Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:5564

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
14-07-2017
Datum publicatie
20-07-2017
Zaaknummer
10/711081-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Poging woninginbraak in vereniging en overtreding van art. 5 WVW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/711081-16

Datum uitspraak: 14 juli 2017

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] ( [geboorteland verdachte] ) op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

raadsman mr. C.N.G.M. Starmans, advocaat te Utrecht.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 30 juni 2017.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. K. Pieters heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1 en 2 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte voor feit 1 tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden met aftrek van voorarrest;

  • -

    veroordeling van de verdachte voor feit 2 tot een geldboete van 500 euro subsidiair 10 dagen hechtenis en tot een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van vier maanden met aftrek.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Vaststaande feiten

De volgende feiten en omstandigheden kunnen op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen als vaststaand worden aangemerkt. Deze feiten hebben op de terechtzitting niet ter discussie gestaan en kunnen zonder nadere motivering dienen als vertrekpunt voor de beoordeling van de bewijsvraag.

Op 25 juni 2016 is de verdachte, in een door hem gehuurde personenauto, met zijn broer
[naam medeverdachte 1] en een derde persoon, die de verdachte zegt te kennen als ‘ [nickname medeverdachte 2] ’ en door de broer van verdachte is aangeduid als ‘ [naam medeverdachte 2] ’, naar Spijkenisse gereden. Onderweg is door [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] het plan opgevat om in te gaan breken. Eenmaal aangekomen in Spijkenisse zijn [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] naar de woning aan de [adres delict] gegaan. Nadat zij het slot van de achtertuindeur hadden opgebroken, hebben zij via de tuin, door middel van het openbreken van de glazen pui, de serre betreden en daar het slotwerk van de schuifpui verbroken in een poging zichzelf toegang tot de woning te verschaffen. Toen zij betrapt werden door één van de bewoners, zijn zij zonder buit naar de auto gevlucht. Deze auto is vervolgens met hoge snelheid weggereden is achtervolgd door de politie. De bestuurder van de auto heeft zich daarbij dusdanig gedragen, dat gevaar op de weg werd veroorzaakt. Uiteindelijk zijn twee inzittenden van de auto aangehouden, te weten de verdachte en zijn broer, [naam medeverdachte 1] .

Beoordeeld dient te worden of de verdachte een strafbare bijdrage aan de poging woninginbraak heeft geleverd en of de verdachte, nadat is gepoogd om in te breken, de auto waarin hij met zijn medeverdachten zat heeft bestuurd.

4.1.1.

Standpunt verdediging

Aangevoerd is dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 en 2 ten laste gelegde. De verdachte heeft geen wezenlijke bijdrage aan de poging woninginbraak geleverd. Er was geen sprake van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachten, zodat het ten laste gelegde medeplegen niet bewezen kan worden. Verdachte heeft weliswaar de auto bestuurd op de heenweg naar Spijkenisse, maar hij was niet op de hoogte van het plan om in te breken of de afspraken die daartoe door zijn twee medeverdachten zijn gemaakt. De verdachte is slechts enkele seconden in de tuin van de woning aanwezig geweest. Kort nadat hij de tuin was ingelopen, werden de verdachte en zijn medeverdachten al betrapt door één van de bewoners. De verdachte heeft hierdoor niet de tijd en gelegenheid gehad om zich te distantiëren van zijn medeverdachten.

Voorts kan niet bewezen worden dat de verdachte tijdens de vlucht de auto heeft bestuurd. De verdachte ontkent dit. Bovendien past hij niet binnen het signalement dat getuige [naam getuige 1] heeft gegeven van de bestuurder.

4.1.2.

Beoordeling

Feit 1

De verdachte is samen met zijn twee medeverdachten in een door de verdachte gehuurde auto naar Spijkenisse gereden, waarbij de verdachte de bestuurder was van de auto. Hij heeft de auto geparkeerd in de buurt van de [adres delict] . In de woning aan de [adres delict] heeft bewoner [naam slachtoffer] drie personen in de serre zien staan. Hij heeft gezien dat zij bezig waren om de schuifpui open te breken, waarbij één van hen met een soort breekijzer aan het wrikken was. Nadat de verdachte en zijn medeverdachten door [naam slachtoffer] zijn betrapt, zijn zij samen via de tuin weggerend. Getuige [naam getuige 2] heeft gezien dat de verdachte en zijn medeverdachten vanuit een steeg achter de huizen van de [adres delict] aan kwamen rennen, waarbij één van de medeverdachten een breekijzer bij zich had. De verdachte en zijn medeverdachten zijn vervolgens alle drie in de auto gestapt en met hoge snelheid weggereden. De politie zag, na een wilde achtervolging, de verdachte en zijn medeverdachten bij de auto wegrennen, waarna de verdachte en zijn medeverdachte [naam medeverdachte 1] zijn aangehouden. Bij fouillering van de verdachte zijn in de zak van zijn bodywarmer de autosleutel en twee donkerkleurige handschoenen aangetroffen.

