Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:5627

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
21-07-2017
Datum publicatie
21-07-2017
Zaaknummer
ROT 15/8210
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vergunningen op grond van de Algemene plaatselijke verordening Dordrecht, de Drank- en Horecawet en de Wet op de kansspelen ten behoeve van een horecagelegenheid terecht geweigerd. Aanvrager/exploitant is in enig opzicht van slecht levensgedrag, omdat hij kennis had of redelijkerwijs had kunnen hebben van de aangetroffen hennepkwekerij.

Wetsverwijzingen
Drank- en Horecawet 27
Drank- en Horecawet 8
Wet op de kansspelen 30e
Wet op de kansspelen 30d
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Zittingsplaats Dordrecht

Team Bestuursrecht 1

zaaknummer: ROT 15/8210

uitspraak van de meervoudige kamer van 21 juli 2017 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser,

en

de burgemeester van de gemeente Dordrecht, verweerder,

gemachtigde: mr. J. Hoeijenbos.

Procesverloop

Bij besluit van 5 augustus 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser de door hem gevraagde vergunningen op grond van de Algemene plaatselijke verordening Dordrecht (APV), de Drank- en Horecawet (DHW) en de Wet op de kansspelen (Wok) ten behoeve van de horecagelegenheid “ [naam] ” aan de [adres] (de horecagelegenheid) geweigerd.

Bij besluit van 9 december 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder eisers bezwaar tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 juni 2017. Eiser is verschenen, vergezeld van [leidinggevende] ( [leidinggevende] ). Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Op 18 maart 2015 heeft eiser ten behoeve van het uitbaten van de horecagelegenheid een exploitatievergunning op grond van de APV, een drank- en horecavergunning op grond van de DHW en een vergunning voor het aanwezig hebben van speelautomaten (aanwezigheidsvergunning) op grond van de Wok aangevraagd. Eiser huurt het pand aan de [adres] (het pand) van [leidinggevende] en stelt de eerste etage te hebben onderverhuurd aan [onderhuurder] . Op 11 juni 2015 heeft de politie een inval gedaan in het pand. Op de eerste etage van het pand zijn een in werking zijnde hennepkwekerij en bijbehorende goederen aangetroffen. De politie heeft in verband met het aantreffen van de hennepkwekerij een bestuurlijke rapportage van 26 juni 2015 opgesteld en aan de gemeente Dordrecht overgelegd. Daarbij heeft de politie het proces-verbaal van bevindingen van 25 juni 2015 met een schets van de aangetroffen situatie gevoegd. Nadien heeft verweerder van het Regionaal Informatie en Expertise Centrum Rotterdam (RIEC) een advies van 28 juli 2015 ontvangen, waarin wordt geadviseerd om eisers aanvragen te weigeren op basis van slecht levensgedrag. Naar aanleiding hiervan heeft verweerder eiser bij het primaire besluit de gevraagde vergunningen geweigerd op de grond dat eiser en [leidinggevende] in enig opzicht van slecht levensgedrag zijn. Op 12 oktober 2015 heeft het RIEC een aanvulling gegeven op het advies van 28 juli 2015.

2. Onder overneming van het advies van de bezwaarschriftencommissie heeft verweerder bij het bestreden besluit het primaire besluit gehandhaafd. Verweerder heeft zijn standpunt dat zowel eiser als [leidinggevende] in enig opzicht van slecht levensgedrag zijn gebaseerd op de bestuurlijke rapportage van de politie en de adviezen van het RIEC. Hieruit is verweerder gebleken dat een hennepkwekerij van 230 planten is aangetroffen in het pand, verdeeld over drie ruimten gelegen boven de horecagelegenheid. Verweerder stelt dat tevens is gebleken dat de hennepkwekerij slechts bereikbaar was via de in de horecagelegenheid aanwezige trap en niet vanuit de bovenwoning. Voorts is verweerder gebleken dat de illegale aansluiting op het stroomnet ten behoeve van de hennepkwekerij, zat in de meterkast van de horecagelegenheid. Verweerder meent dat eiser, als (onder)huurder van het pand en (onder)verhuurder van een deel van het pand en exploitant en leidinggevende van de horecagelegenheid, en [leidinggevende] , als (onder)verhuurder van het pand en leidinggevende in het horecabedrijf, vanuit hun verantwoordelijkheid in genoemde hoedanigheden kennis van de hennepkwekerij hebben gehad of redelijkerwijs konden hebben en zij daarom in enig opzicht van slecht levensgedrag zijn, zodat de aangevraagde vergunningen moesten worden geweigerd.

