Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:5519

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
17-07-2017
Datum publicatie
19-07-2017
Zaaknummer
AWB - 15 _ 5066
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank ziet in de gehandhaafde stelling van verweerder dat de brief van [datum] geen besluit is geen reden om terug te komen van haar tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij haar conclusie in de tussenuitspraak dat het beroep gegrond is en dat het bestreden besluit moet worden vernietigd wegens strijd met artikel 1:3 van de Awb. Verweerder zal dan ook opnieuw moeten beslissen op eisers bezwaar tegen het primaire besluit. Ten aanzien van het verzoek om schadevergoeding volgt de rechtbank de uitspraak van de Afdeling van 1 februari 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:246). Ten tijde van de tussenuitspraak was de redelijke termijn van twee jaar nog niet verstreken. Inmiddels is dat wel het geval. De rechtbank doet echter binnen een redelijke termijn na de tussenuitspraak deze einduitspraak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank ROTTERDAM

Team Bestuursrecht 2

zaaknummer: ROT 15/5066

uitspraak van de meervoudige kamer van 11 juli 2017 in de zaak tussen

[eiser] eiser,

gemachtigde: mr. D. Schaap,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, gemachtigde: mr. R.A.B. van Steijn.

Procesverloop

Voor een weergave van het procesverloop tot 15 maart 2017 verwijst de rechtbank naar haar tussenuitspraak van die datum.

Bij brief van 31 maart 2017 heeft verweerder gereageerd op de tussenuitspraak en zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een gebrek in de besluitvorming.

Bij brief van 17 mei 2017 heeft eiser gereageerd en verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Bij brief van 13 juni 2017 heeft verweerder gereageerd op het verzoek om schadevergoeding.

Partijen hebben de rechtbank desgevraagd telefonisch toestemming verleend zonder nadere zitting uitspraak te doen, waarna de rechtbank het onderzoek op 29 juni 2017 heeft gesloten.

Overwegingen

1. In haar tussenuitspraak van 15 maart 2017 heeft de rechtbank geoordeeld dat de brief van 3 maart 2015 van verweerder, in elk geval voor zover hierin besloten ligt dat verweerder geen grond ziet geheel of gedeeltelijk af te zien van legesheffing, moet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), zodat verweerder het bezwaar tegen dat besluit (het primaire besluit) bij besluit van 2 juli 2015 (het bestreden besluit) ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. De rechtbank heeft verweerder de mogelijkheid gegeven dit gebrek te herstellen door alsnog inhoudelijk te beslissen op het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit.

2. In zijn brief van 31 maart 2017 betoogt verweerder dat de tussenuitspraak onjuist is en dat zijn brief van 3 maart 2015 geen besluit is.

De rechtbank ziet hierin geen reden terug te komen van haar tussenuitspraak. Verweerder heeft in het bestreden besluit, in zijn verweerschrift van 9 oktober 2015, in zijn reactie van 13 juli 2016 op het verzetschrift, tijdens de verzetszitting van 18 juli 2016, tijdens de zitting van 8 december 2016 van de enkelvoudige kamer en tijdens de zitting van 16 februari 2017 van de meervoudige kamer de gelegenheid gehad zijn standpunt dat zijn brief van 3 maart 2015 geen besluit is met argumenten te onderbouwen. Dat verweerder niet is verschenen op de zittingen van 18 juli 2016 en 8 december 2016, doet daar niet aan af. Ter zitting van 16 februari 2017 is voornamelijk gesproken over inhoudelijke aspecten, maar ook daar had verweerder zijn standpunt desgewenst nogmaals kunnen toelichten. Gedurende de procedure heeft verweerder dan ook ruimschoots voldoende gelegenheid gehad zijn standpunt over het karakter van de brief van 3 maart 2015 kenbaar te maken. Met haar tussenuitspraak heeft de rechtbank de discussie hierover tussen partijen wat betreft de beroepsfase beslecht en verweerder in de gelegenheid gesteld alsnog inhoudelijk op het bezwaar van eiser beslissen. Dat verweerder in zijn brief van 31 maart 2015 met tal van (grotendeels nieuwe) argumenten wederom betoogt dat zijn brief van 3 maart 2015 geen besluit is, acht de rechtbank in strijd met de goede procesorde en valt bovendien buiten de omvang van het geding in beroep na de tussenuitspraak. Voor zover hierover anders moet worden geoordeeld omdat verweerders betoog betrekking heeft op een kwestie van openbare orde, leidt dat niet tot een andere conclusie. In de argumentatie van verweerder ziet de rechtbank geen zeer bijzondere omstandigheden die maken dat zij moet terugkomen van haar tussenuitspraak.