Deze bewijsmiddelen maken dat naar de uiterlijke verschijningsvorm sprake was van een zodanige nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en zijn medeverdachten, dat dit als het medeplegen van een poging tot inbraak dient te worden gekwalificeerd. Immers stond de verdachte ten tijde van de poging tot inbraak samen met zijn medeverdachten in de serre van de woning terwijl één van zijn mededaders bewapend met een koevoet bezig was om in te breken. Kort daarvoor waren ook de sloten van de schuttingdeur en de glazen pui al door hen verbroken. De verdachte heeft zich op geen enkel moment van het gebeuren gedistantieerd.

De rechtbank acht de verklaring van de verdachte dat hij niet op de hoogte was van het plan om in te breken en dat hij slechts enkele seconden vóór hij en zijn medeverdachten door [naam slachtoffer] werden betrapt in de tuin was aangekomen onaannemelijk. Daarbij is van belang dat de verdachte steeds wisselende verklaringen heeft afgelegd over de reden waarom hij en zijn broer met een onbekende man, die door de broer van de verdachte in eerste instantie ‘ [naam medeverdachte 2] ’ werd genoemd en door de verdachte ‘ [naam medeverdachte 2] ’, naar Spijkenisse zijn gegaan. Ook heeft hij wisselend verklaard over de gang van zaken nadat hij de auto in Spijkenisse had geparkeerd en heeft hij geen aannemelijke verklaring waarom hij in juni met donkerkleurige handschoenen op zak loopt, althans komt zijn verhaal dat hij voor zijn vertrek naar Spijkenisse in een tuin zou hebben gewerkt weer niet overeen met zijn verhaal dat ze voor vertrek naar Spijkenisse met [naam medeverdachte 2] in de coffeeshop hebben gezeten. De verklaringen van de verdachte vinden in ieder geval geen steun in de overige bewijsmiddelen in het dossier en gelet hierop acht de rechtbank deze niet aannemelijk geworden, zodat hieraan voorbij wordt gegaan.

De rechtbank is van oordeel dat uit voornoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat de verdachte zich met anderen schuldig heeft gemaakt aan het hem onder 1 ten laste gelegde feit.

Feit 2

De verdachte was de huurder van de auto waarin hij met zijn medeverdachten is gevlucht, heeft de auto bestuurd op de heenweg naar Spijkenisse en de sleutel van de auto is na zijn aanhouding bij hem aangetroffen. Daarbij komt dat getuige [naam getuige 1] heeft gezien dat de man achter het stuur een witte blouse of shirt aan had. Na de achtervolging hebben verbalisanten [naam verbalisant 1] en [naam verbalisant 2] gezien dat er drie mannen uit het voertuig wegrenden. Eén van die personen had een witte polo aan. Deze man bleek later de verdachte te zijn.

De verklaring van de verdachte dat hij tijdens de vlucht niet de bestuurder van de auto was, maar dat [naam medeverdachte 2] heeft gereden, acht de rechtbank niet geloofwaardig. Het ligt niet voor de hand dat de verdachte in de panieksituatie van het wegvluchten, zoals hij zelf stelt, de autosleutels aan een ander zou geven om weg te rijden en dat hij die sleutel, bij het verlaten van de auto uit vlucht voor de achtervolgende politie, weer netjes terug zou hebben gekregen. Bovendien vindt deze verklaring geen steun in de bewijsmiddelen.