3. Eiser voert aan dat hem geen enkel verwijt kan worden gemaakt van de aangetroffen hennepkwekerij en dat daarom ook niet kan worden geoordeeld dat hij van slecht levensgedrag is. Zowel eiser als [leidinggevende] ontkennen bemoeienis te hebben gehad met de hennepkwekerij en stellen dat zij redelijkerwijs ook niets hadden kunnen vermoeden. Eiser meent dat het feit dat hij in het kader van het strafrechtelijk onderzoek als verdachte is gehoord in dit verband niet redengevend kan worden geacht. Eiser heeft, onder overlegging van stukken, erop gewezen dat op 15 januari 2016 is besloten de strafzaak ter zake van diefstal van elektriciteit te seponeren wegens gebrek aan bewijs. Eiser betwist voorts de juistheid van de door de politie gemaakte tekening en de door de politie in het proces-verbaal neergelegde bevindingen, in het bijzonder wat betreft de aanwezigheid van een doorgang vanuit het horecagedeelte naar het woongedeelte van het pand. Volgens eiser was er dan ook aanleiding om, zoals ook door het RIEC is geadviseerd, nader onderzoek te doen, zodat het bestreden besluit onvoldoende is voorbereid en gemotiveerd. Ter nadere onderbouwing van zijn stelling dat er geen deur zat tussen het horecagedeelte en het woongedeelte heeft eiser verklaringen van [getuige 1] ( [getuige 1] ) en [getuige 2] ( [getuige 2] ) overgelegd. Eiser betwist verder dat de hennepkwekerij uitsluitend via de horecagelegenheid bereikbaar was. Volgens eiser is het duidelijk dat de hennepkwekerij zich in het woongedeelte op de bovenverdieping bevond en dat dit gedeelte een eigen ingang had. Het feit dat de illegale elektriciteitsaansluiting van de kwekerij liep vanuit de meterkast in de horecagelegenheid is volgens eiser niet redengevend, nu de aansluiting onzichtbaar was weggewerkt. De persoon die de verbouwingswerkzaamheden uitvoerde in de nog niet geopende horecagelegenheid was ook de persoon die de huurder van het woongedeelte had voorgedragen, zodat het volgens eiser aannemelijk is dat deze persoon de toegang heeft verschaft om de illegale installatie aan te brengen. Verder meent eiser dat verweerders betoog dat hij als onderverhuurder verantwoordelijk zou zijn voor de gang van zaken in het woongedeelte, miskent dat hij als verhuurder de privacy van zijn huurder moest respecteren. Daar komt bij dat eiser in de periode waarin de hennepkwekerij moet zijn aangelegd in Turkije verbleef. Dat [leidinggevende] als leidinggevende ook verantwoordelijk zou zijn en dat zij kennis moet hebben gehad van de hennepkwekerij, miskent volgens eiser dat zij nog geen werkzaamheden verrichtte, omdat de onderneming nog niet was geopend. Ter onderbouwing van de stelling dat hij niets van doen had met de hennepkwekerij heeft eiser een afschrift van de telefoonrekening van [leidinggevende] overgelegd, waaruit zou blijken dat zij in de maanden mei en juni 2015 veelvuldig heeft gebeld met de gemeente, volgens eiser om aan te dringen op een inspectie van het pand op met name de brandveiligheid. Het is onwaarschijnlijk dat daarop door of namens hem zou zijn aangedrongen indien hij wetenschap zou hebben gehad van de hennepkwekerij, aldus eiser.

