Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:5638

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
12-07-2017
Datum publicatie
19-07-2017
Zaaknummer
C/10/491654 / HA ZA 16-1
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Zorgplicht bank. Hoofdelijke hypothecaire lening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team haven en handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/491654 / HA ZA 16-1

Vonnis van 12 juli 2017

in de zaak van

1 de naamloze vennootschap RABOHYPOTHEEKBANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

2. de coöperatie

COÖPERATIEVE RABOBANK U.A., rechtsopvolgster van Coöperatieve Rabobank Rotterdam U.A.

gevestigd te Amsterdam,

eiseressen in conventie,

verweersters in reconventie,

advocaat mr. R.M. Burger te Amsterdam,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te Rotterdam,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. E.A.M. Brouwers-Bouwman te Wassenaar.

Partijen zullen hierna Rabohypotheekbank c.s. en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 14 december 2015, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie van 4 mei 2016;

  • -

    de brieven van 1 juni 2016 en 6 juli 2016 van de rechtbank, waarbij partijen zijn opgeroepen voor een comparitie van partijen;

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie tevens houdende akte wijziging tenaamstelling tevens houdende akte wijziging/aanvulling van eis in conventie van 1 november 2016;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie, gehouden op 1 november 2016.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Rabohypotheekbank c.s. heeft op 31 augustus 2006 aan [gedaagde] en [persoon x] (hierna: [persoon x] ) gezamenlijk twee hypothecaire geldleningen verschaft ter financiering van de aankoop van een woning (appartementsrecht) door [persoon x] . [gedaagde] en [persoon x] hebben zich hoofdelijk verplicht tot terugbetaling van de leningen. [gedaagde] is de moeder van [persoon x] .

2.2.

In de overeenkomsten van geldlening (hierna: de overeenkomsten) is onder andere het volgende opgenomen:

‘Geldlening (Aflossingsvrije hypotheek)

De debiteur verklaart het bedrag van de geldlening heden van de bank ter leen te hebben ontvangen en dit bedrag - hoofdelijk - rentedragend aan haar schuldig te zijn.

Bedrag van de geldlening EUR 11,000,00

Bedrag in letters elfduizend euro

[…]

Rente

De rente wordt per vervaldag achteraf berekend en in rekening gebracht.

Verschuldigde rente 5 % per jaar, […]’

en

‘Geldlening (Aflossingsvrije hypotheek)

De debiteur verklaart het bedrag van de geldlening heden van de bank ter leen te hebben ontvangen en dit bedrag - hoofdelijk - rentedragend aan haar schuldig te zijn.

Bedrag van de geldlening EUR 139,000,00

Bedrag in letters eenhonderdnegenendertigduizend euro

[…]

Rente

De rente wordt per vervaldag achteraf berekend en in rekening gebracht.

Verschuldigde rente 5 % per jaar, […]’

2.3.

De woning is op 20 april 2011 verkocht middels een executoriale verkoop voor een bedrag lager dan de aanschafprijs. De restschuld van [gedaagde] en [persoon x] bedraagt per datum dagvaarding € 94.737,08 aan hoofdsom.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

Rabohypotheekbank c.s. vordert na wijziging van eis - veroordeling van [gedaagde] bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad tot betaling aan Rabohypotheekbank c.s. van € 120.346,21 (€ 94.737,08 aan hoofdsom, € 23.792,16 aan meegevorderde rente en € 1.815,00 aan buitengerechtelijke (incasso)kosten), te vermeerderen met de contractuele rente van 5,00% per jaar over een bedrag groot € 94.737,08, vanaf 21 november 2015 tot aan de dag van de algehele voldoening, alsmede veroordeling in de kosten van dit geding, inclusief salaris advocaat, subsidiair veroordeling van [gedaagde] tot betaling aan Rabohypotheekbank c.s. van € 94.737,08 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van (gerechtelijke) vernietiging van de geldovereenkomsten tussen partijen tot de dag der algehele voldoening, te vermeerderen met de kosten van het geding.

3.2.

[gedaagde] voert verweer. Zij concludeert dat de rechtbank Rabohypotheekbank c.s. niet-ontvankelijk zal verklaren dan wel de vorderingen van Rabohypotheekbank c.s. zal afwijzen, met veroordeling van Rabohypotheekbank c.s. in de kosten van het geding.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.4.

[gedaagde] vordert vernietiging, op grond van dwaling, van de op 31 augustus 2006 tussen partijen gesloten kredietovereenkomsten, met veroordeling van Rabohypotheekbank c.s. in de kosten van het geding.

3.5.

Rabohypotheekbank c.s. voert verweer. Zij concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [gedaagde] met veroordeling van deze in de kosten van de procedure in reconventie.