De rechtbank is van oordeel dat uit voornoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat de verdachte de bestuurder was van de auto waarin hij met zijn medeverdachten is gevlucht en dat hij zich derhalve schuldig heeft gemaakt aan het hem onder 2 ten laste gelegde feit. Dat de lengte van de verdachte niet overeenkomt met de door de getuige [naam getuige 1] opgegeven lengte van de bestuurder, maakt dit niet anders, nu [naam getuige 1] deze waarneming heeft gedaan terwijl de verdachte en zijn medeverdachten over straat renden en bovendien is gebleken dat alle drie de verdachten een lengte hadden van tussen de 170-180 cm, zodat het verschil in lengte tussen de verdachten minimaal is geweest. Dit legt tegenover de overige bewijsmiddelen daarom onvoldoende gewicht in de schaal.

4.1.3.

Conclusie

Bewezen is het onder 1 en 2 ten laste gelegde.

4.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij op of omstreeks 25 juni 2016 te Spijkenisse, gemeente Nissewaard, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning aan de [adres delict] weg te nemen goederen van hun gading, geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededadersen zich daarbij de toegang tot de plaats van het misdrijf te

verschaffen en/of die/dat weg te nemen goederen van zijn/hun gading onder zijn/hun bereik te brengen door middel van braak en/of verbreking, de tuin van die woning heeft betreden en/of een slot heeft geforceerd en/of een glazen deur uit een rails heeft getild en/of een schuifpui heeft geforceerd en/of (de serre van) die woning heeft betreden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 25 juni 2016 te Spijkenisse, gemeente Nissewaard, althans in Nederland als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de Aaldijk en/of de Hekelingseweg en/of De Gaard, althans een weg,

-met een snelheid van ongeveer 113 kilometer per uur, althans met een snelheid aanzienlijk hoger dan 60 kilometer per uur heeft gereden en/of een voertuig heeft ingehaald, terwijl de maximaal toegestane snelheid ter plaatse 60 kilometer per uur was en/of

-een doorgetrokken streep heeft overschreden en/of

-geen gebruik heeft gemaakt van richtingaanwijzers bij het rijden over een rotonde en/of

-een rood verkeerslicht heeft genegeerd

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

Feit 1.

Poging tot diefstal gepleegd door twee of meer verenigde personen, terwijl de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Feit 2.

Overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straffen die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft samen met twee anderen gepoogd in te breken in een woning in Spijkenisse. Doordat de verdachte en zijn mededaders door één van de bewoners van de woning op heterdaad zijn betrapt, is het bij een poging gebleven. Dergelijke strafbare feiten veroorzaken veel overlast en schade en maken daarbij bovendien een ernstige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de gedupeerden, wat gevoelens van onveiligheid bij hen veroorzaakt. De verdachte heeft met het plegen van dit feit er blijk van gegeven weinig respect te hebben voor het eigendomsrecht van een ander.

Tijdens de vlucht voor de politie heeft de verdachte zich als bestuurder van een personenauto schuldig gemaakt aan gevaarlijk rijgedrag. Hij heeft met hoge snelheid gereden op plaatsen waar dat gevaarlijk kan zijn voor medeweggebruikers. Hij heeft een rood verkeerslicht genegeerd, geen gebruik gemaakt van richtingsaanwijzers en een doorgetrokken streep overschreden. De verdachte heeft zich als verkeersdeelnemer gevaarlijk en volstrekt onverantwoordelijk gedragen. Dat er geen (ernstige) ongelukken zijn veroorzaakt of slachtoffers zijn gevallen is geenszins te danken aan de verdachte.

7.2.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.2.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 12 juni 2017, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

7.2.2.

Rapportage

Reclassering Nederland heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 6 september 2016. Op basis van het verhaal van de verdachte constateert de reclassering dat de verdachte zijn leven in praktisch opzicht redelijk op orde heeft. Gezien de stellige ontkenning van de verdachte kan de reclassering geen verband leggen tussen zijn persoonlijke omstandigheden en het feit waarvan hij wordt verdacht. Om diezelfde reden kan de reclassering geen risico’s inschatten. De verdachte is niet gemotiveerd voor hulp of steun. De reclassering ziet geen aanknopingspunten voor een toezicht, omdat dit geen toegevoegde waarde zal hebben.

De rechtbank heeft acht geslagen op dit rapport.

7.3.

Conclusie

Gezien de ernst van het feit kan in beginsel niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. De rechtbank zal, rekening houdend met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, echter afzien van het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. In plaats daarvan wordt een taakstraf opgelegd en een voorwaardelijke gevangenisstraf. Dit voorwaardelijk strafdeel dient er toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.