4. Op grond van artikel 2:28b, eerste lid, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 2:31a, eerste lid, aanhef en onder b, van de APV weigert verweerder de exploitatievergunning indien de exploitant en leidinggevenden niet voldoen aan de eis dat zij niet in enig opzicht van slecht levensgedrag zijn.

Op grond van artikel 27, eerste lid, aanhef en onder a, in samenhang met artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, van de DHW wordt een drank- en horecavergunning geweigerd indien de leidinggevenden van het horecabedrijf niet voldoen aan de eis dat zij niet in enig opzicht van slecht levensgedrag zijn.

Op grond van artikel 30e, eerste lid, aanhef en onder b, en artikel 30d, vierde lid, van de Wok in samenhang met artikel 4, eerste lid, aanhef en onder b, van het Speelautomatenbesluit 2000, wordt een aanwezigheidsvergunning geweigerd aan degene die in enig opzicht van slecht levensgedrag is.

5. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling; bijvoorbeeld de uitspraken van 10 juli 2013, ECLI:NL:RVS:2013:185, en 2 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3681) volgt dat geen beperkingen gelden ten aanzien van feiten of omstandigheden die bij de beoordeling van het levensgedrag mogen worden betrokken, nu bij of krachtens de DHW geen nadere omschrijving is gegeven van de eis dat leidinggevenden niet in enig opzicht van slecht levensgedrag zijn. Nu ook in de Wok en de APV geen nadere (uitputtende) omschrijving is gegeven van het begrip ‘slecht levensgedrag’ is kennelijk aangesloten bij de uitleg die in het kader van de DHW aan dat begrip is gegeven en is deze rechtspraak eveneens van toepassing op de Wok en de APV. Uit het voorgaande volgt dat niet is vereist dat aan de beoordeling van verweerder een (onherroepelijke) strafrechtelijke veroordeling ten grondslag ligt en tevens dat in een bestuursrechtelijke procedure geen strafrechtelijke bewijsregels gelden. Het enkele feit dat de strafzaak ter zake van diefstal van elektriciteit is geseponeerd, leidt dan ook niet tot het oordeel dat geen sprake is van ‘slecht levensgedrag’.

6.1.

Volgens eveneens vaste rechtspraak van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 26 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4281) mag een bestuursorgaan, in dit geval verweerder, in beginsel uitgaan van de juistheid van een op ambtseed of -belofte opgemaakt proces-verbaal. Dat geldt evenzeer voor de rechter, tenzij tegenbewijs noopt tot afwijking van dit uitgangspunt.

6.2.

In het proces-verbaal van de politie van 25 juni 2015 is onder meer vermeld dat het pand was verdeeld in twee afzonderlijke panden, waartussen geen verbinding was. Beide panden hadden een eigen ingang aan de straatkant. Het pand was verdeeld in de horecagelegenheid en een bovenwoning. Via een trap achterin de horecagelegenheid werd een smalle voorzolder bereikt en in de linker wand werd een lage houten deur aangetroffen die was afgesloten met een schuifslot of schuifgrendel. Deze kon zonder sleutel opengeschoven worden. Achter deze deur bevond zich de hennepplantage. Over de bovenwoning is onder meer vermeld dat achter de voordeur direct een trap naar boven liep en dat daar in een tweede kamer een zogenaamd slakkenhuis stond, dat gebruikt wordt voor het opbouwen en in stand houden van hennepplantages. Aan één zijde in een andere ruimte was een dichte muur. Door hier op te kloppen werd geconstateerd dat deze muur hol klonk. Door de muur met geweld open te breken stuitten de verbalisanten op een grote kamerdeur. Nadat zij deze deur openbraken kwamen zij in het pand van de horecagelegenheid en stuitten zij op de achterkant van de hennepplantage. De verbalisanten concluderen dat de hennepplantage dus alleen bereikbaar was via de horecagelegenheid. De door verweerder bij zijn verweerschrift gevoegde processen-verbaal van de politie van 11 juni 2015 bevestigen de bevindingen zoals deze zijn weergegeven in het proces-verbaal van 25 juni 2015. Uit deze processen-verbaal blijkt tevens dat op 11 juni 2015 is waargenomen dat sprake was van illegale afname van stroom.

