Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:5524

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
28-06-2017
Datum publicatie
17-07-2017
Zaaknummer
VI-zaaknummer 99-000158-51 / parketnummer 10/700537-12
Formele relaties
Uitspraak en herziene uitspraak: ECLI:NL:RBROT:2017:5525, Toewijzing
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeelde heeft de voorwaarden bij de VI verwijtbaar niet nageleefd. Het betoog van de raadsman dat de vordering moet worden afgewezen

omdat de einddatum van de termijn van de voorwaardelijke invrijheidstelling reeds is bereikt, wordt verworpen omdat dit standpunt geen steun vindt in de wet.

Gelast dat van het gedeelte van de vrijheidsstraf dat niet ten uitvoer is gelegd, alsnog een gedeelte, groot 120 dagen, moet worden ondergaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank ROtterdam

Team straf 2

VI-zaaknummer: 99-000158-51

Parketnummer: 10/700537-12

Datum uitspraak: 28 juni 2017

Beslissing van de meervoudige kamer voor strafzaken van de rechtbank in de zaak tegen de veroordeelde

[naam veroordeelde] ,

geboren te [geboorteplaats veroordeelde] ( [geboorteland veroordeelde] ) op [geboortedatum veroordeelde] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres veroordeelde] , [woonplaats veroordeelde] ,
gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Rotterdam, locatie De Schie,

raadsman mr. R. Tetteroo, advocaat te Rotterdam, waarnemend namens zijn kantoorgenoot, mr. G.R. Stolk.

Opgelegde straf

Bij onherroepelijk geworden vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank

Rotterdam van 2 mei 2013, is aan de veroordeelde een gevangenisstraf opgelegd voor de duur van vier jaren, met aftrek van voorarrest.

De veroordeelde is bij besluit van 20 mei 2015 op 24 juni 2015 voorwaardelijk in vrijheid gesteld onder de bijzondere voorwaarden zoals vermeld in dat besluit. De proeftijd is ingegaan op 22 september 2015 en bedraagt 487 dagen.

De bijzondere voorwaarden, laatstelijk gewijzigd bij wijzigingsbesluit van 23 december 2016 van het openbaar ministerie, luiden:

1. locatieverbod, inhoudende dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd niet zal bevinden op de navolgende locatie: [naam locatie 1] te Rotterdam.

2. locatiegebod, inhoudende dat de veroordeelde gedurende de proeftijd op door de reclassering vastgestelde dagen en tijdstippen aanwezig zal zijn op de navolgende locatie: [naam locatie 2] te Rotterdam.

3. meldplicht, inhoudende dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal melden bij de Reclassering Nederland locatie Rotterdam, zolang en zo vaak de reclassering dit noodzakelijk acht.

4. verplichting tot verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, inhoudende dat de veroordeelde gedurende de proeftijd indien beschikbaar, zal verblijven in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te weten [naam stichting] , althans in een soortgelijke instelling, en dat de veroordeelde zich zal houden aan het (dag-)programma dat deze instelling in overleg met de reclassering heeft opgesteld, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

Vordering

Op 7 april 2017 heeft het openbaar ministerie een vordering ingediend tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling van de veroordeelde, wegens het niet naleven van voormelde voorwaarden.

Bij de vordering is overgelegd het rapport d.d. 5 april 2017 van Reclassering Nederland (hierna: de reclassering). Blijkens dit rapport is de einddatum van de termijn van de voorwaardelijke invrijheidstelling 21 mei 2017.

Onderzoek van de zaak

Het onderzoek van de zaak heeft plaatsgevonden op de openbare terechtzitting van 28 juni 2017.

De officier van justitie mr. T.M. Rethmeier en de veroordeelde, bijgestaan door de raadsman zijn gehoord.

Voorts is de deskundige [naam deskundige] , als reclasseringswerker verbonden aan de reclassering, gehoord.

De officier van justitie heeft gepersisteerd bij de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling voor de periode van 120 dagen.

De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden afgewezen omdat de einddatum van de termijn van de voorwaardelijke invrijheidstelling reeds op 21 mei 2017 is verstreken. Subsidiair heeft de raadsman verzocht de termijn van de herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling te bekorten.

Beoordeling

Op grond van het rapport van de reclassering en het verhandelde ter zitting blijkt het volgende.