De rechtbank zal voor feit 2 (overtreding) een geldboete opleggen, alsmede een (deels voorwaardelijke) ontzegging van de rijbevoegdheid.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden aanleiding bestaat om bij de straftoemeting af te wijken van hetgeen door de officier van justitie is gevorderd en acht de hierna te noemen straffen, waaronder de hieronder besproken verbeurdverklaring, passend en geboden.

8 In beslag genomen voorwerpen

8.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de in beslag genomen handschoenen verbeurd te verklaren.

8.2.

Standpunt verdediging

Aangevoerd is dat de inbeslaggenomen handschoenen aan de verdachte teruggegeven dienen te worden, nu de verdachte heeft verklaard dat hij ze bij zich had omdat hij in de tuin had gewerkt. Uit het dossier blijkt niet anders.

8.3.

Beoordeling

In het dossier bevindt zich een beslaglijst waaruit volgt dat er onder de verdachte een grijze handschoen (van het merk Honeywell, met goednummer [nummer 1] ) en een zwarte handschoen (merk onbekend, met goednummer [nummer 2] ) in beslag zijn genomen.

De in beslag genomen en nog niet teruggegeven handschoenen zullen worden verbeurd verklaard. De voorwerpen behoren aan de verdachte toe. De voorwerpen zijn tot het begaan van het onder 1 bewezen misdrijf bestemd.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 33, 33a, 45, 62 en 311 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5, 177 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

10 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte ten aanzien van feit 1 tot een taakstraf voor de duur van 180 (honderdtachtig) uren, waarbij de Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering wordt gebracht volgens de maatstaf van twee uren per dag, zodat na deze aftrek 172 (honderdtweeënzeventig) uren te verrichten taakstraf resteert;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 86 (zesentachtig) dagen;

veroordeelt de verdachte ten aanzien van feit 1 tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand;

bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt gesteld op 2 (twee) jaar, na te melden voorwaarde overtreedt;

stelt als algemene voorwaarde:

- de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

veroordeelt de verdachte ten aanzien van feit 2 tot een geldboete van € 500,00 (vijfhonderd euro), bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis;

ontzegt de verdachte ten aanzien van feit 2 de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van 4 (vier) maanden;

bepaalt dat van deze ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen een gedeelte, groot twee maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt gesteld op 2 (twee) jaar, na te melden voorwaarde overtreedt;

stelt als algemene voorwaarde:

- de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

bepaalt dat de duur van de ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen, wordt verminderd met de duur van de invordering en inhouding van het rijbewijs op grond van artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994;

beslist ten aanzien van de voorwerpen, geplaatst op de lijst van inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, als volgt:

- verklaart verbeurd als bijkomende straf voor feit 1 de in beslag genomen handschoenen met goednummers [nummer 1] en [nummer 2] ;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte, die bij eerdere beslissing is geschorst.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M.C. van der Kolk, voorzitter,

en mrs. A. van Luijck en L. Amperse, rechters,

in tegenwoordigheid van J. Spanner, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De voorzitter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 25 juni 2016 te Spijkenisse, gemeente Nissewaard, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning aan de [adres delict] weg te nemen goederen van hun gading, geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededadersen zich daarbij de toegang tot de plaats van het misdrijf te

verschaffen en/of die/dat weg te nemen goederen van zijn/hun gading onder zijn/hun bereik te brengen door middel van braak en/of verbreking, de tuin van die woning heeft betreden en/of een slot heeft geforceerd en/of een glazen deur uit een rails heeft getild en/of een schuifpui heeft geforceerd en/of (de serre van) die woning heeft betreden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 25 juni 2016 te Spijkenisse, gemeente Nissewaard, althans in Nederland als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de Aaldijk en/of de Hekelingseweg en/of De Gaard, althans een weg,

-met een snelheid van ongeveer 113 kilometer per uur, althans met een snelheid aanzienlijk hoger dan 60 kilometer per uur heeft gereden en/of een voertuig heeft ingehaald, terwijl de maximaal toegestane snelheid ter plaatse 60 kilometer per uur was en/of

-een doorgetrokken streep heeft overschreden en/of

-geen gebruik heeft gemaakt van richtingaanwijzers bij het rijden over een rotonde en/of

-een rood verkeerslicht heeft genegeerd

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

art 5 Wegenverkeerswet 1994