6.3.

De rechtbank ziet in wat eiser heeft aangevoerd geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de op ambtseed opgemaakte processen-verbaal en de daarbij door de politie overgelegde schets van de aangetroffen situatie. Hieruit blijkt voldoende duidelijk dat de hennepkwekerij (op de bovenverdieping) uitsluitend via de horecagelegenheid bereikbaar was. Weliswaar had het woongedeelte op de bovenverdieping een eigen ingang, maar zoals uit de bevindingen van de politie blijkt stond dit gedeelte door een aangebrachte scheidingswand niet in verbinding met de hennepkwekerij. Gelet op deze duidelijke bevindingen kan de rechtbank eiser niet volgen in zijn standpunt dat er nader onderzoek had moeten worden ingesteld. Hierbij komt dat door eiser niet wordt betwist dat de illegale elektriciteitsaansluiting van de kwekerij liep vanuit de meterkast in de horecagelegenheid. De door eiser in dit verband gegeven verklaring acht de rechtbank onvoldoende om aannemelijk te achten dat eiser van deze aansluiting niet op de hoogte was of kon zijn. De door eiser ingebrachte getuigenverklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] , waarin wordt verklaard dat er geen doorgang was in de voorraadkamer in de horecagelegenheid naar de woning, leiden niet tot een ander oordeel, reeds omdat deze verklaringen zien op de periode dat deze personen werkten voor [restaurant] , dat tot 1 april 2015 in het pand was gevestigd. De verklaring van [getuige 1] dat hij (nadien) een paar keer heeft geholpen met verbouwingen in de horecagelegenheid en dat alles toen op zijn oude plaats zat, geeft voorts geen aanleiding te twijfelen aan de bevindingen van de politie. De overgelegde telefoonrekening van [leidinggevende] waaruit veelvuldig telefonisch contact met verweerder voorafgaand aan de inval zou blijken, leidt evenmin tot een ander oordeel. De telefoonrekening maakt niet duidelijk met wie is gesproken en wat de inhoud van de gesprekken is geweest. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat eiser als (onder)huurder van het pand en (onder)verhuurder van een deel van het pand en exploitant en leidinggevende van de horecagelegenheid, verantwoordelijk is voor de gang van zaken in het pand. Dat eiser ten tijde van de inval niet in het pand aanwezig is geweest wegens een verblijf in het buitenland, doet aan die verantwoordelijkheid niet af. Het was aan hem om de maatregelen te treffen die nodig waren om die verantwoordelijkheid te dragen (in vergelijkbare zin de uitspraak van de Afdeling van 24 april 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW4493).

7. Verweerder mocht zich naar het oordeel van de rechtbank onder voormelde feiten en omstandigheden op het standpunt stellen dat eiser kennis had of redelijkerwijs had kunnen hebben van de hennepkwekerij op de eerste verdieping van het pand en dat hij om die reden in enig opzicht van slecht levensgedrag is. Verweerder heeft de door eiser gevraagde vergunningen dan ook reeds daarom terecht geweigerd.

8. Uit het voorgaande volgt dat het beroep ongegrond is.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Brugman, voorzitter, en mr. H. Bedee en mr. R.H.L. Dallinga, leden, in aanwezigheid van mr. P.B. Thiemann, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2017.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.