De rechtbank blijft dan ook bij haar conclusie in de tussenuitspraak dat het beroep gegrond is en dat het bestreden besluit moet worden vernietigd wegens strijd met artikel 1:3 van de Awb. Verweerder zal dan ook opnieuw moeten beslissen op eisers bezwaar tegen het primaire besluit.

3. Vervolgens staat het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn ter beoordeling.

3.1.

Volgens vaste rechtspraak, bijvoorbeeld de uitspraak van 29 januari 2014 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling; ECLI:NL:RVS:2014:188), wordt deze termijn in beginsel geschonden als de bezwaar- en beroepsfase samen langer dan twee jaar duren. Dat is hier het geval.

De rechtbank volgt eiser in zijn standpunt dat de omstandigheid dat hij een verzetsprocedure heeft gevoerd niet betekent dat een langere termijn dan twee jaar geldt. Deze verlenging van de duur van de procedure is de verantwoordelijkheid van de rechtbank.

3.2.

Uit de uitspraak van 1 februari 2017 van de Afdeling (ECLI:NL:RVS:2017:246) leidt de rechtbank af dat, als de rechtbank voor het einde van de redelijke termijn een tussenuitspraak doet en de redelijke termijn vervolgens wordt overschreden, deze overschrijding aan het bestuursorgaan moet worden toegerekend, mits de rechtbank na toepassing van de bestuurlijke lus met voldoende voortvarendheid een einduitspraak doet. Deze situatie doet zich hier voor. De redelijke termijn van twee jaar is op 14 april 2015 gaan lopen met de indiening van eisers bezwaarschrift tegen het primaire besluit. Ten tijde van de tussenuitspraak van 15 maart 2017 was deze termijn nog niet overschreden. Inmiddels is dat wel het geval en de rechtbank doet binnen een redelijke termijn na de tussenuitspraak deze einduitspraak.

Verweerder wijst er terecht op dat hij met voortvarendheid op het bezwaar heeft beslist en dat het de lange duur van de procedure in beroep en verzet is die maakt dat de redelijke termijn is overschreden. Hoe begrijpelijk het ook is dat verweerder meent dat hij onder deze omstandigheden niet is gehouden schadevergoeding te betalen, de rechtbank volgt verweerder hierin gelet op het voorgaande niet. Mede uit een oogpunt van eenduidigheid en praktische uitvoerbaarheid volgt de rechtbank de uitspraak van 1 februari 2017 van de Afdeling ongeacht de duur van de bezwaar- en beroepsprocedure in het concrete geval.

3.3.

In haar uitspraak van 1 februari 2017 heeft de Afdeling de vaste rechtspraak herhaald dat bij overschrijding van de redelijke termijn moet worden voorondersteld dat sprake is van spanning en frustratie bij de rechtszoekende die grond vormt voor vergoeding van immateriële schade.

De rechtbank acht voor discussie vatbaar of de duur van de onderhavige procedure, die betrekking heeft op de hoogte van reeds betaalde leges in een situatie waarin de onderliggende aanvraag reeds is ingewilligd, tot spanning en frustratie kan leiden. Nu verweerder hierover geen opmerkingen heeft gemaakt en uit een oogpunt van praktische uitvoerbaarheid zal de rechtbank (ook) in deze zaak van de door de Afdeling bedoelde vooronderstelling uitgaan.

3.4.

Gelet op het voorgaande wijst de rechtbank het verzoek om schadevergoeding toe en kent zij eiser een schadevergoeding van € 500,- toe ten laste van de Staat (te betalen door verweerder), de gebruikelijke vergoeding als de redelijke termijn met minder dan een half jaar is overschreden.

4. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder het door eiser betaalde griffierecht aan hem vergoeden.

5. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.980,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 0,5 punt voor het indienen van het verzetschrift, 0,5 punt voor het verschijnen ter verzetszitting, 1 punt voor het verschijnen ter zitting van 8 december 2015, 0,5 punt voor het verschijnen ter nadere zitting van 16 februari 2017 en 0,5 punt voor de schriftelijke zienswijze van 17 mei 2017 na de bestuurlijke lus, met een waarde per punt van € 495,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op, met inachtneming van deze uitspraak opnieuw te beslissen op het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit;

- wijst het verzoek om schadevergoeding toe en kent eiser een schadevergoeding toe van € 500,- ten laste van de Staat (te betalen door verweerder);

- bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 167,- aan hem vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.980,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Velzen, voorzitter, mr. F. Wegman en mr. A. van Luijck, leden, in aanwezigheid van M.G. den Ambtman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 juli 2017.

De griffier is verhinderd voorzitter

deze uitspraak te ondertekenen.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak en de tussenuitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.