3.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie

4.1.

Rabohypotheekbank c.s. grondt haar vordering op de tussen partijen gesloten overeenkomsten tot geldlening. Zij stelt dat zij per saldo een bedrag van € 94.737,08 te vorderen heeft, te vermeerderen met de contractuele rente van 5,00 procent per jaar.

4.2.

[gedaagde] stelt dat Rabohypotheekbank c.s. bij het aangaan van de overeenkomsten haar zorgplicht heeft geschonden en voert ter onderbouwing daarvan het volgende aan (kort samengevat). De zorgplicht van banken wordt uitgeoefend middels een BKR-toets en een controle van de kredietwaardigheid van de kredietnemer. Rabohypotheekbank c.s. heeft er geen rekening mee gehouden dat ten tijde van het aangaan van de overeenkomsten in het BKR register bij [gedaagde] een schuld stond van € 4.450,00. Voorts wordt aangevoerd dat zij leefde van een AOW uitkering en een pensioenuitkering van rond de € 85,00 per maand, welke omstandigheden hadden moeten leiden tot een ontmoediging van het aangaan van de overeenkomsten door [gedaagde] . Daarnaast zal Rabohypotheekbank c.s. destijds op de hoogte zijn geweest van de zeer onstabiele financiële situatie van [persoon x] en had Rabohypotheekbank c.s. ook daarom [gedaagde] moeten informeren over het groot financieel risico dat het aangaan van de overeenkomsten voor haar met zich bracht. [gedaagde] was zeer ondeskundig op het gebied van financiële transacties. Omdat [gedaagde] niet is uitgenodigd voor een gesprek bij de bank, heeft de bank niet ‘in levenden lijve’ kunnen beoordelen of [gedaagde] de capaciteiten had om te kunnen beseffen welke contractuele verplichting aan haar werd voorgelegd.

4.3.

Rabohypotheekbank c.s. betwist dat zij de op haar rustende zorgplicht niet correct is nagekomen. Zij heeft daartoe aangevoerd dat zij de aanvraag voor de geldleningen heeft beoordeeld aan de hand van de verstrekte financiële gegevens en een BKR-toetsing heeft verricht. Ter onderbouwing heeft Rabohypotheekbank c.s. het aanvraagformulier en de van [gedaagde] en [persoon x] ontvangen stukken overgelegd. Uit de na ontvangst daarvan gemaakte berekeningen concludeerde Rabohypotheekbank c.s. dat [gedaagde] en [persoon x] in staat waren om aan hun verplichtingen te voldoen.

4.4.

De rechtbank stelt voorop dat naar vaste rechtspraak de maatschappelijke functie van een bank een (bijzondere) zorgplicht met zich meebrengt. Deze strekt er mede toe de cliënt te beschermen tegen de gevaren van eigen lichtvaardigheid of gebrek aan inzicht. De omvang en reikwijdte van de bijzondere zorgplicht hangt af van de aard van de door de bank verleende dienst en van de overige omstandigheden van het geval, bezien in het

licht van het recht en de rechtsopvattingen zoals die ten tijde van het aangaan van de overeenkomst golden.

4.5.

Het gaat in de onderhavige zaak om de verstrekking van een aflossingsvrije hypothecaire lening. Een dergelijke lening is een relatief eenvoudig financieel product, waarvan de financiële gevolgen - met name: de verplichting tot het betalen van rente en de terugbetaling van de hoofdsom - ook voor een niet-deskundige consument in het algemeen goed zijn te overzien. Van een bijzondere zorgplicht als in de rechtspraak van de Hoge Raad is aangenomen in relaties tussen banken en particulieren op het terrein van veel ingewikkelder financiële producten als beleggingsadvies, optiehandel, effectenlease of vermogensbeheer is hier dus geen sprake. De verplichting van Rabohypotheekbank c.s. bestond er dan ook (slechts) uit dat zij, voordat zij het krediet verstrekte aan [gedaagde] en [persoon x] , diende te onderzoeken of deze de financiële lasten die daaraan waren verbonden, konden dragen. Hiertoe diende Rabohypotheekbank c.s. een inkomens- en vermogenstoets uit te voeren.

4.6.

De door Rabohypotheekbank c.s. gestelde feitelijke gang van zaken (zie 4.3 hierboven), is door [gedaagde] niet betwist. Hiermee is komen vast te staan dat Rabohypotheekbank c.s. de vereiste inkomens- en vermogenstoets heeft uitgevoerd. Ten aanzien van de juiste uitvoering van die toets, oordeelt de rechtbank als volgt.

4.7.