De veroordeelde heeft eerder de hiervoor onder “1” vermelde bijzondere voorwaarde gedurende de maanden december 2016 en januari 2017 verwijtbaar niet nageleefd. Naar aanleiding hiervan heeft het Openbaar Ministerie begin dit jaar een vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling ingediend, welke vordering door de rechtbank bij beslissing van 13 februari 2017 is afgewezen. De rechtbank was van oordeel dat - gelet op het feit dat de trajecten van hulpverlening bij Bavo Europoort en Palier eindelijk waren opgestart - de veroordeelde nog een laatste kans moest worden gegeven om zich alsnog te houden aan de bijzondere voorwaarden.

In genoemd rapport van de reclassering van 5 april 2017 staat onder andere het volgende vermeld. Er zijn (wederom) een aantal overtredingen door de veroordeelde van het locatiegebod geconstateerd:

De nacht van 24 op 25 februari 2017 is de veroordeelde niet thuis geweest.

De nacht van 24 op 25 maart was de veroordeelde om 02:30 uur thuis.

De nacht van 27 op 28 maart was de veroordeelde om 01:30 uur thuis.

De nacht van 30 op 31 maart is de veroordeelde niet thuis geweest, hij was in het centrum van Den Haag.

De nacht van 4 op 5 april is de enkelband van de veroordeelde om 04:37 uur uitgevallen omdat hij de batterij niet had opgeladen. Hij was niet bereikbaar voor de achterwacht van de reclassering. Op het moment dat de enkelband uitviel was hij al de hele nacht niet thuis. Dit wordt gezien als een ernstige overtreding omdat de reclassering niet meer kan zien of iemand een verboden gebied ingaat. De reclassering ziet het 's nachts niet thuis zijn als risico verhogend voor het plegen van een nieuw delict.

Gedurende het toezicht is meerdere keren gebleken dat de veroordeelde dan fors alcohol drinkt en hiermee in de problemen kan komen. Bovendien is de veroordeelde eigenlijk standaard niet bereikbaar voor de reclassering en de meldkamer elektronisch toezicht, waardoor het gissen is wat er aan de hand is. Voorts komt de veroordeelde zijn afspraken in het kader van de meldplicht meestal goed na, maar is hij in de gesprekken kort van stof en geeft hij weinig openheid van zaken.

De reclassering is van mening dat de veroordeelde onvoldoende heeft meegewerkt aan de voorwaarden.

De getuige-deskundige heeft op de terechtzitting het rapport van de reclassering toegelicht en daarbij het volgende verklaard:

De veroordeelde woont in een begeleide woonvorm van Bavo. Van de begeleiding is vernomen dat hij er vaak niet is en dat zijn kamer bijna leeg is. Ook bij hen heeft hij zijn frustraties over de enkelband geuit en aangegeven zich niet te willen inzetten voor een traject zolang hij geen duidelijkheid krijgt over de datum dat de enkelband eraf zal gaan. Voorts weigert de veroordeelde openheid te geven tijdens zijn contacten met de reclassering. De reclassering heeft lange tijd geprobeerd om de veroordeelde te motiveren om mee te werken. In voortzetting van het reclasseringstoezicht ziet de reclassering geen heil.

De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat de veroordeelde de voormelde voorwaarden verwijtbaar niet heeft nageleefd. Het betoog van de raadsman dat de vordering moet worden afgewezen omdat de einddatum van de termijn van de voorwaardelijke invrijheidstelling reeds is bereikt, wordt verworpen omdat dit standpunt geen steun vindt in de wet. Voor matiging van de termijn ziet de rechtbank in de gegeven omstandigheden geen aanleiding.

Daarom zal de rechtbank de vordering van de officier van justitie tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling toewijzen en gelasten.

Beslissing
De rechtbank:

wijst toe de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling;

gelast dat van het gedeelte van de vrijheidsstraf dat niet ten uitvoer is gelegd, alsnog een gedeelte, groot 120 dagen, moet worden ondergaan.

Deze beslissing is genomen door mr. M.A. van der Laan-Kuijt, voorzitter,

en mrs. J. de Lange en D. Visser, rechters,

in tegenwoordigheid van S. Wongsokerto, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 28 juni 2017.