater vindt dat de geschetste gedragingen en interactiepatronen kunnen passen bij voornoemde stoornis. Aanvullende diagnostiek is niet geïndiceerd omdat de verdachte reeds goed in kaart is gebracht. Er zijn vanuit psychiatrisch perspectief geen contra-indicaties tegen het opleggen van een ISD-maatregel.

Reclassering Nederland heeft meerdere rapporten over de verdachte opgemaakt. De meest recente is gedateerd op 23 mei 2017. Dit rapport houdt het volgende in.

De reclassering adviseert toepassing van het volwassenenstrafrecht wegens aanwijzingen

voor persoonlijkheidsproblematiek, het ontbreken van prioriteit voor scholing aan de zijde van de verdachte en het ontbreken van pedagogische beïnvloedingsmogelijkheden en de aanwezigheid van een uitgebreid strafblad.

De verdachte is vanaf 2007 meermalen in aanraking gekomen met justitie en is geregistreerd als veelpleger. Het delictgedrag hangt onder andere samen met zijn psychische problematiek en problematisch sociaal-maatschappelijke situatie. De verdachte stond vanaf zijn geboorte al onder toezicht, werd op zijn veertiende uit huis geplaatst en verbleef in jeugdinstellingen.

De verdachte heeft geen schooldiploma behaald en heeft nauwelijks gewerkt. De verdachte heeft geen vaste woon- of verblijfplaats en heeft geen zinvolle dagbesteding. De verdachte bagatelliseert de delicten en ziet onvoldoende zijn eigen rol hierin. Eerder begeleidings- en behandelingstrajecten zowel ambulant als klinisch hebben niet geleid tot een verbetering van de situatie en het gedrag. De verdachte is driemaal klinisch opgenomen in de klinieken: de FPK Kijvelanden, de Oostvarderskliniek en FPK Assen. Een dergelijke opname duurde niet langer dan een maand omdat de verdachte zich niet inzette voor behandeling en zich niet hield aan de afspraken in de kliniek. Tijdens twee van de drie opnames recidiveerde de verdachte. De verdachte was onvoldoende gemotiveerd om aan zijn problematiek te werken.

De verdachte heeft een negatieve houding ten opzichte van begeleiding en behandeling. De verdachte geeft aan onbehandelbaar te zijn verklaard. Hij heeft vanaf zijn jeugd vele behandelingen ondergaan en vindt dat het een keer klaar moet zijn. De verdachte verscheen nadat hij uit detentie kwam in december 2017 niet op zijn afspraak meldplicht en mocht niet meer terugkeren naar Maaszicht.

Het huidige juridisch kader waarbinnen de verdachte tot op heden is begeleid/behandeld is ontoereikend gebleken voor het verminderen van recidive dat thans ingeschat wordt als hoog. De reclassering adviseert de oplegging van de ISD-maatregel.

7.3.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op het vorenoverwogene komt de rechtbank tot de volgende conclusies.

De rechtbank stelt vast dat verdachte een stelselmatige dader is in de zin van artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht en de Richtlijn voor strafvordering bij meerjarige zeer actieve veelplegers van het Openbaar Ministerie.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan één of meer misdrijven waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. De verdachte is blijkens het op zijn naam gestelde uittreksel uit de justitiële documentatie van 24 mei 2017 in de vijf jaren voorafgaande aan de door hem begane feiten ten minste driemaal tot een vrijheidsbenemende straf en/of een taakstraf veroordeeld. De desbetreffende vonnissen zijn onherroepelijk. De onderhavige feiten zijn begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen. Er moet ernstig rekening mee worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan.

De rechtbank stelt vast dat de tot op heden aan de verdachte opgelegde straffen er niet toe hebben geleid dat het criminele gedrag van de verdachte is beëindigd.

Voorts onderschrijft de rechtbank de conclusies van de reclassering en de psychiater dat oplegging van de ISD-maatregel is aangewezen. Vanuit de hulpverleningsgeschiedenis wordt duidelijk dat het ingezette instrumentarium tot op heden niet heeft geleid tot een significantie vermindering van verdachtes recidive.

De rechtbank is gelet op het vorenoverwogene van oordeel dat er een reëel en ernstig gevaar voor herhaling aanwezig en dat de oplegging van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel de enig over gebleven optie is om het plegen van delicten door de verdachte te doen stoppen.

Het belang van de samenleving dient thans voorop te staan gelet op de door de verdachte steeds weer veroorzaakte overlast en schade. De rechtbank heeft hierbij gelet op ernst van de begane feiten, de veelvuldigheid van de voorafgaande veroordelingen en in aanmerking genomen dat de maatregel er mede toe strekt de maatschappij te beveiligen en de recidive van verdachte te beëindigen. De veiligheid van personen of goederen vereist dat aan de verdachte wordt opgelegd de maatregel plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaren. Dit brengt mee dat de volle termijn van twee jaren benut dient te worden, zodat de in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd niet op deze termijn in mindering zal worden gebracht.

8 Vorderingen benadeelde partijen/schadevergoedingsmaatregel

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [naam benadeelde 1] ter zake van het onder 1 onder parketnummer 10/690337-16 ten laste gelegde strafbare feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 550,00 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade.