De stelling dat Rabohypotheekbank c.s. [gedaagde] had moeten ontmoedigen de overeenkomsten aan te gaan, nu zij leefde van een AOW uitkering en een pensioen van rond de € 85,-- per maand, heeft [gedaagde] onvoldoende onderbouwd. Het had - in het licht van de stelling van Rabohypotheekbank c.s. dat zij op basis van die gegevens de leningen naar de toen geldende maatstaven mocht verstrekken - op de weg van [gedaagde] gelegen aan te geven waarom Rabohypotheekbank c.s. desondanks om die reden het aangaan van de overeenkomsten moest ontmoedigen.

4.8.

De rechtbank volgt [gedaagde] evenmin in haar standpunt dat Rabohypotheekbank c.s. haar zorgplicht heeft geschonden door geen rekening te houden met een bij het BKR geregistreerde schuld van € 4.450. Daargelaten de vraag of het Rabohypotheekbank c.s. kon worden verweten dat zij die schuld niet heeft meegewogen nu deze onder de naam [persoon y] stond geregistreerd, is niet gebleken dat het meenemen van de schuld in de berekeningen tot een andere uitkomst zou hebben geleid. Het had - mede gezien de onderbouwde stelling van Rabohypotheekbank c.s. dat zij de vereiste inkomens- en vermogenschecks heeft uitgevoerd - op de weg van [gedaagde] gelegen om te onderbouwen dat indien die BKR schuld wel in aanmerking was genomen, Rabohypotheekbank c.s. niet tot de conclusie had kunnen komen dat [gedaagde] aan haar financiële verplichtingen kon voldoen.

4.9.

[gedaagde] heeft haar stelling dat Rabohypotheekbank c.s. wist dat [persoon x] in een zeer onstabiele financiële situatie verkeerde evenmin onderbouwd, zodat - wat er ook zij van het effect van dergelijke kennis op de zorgplicht jegens [gedaagde] - ook een daarop gebaseerd verweer niet kan slagen.

4.10.

Hetzelfde geldt ten aanzien van de gestelde geestestoestand van [gedaagde] en een (daaruit voortvloeiende) verplichting voor Rabohypotheekbank c.s om bij haar langs te gaan om te checken of zij wel in staat was de overeenkomst aan te gaan; wat er ook zij van de (kennelijke) stelling dat de kredietverlener in een dergelijk geval een vergaande zorgplicht heeft, is gesteld noch gebleken dat Rabohypotheekbank c.s. op de hoogte was of had moeten zijn van een verminderd begrip bij [gedaagde] .

4.11.

De slotsom is dat van een schending door Rabohypotheekbank c.s. van haar zorgplicht niet is gebleken, zodat het verweer van [gedaagde] faalt.

4.12.

Rabohypotheekbank c.s. vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten, en heeft ter onderbouwing verscheidene sommatiebrieven overgelegd (productie 3 bij dagvaarding).

4.13.

De rechtbank overweegt dat, gezien de executoriale verkoop op 20 april 2011 (zie 2.3 hierboven) en de - niet betwiste - stelling van Rabohypotheekbank c.s. dat het verzuim van [gedaagde] voor 1 juli 2012 is ingetreden, de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn, moet worden getoetst aan de eisen zoals deze zijn geformuleerd in het rapport Voor-werk II. In dat kader oordeelt de rechtbank dat [gedaagde] de stelling van Rabohypotheekbank c.s. dat de gemaakte kosten zijn ontstaan als gevolg van het verzuim van [gedaagde] en dat die kosten niet zijn te beschouwen als kosten ter voorbereiding van een procedure, onvoldoende heeft betwist. Het had op de weg van [gedaagde] gelegen om de - met stukken onderbouwde - vordering buitengerechtelijke incassokosten, alsmede de gevorderde rente, gemotiveerd te betwisten; de enkele uitlating “[ [gedaagde] ] bestrijdt naast de hoofdsom de incasso-kosten en de rente” is dan onvoldoende.

4.14.

De rechtbank stelt vast dat het tarief aan buitengerechtelijke incassokosten op basis van bovengenoemd rapport meer bedraagt dan de gevorderde € 1.815,00 (inclusief BTW), zodat dat laatste bedrag zal worden toegekend.

4.15.

De conclusie is dat de vorderingen van Rabohypotheekbank c.s. moeten worden toegewezen, zij het dat de rechtbank, met [gedaagde] , opmerkt dat een optelling van € 94.737,08 aan hoofdsom, € 23.792,16 aan meegevorderde rente en € 1.815,00 aan buitengerechtelijke incassokosten niet leidt tot het gevorderde bedrag van € 120.346,21; maar tot een bedrag van € 120.344,24, zodat dat laatstgenoemde bedrag zal worden toegewezen.

4.16.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Rabohypotheekbank c.s. worden begroot op:

- dagvaarding € 96,16

- griffierecht 3.903,00

- salaris advocaat 2.842,00 (2 punt × tarief € 1.421,00)

Totaal € 6.841,16

in reconventie

4.17.

[gedaagde] grondt haar vordering in reconventie op dwaling. Zij stelt dat Rabohypotheekbank c.s. tekort is geschoten in haar mededelingsplicht en dat zij, [gedaagde] , bij een juiste voorstelling van zaken de overeenkomsten niet zou zijn aangegaan. [gedaagde] is niet ingelicht over de inhoud en de strekking van de overeenkomsten, de bank heeft haar nooit uitgenodigd voor een gesprek om haar mondeling de risico’s uit te leggen, en [gedaagde] heeft geen brochures en dergelijke ontvangen die haar konden wijzen op de risico’s van het aangaan van de overeenkomsten. De grote mate van ondeskundigheid bij [gedaagde] maakt dat Rabohypotheekbank c.s. niet mocht verwachten dat zij op de hoogte was van de gevolgen die het zetten van haar handtekening met zich meebracht, aldus [gedaagde] .

4.18.

Rabohypotheekbank c.s. betwist dat de overeenkomsten tot stand zijn gekomen onder invloed van dwaling. Zij voert aan - kort samengevat - dat [gedaagde] wel degelijk uitgebreid is geïnformeerd over de (financiële) gevolgen van het aangaan van de overeenkomsten, zowel door Rabohypotheekbank c.s. als door de tussenpersoon Vazt Financiële Innovaties. Rabohypotheekbank c.s. heeft in de overeenkomsten en de offerte alle relevantie informatie opgenomen. Bij de offerte is tevens een lastenoverzicht gevoegd, aan de hand waarvan [gedaagde] eenvoudig kon zien met welke maandlasten zij geconfronteerd zou worden.

4.19.

De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 6:228 BW is een overeenkomst die tot stand is gekomen onder invloed van dwaling en bij een juiste voorstelling van zaken niet zou zijn gesloten vernietigbaar (onder andere) indien de wederpartij zijn mededelingsplicht heeft geschonden. Voor de vraag welke feiten medegedeeld moeten worden moet worden gekeken naar de maatschappelijke opvattingen daarover, terwijl geen mededelingsplicht bestaat ten aanzien van feiten waarvan de wederpartij er redelijkerwijs van uit mocht gaan dat deze bij de dwalende bekend waren bij het aangaan van de overeenkomst.

4.20.

Die uitgangspunten in aanmerking nemend slaagt het beroep op dwaling niet. Zoals hierboven (4.5) overwogen rustte op Rabohypotheekbank c.s. een zorgplicht. Deze reikte echter, mede gezien de - door [gedaagde] niet betwiste - betrokkenheid van een tussenpersoon, niet zover dat van Rabohypotheekbank c.s. gevergd kon worden dat zij [gedaagde] uitnodigde voor een persoonlijk gesprek om de risico’s te bespreken. De inhoud en de strekking van de overeenkomsten, alsmede de daarmee samenhangende risico’s, zijn opgenomen in de offerte en de overeenkomsten. Uit het feit dat deze (mede) door [gedaagde] zijn ondertekend mocht Rabohypotheekbank c.s. afleiden dat de informatie [gedaagde] bekend was. De stelling van [gedaagde] dat Rabohypotheekbank c.s. vanwege de grote mate van ondeskundigheid van [gedaagde] niet mocht verwachten dat zij op de hoogte was van de gevolgen die het zetten van haar handtekening met zich bracht, moet reeds worden verworpen omdat gesteld noch gebleken is dat Rabohypotheekbank c.s. van de gestelde ondeskundigheid op de hoogte was.

4.21.

De conclusie is dat de vordering van [gedaagde] moet worden afgewezen.

4.22.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Rabohypotheekbank c.s. worden begroot op:

- salaris advocaat € 452,00 (2 punt × factor 0,5 × tarief € 452)

Totaal € 452,00

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

veroordeelt [gedaagde] om aan Rabohypotheekbank c.s. te betalen een bedrag van € 120.344,24 (éénhonderdtwintigduizend driehonderdvierenveertig euro en vierentwintig eurocent), vermeerderd met de contractuele rente van 5% per jaar over het bedrag van € 94.737,08 met ingang van 21 november 2015 tot de dag van volledige betaling,

5.2.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van Rabohypotheekbank c.s. tot op heden begroot op € 6.841,16,

5.3.

verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

5.5.

wijst de vorderingen af,

5.6.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van Rabohypotheekbank c.s. tot op heden begroot op € 452,00,

5.7.

verklaart dit vonnis in reconventie voor wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Volker en in het openbaar uitgesproken op 12 juli 2017.