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [naam benadeelde 2] ter zake van het 2 onder parketnummer 10/690337-16 ten laste gelegde strafbare feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 250,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade.

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [naam benadeelde 3] ter zake van het onder 3 onder parketnummer 10/741109-17 ten laste gelegde strafbare feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 297,00 aan immateriële schade.

8.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie concludeert de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde 1] tot een bedrag van 150,00 en de niet-ontvankelijkheid voor het resterende deel van de vordering en de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde 2] en [naam benadeelde 3] . Tevens dient de schadevergoedingsmaatregel te worden opgelegd in elk van bovenstaande vorderingen.

8.2.

Standpunt verdediging

De raadsman bepleit de niet-ontvankelijkheid van de vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde 1] wegens de door hem bepleite vrijspraak en refereert zich aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de vordering van de benadeelde partijen [naam benadeelde 2] en [naam benadeelde 3] .

8.3.

Beoordeling

De benadeelde partij [naam benadeelde 1] zal in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, nu aan de verdachte geen straf of maatregel is opgelegd en artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht geen toepassing heeft gevonden.

Nu de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard zal de benadeelde partij worden veroordeeld in de kosten door de verdachte ter verdediging van de vordering gemaakt, welke kosten tot op heden worden begroot op nihil.

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij [naam benadeelde 2] door het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Die schade zal naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 250,00, zodat de vordering zal worden toegewezen.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 8 september 2016.

Nu de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil

en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij [naam benadeelde 3] door het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Die schade zal naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 250,00, zodat de vordering voor dit bedrag zal worden toegewezen. De vordering van de benadeelde partij wordt voor het resterende deel niet-ontvankelijk verklaard. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 10 maart 2017.

Nu de vordering van de benadeelde partij in overwegende mate zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

8.4.

Conclusie

De verdachte hoeft geen schadevergoeding te betalen aan de benadeelde partij [naam benadeelde 1] .

De verdachte moet de benadeelde partij [naam benadeelde 2] een schadevergoeding betalen van

€ 250,00, vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld.

De verdachte moet de benadeelde partij [naam benadeelde 3] een schadevergoeding betalen van

€ 250,00, vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

9 Vordering tenuitvoerlegging

9.1.

Vonnis waarvan tenuitvoerlegging wordt gevorderd

Bij vonnis van 13 oktober 2016 van de politierechter onder parketnummer 10/157355-16 in deze rechtbank is de verdachte ter zake van opzetheling en vernieling veroordeeld voor zover van belang tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 (twee) weken met een proeftijd van 2 (twee) jaren. De proeftijd is ingegaan op 28 oktober 2017 en loopt tot 1 februari 2019.

9.2.

Beoordeling

De hierboven bewezen verklaarde feiten onder parketnummer 10/741109-17 zijn na het wijzen van dit vonnis en voor het einde van de proeftijd gepleegd. Door het plegen van de bewezen feiten heeft de verdachte de aan het vonnis verbonden algemene voorwaarde, dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen, niet nageleefd.

In beginsel kan de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast. De rechtbank zal hiertoe echter niet besluiten. Een tenuitvoerlegging wordt op dit moment niet opportuun geacht, omdat aan verdachte een ISD-maatregel voor de duur van twee jaren wordt opgelegd. De vordering wordt derhalve afgewezen.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 36f, 38m, 38n, 57, 63, 138, 266, 267, 285 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

11 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

12 Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder 5 onder parketnummer 10/741109-17 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart niet bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 3 onder parketnummer 10/690337-16 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1, 2, 3, 4 en 6 onder parketnummer 10/741109-17 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart bewezen, dat de verdachte het onder 2 onder parketnummer 10/690337-16 ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

gelast dat de verdachte wordt geplaatst in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 (twee) jaren;

verklaart de benadeelde partij [naam benadeelde 1] niet-ontvankelijk in de vordering;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, en begroot deze kosten op nihil;

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde 2], te betalen een bedrag van € 250,00 (zegge: tweehonderdvijftig euro), bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam benadeelde 2] te betalen € 250,00 (hoofdsom, zegge: tweehonderdvijftig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 september 2016 tot aan de dag van de algehele voldoening; beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van € 250,00 vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 5 dagen; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde 3], te betalen een bedrag van € 250,00 (zegge: tweehonderdvijftig euro), bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 10 maart 2017 tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam benadeelde 3] te betalen € 250,00 (hoofdsom, zegge: tweehonderdvijftig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 maart 2017 tot aan de dag van de algehele voldoening; beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van € 250,00 vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 5 dagen; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;

wijst af de gevorderde tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in deze rechtbank aan de veroordeelde opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J. Snitker, voorzitter,

en mrs. B.E. Dijkers en M. Beusmans-Verwijs, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. R. van Puffelen, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De griffier, de jongste en de oudste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst gewijzigde tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 10 maart 2017 te Rotterdam opzettelijk en wederrechtelijk

een ruit van een woning (gelegen aan de [adres delict 1] ), in elk geval enig

goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam woningbouwvereniging] , in elk geval aan een ander

of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd;

art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 10 maart 2017 te Rotterdam opzettelijk en wederrechtelijk

een ruit van een woning (gelegen aan de [adres delict 2] ), in elk geval enig

goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer 4] , in elk geval aan een

ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd;

art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op of omstreeks 10 maart 2017 te Poortugaal, althans in Nederland,

[naam slachtoffer 1] en/of [naam slachtoffer 2] en/of [naam slachtoffer 3] (allemaal controleur openbaar

vervoer, in dienst van RET en tevens buitengewoon opsporingsambtenaar) heeft

bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware

mishandeling,

immers heeft verdachte opzettelijk dreigend

- meermalen tegen voornoemde ambtenaren gezegd/geroepen: "Ik sla jullie kapot"

en/of "ik maak jullie af", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of

strekking en/of

- ( daarbij) een sleutel, in elk geval een scherp en/of puntig voorwerp (tussen

zijn vingers) in zijn gebalde vuist gehouden en/of getoond en/of

- ( daarbij) een dreigende houding aangenomen;

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

4.

hij op of omstreeks 10 maart 2017 te Poortugaal, althans in Nederland

opzettelijk een of meer ambtena(a)r(en), te weten [naam slachtoffer 1] en/of [naam slachtoffer 2]

en/of [naam slachtoffer 3] (allemaal controleur openbaar vervoer, in dienst van RET en

tevens buitengewoon opsporingsambtenaar), gedurende of ter zake van de

rechtmatige uitoefening van hun bediening,

in hun tegenwoordigheid, en/of in het openbaar

mondeling heeft beledigd,

door hen meermalen de woorden toe te voegen: "kankerhomo" en/of "kankerlijer",

althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;

art 266 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 267 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

5.

(parketnummer 711021-17)

hij

op of omstreeks 24 februari 2017

te Spijkenisse, gemeente Nissewaard,

opzettelijk en wederrechtelijk een (voor)deur, in elk geval enig goed, geheel

of ten dele toebehorende aan [naam stichting] , in elk geval aan een ander

of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en / of beschadigd en / of

onbruikbaar gemaakt;

art. 350 Sr

art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht

6.

parketnummer 711021-17)

hij

op of omstreeks 24 februari 2017

te Spijkenisse, gemeente Nissewaard,

in een woning/besloten lokaal/besloten erf, gelegen aan de [adres delict 3]

en in gebruik bij [naam stichting] , althans bij een ander of anderen

dan bij verdachte,

wederrechtelijk is binnengedrongen;

art. 138 Sr

onder parketnummer 10/690337-16

1.

hij op of omstreeks 7 september 2016 te Rotterdam

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening

heeft weggenomen een telefoon, merk iPhone, in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer 5] , in elk geval

aan een ander of anderen dan aan verdachte;

art 310 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 7 september 2016 te Rotterdam

opzettelijk een telefoon , merk iPhone, in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer 5] , in elk geval

aan een ander of anderen dan aan verdachte,

en welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten

als houder/gebruiker, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

art 321 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 8 september 2016 te Rotterdam,

opzettelijk een of meer ambtena(a)r(en), [naam slachtoffer 6] en/of [naam slachtoffer 7] ,

hoofdagenten van politie Eenheid Rotterdam, gedurende of ter zake van de

rechtmatige uitoefening van zijn/haar/hun bediening,

in zijn/haar/hun tegenwoordigheid en/of in het openbaar,

mondeling heeft beledigd, door hem/haar/hen de woorden toe te voegen:

"kankerlijers",

en/of

in zijn tegenwoordigheid op het gezicht, althans in de richting, van die

[naam slachtoffer 6] te spuwen,

althans woorden en/of feitelijkheden van gelijke beledigende aard en/of

strekking;

art 266 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 267 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op of omstreeks 8 september 2016 te Rotterdam,

zich met geweld en/of bedreiging met geweld, heeft verzet

tegen een of meer ambtenaren, [naam slachtoffer 6] en/of [naam slachtoffer 7] , hoofdagenten

van politie Eenheid Rotterdam, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van

zijn/haar/hun bediening, bevoegd verklaard tot het opsporen en/of onderzoeken

van strafbare feiten, verdachte - op heterdaad - op verdenking van het artikel

266 jo 267 van het Wetboek van Strafrecht, in elk geval op verdenking van het

gepleegd hebben van enig strafbaar feit, had(den) aangehouden en vastgegrepen,

althans vast had(den) teneinde die genoemde hem onverwijld voor te geleiden

voor een hulpofficier van justitie en hem daartoe over te brengen naar een

plaats van verhoor, te weten het politiebureau te Rotterdam (Zuidplein), zich

met geweld heeft verzet tegen bovengenoemde opsporingsambtena(a)r(en),

werkzaam in de rechtmatige uitoefening zijner/hunner bediening, door

opzettelijk gewelddadig te rukken en/of te trekken in een richting

tegengesteld aan die waarin die opsporingsambtena(a)r(en) verdachte

trachtte(n) te geleiden en/of te schoppen tegen de benen van die

opsporingsambtena(a)r(en);

art 180 Wetboek van Strafrecht