Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:5507

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
19-07-2017
Datum publicatie
20-07-2017
Zaaknummer
ROT 16/5332
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Sluiting café in verband met een geweldsincident. Onvoldoende belang bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep. Beroep niet-ontvankelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Horeca 2017/2923
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Zittingsplaats Dordrecht

Team Bestuursrecht 1

zaaknummer: ROT 16/5332

uitspraak van de meervoudige kamer van 19 juli 2017 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser,

gemachtigde: mr. J.P. Vandervoodt,

en

de burgemeester van de gemeente Dordrecht, verweerder,

gemachtigde: mr. C.W.M. Berendsen.

Procesverloop

Bij besluit van 15 april 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder “ [café] ” (het café) gesloten voor zes weken met ingang van - in eerste instantie - 29 april 2016.

Bij besluit van 1 augustus 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder eisers bezwaar tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 juni 2017. De zaak is gevoegd behandeld met eisers beroep dat is geregistreerd onder zaaknummer ROT 16/5330. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. K. Kuster, kantoorgenoot van zijn gemachtigde, en vergezeld van [leidinggevende] ( [leidinggevende] ). Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de rechtbank de zaken gesplitst voor het doen van uitspraak.

Overwegingen

1. Eiser is op 1 februari 2013 gestart als exploitant van het café, dat is gevestigd aan het [adres] . Bij bestuurlijke rapportage van 8 juni 2015 heeft de politie verweerder laten weten dat op 17 mei 2015 nabij het café een ernstig geweldsincident heeft plaatsgevonden. Naar aanleiding hiervan heeft verweerder bij brief van 29 oktober 2015 zijn voornemen aan eiser kenbaar gemaakt om het café gedurende drie maanden te sluiten. Op 25 november 2015 hebben eiser en [leidinggevende] , één van de leidinggevenden van het café, mondeling hun zienswijze gegeven. Vervolgens heeft verweerder het primaire besluit genomen. Verweerder heeft vervolgens de periode van sluiting in verband met het door eiser ingediende verzoek om voorlopige voorziening verlegd naar de periode van 20 mei 2016 tot en met 30 juni 2016.

2. Aan het bestreden besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat op 17 mei 2015 in de [straat] , direct om de hoek bij het café, een ernstig geweldsincident heeft plaatsgevonden en dat hierbij personen waren betrokken die op die avond het café hadden bezocht. Verweerder stelt dat de verklaringen van eiser en [leidinggevende] geen aanleiding geven om te twijfelen aan de juistheid van de bestuurlijke rapportage en het proces-verbaal van bevindingen van de politie. Hieruit blijkt volgens verweerder dat het aannemelijk is dat het personeel van het café op de hoogte was van het geweldsincident, zodat eiser als exploitant aansprakelijk kan worden gehouden voor de verstoring van de openbare orde in de directe omgeving van het café. Verweerder stelt dat het belang van de openbare orde mag prevaleren boven de nadelige (financiële) gevolgen die de sluiting voor de exploitant heeft en dat de sluitingsduur, vanwege het tijdsverloop tussen het incident en de sluiting, is gematigd van drie maanden naar zes weken.

3. Eiser voert aan dat sprake is van onzorgvuldige besluitvorming en dat hem geen verwijt kan worden gemaakt in verband met het geweldsincident. Volgens eiser waren zijn medewerkers niet van het incident op de hoogte en konden zij er niets aan doen om de situatie te voorkomen of te verbeteren. Eiser stelt voorts dat verweerder heeft nagelaten te motiveren dat sprake is van een “ernstig geweldsincident” als bedoeld in het handhavingsbeleid. Verder vindt eiser het onterecht dat hij de beelden van de bewakingscamera’s niet terugkrijgt van de politie, zodat hij kan aangeven wat er mis is met de weergave van de politie.

4. De rechtbank ziet zich eerst ambtshalve gesteld voor de vraag of eiser voldoende belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep tegen het bestreden besluit.

5. In dit verband stelt de rechtbank vast dat de sluiting van het café een in het verleden liggende periode betreft en dat verweerder de voor het café verleende drank- en horecavergunning, exploitatievergunning en aanwezigheidsvergunning ten tijde van de sluiting van 20 mei 2016 al had ingetrokken bij zijn besluit van 10 mei 2016. Eiser kan met zijn beroep tegen het bestreden besluit dan ook niet bereiken dat hij het café (in de periode van de sluiting) alsnog kan exploiteren. Nu deze rechtbank in zaak ROT 16/5330 heeft geoordeeld dat de intrekking van de drank- en horecavergunning, de exploitatievergunning en de aanwezigheidsvergunning in stand kan blijven, had eiser het café, indien de sluiting niet had plaatsgevonden, vanaf 10 mei 2016 alsnog niet kunnen exploiteren. Voor zover eiser stelt schade te hebben geleden door de sluiting van het café, kan de rechtbank dit dan ook niet volgen. Ter zitting heeft eiser gesteld dat hij een belang heeft bij een inhoudelijk oordeel over de sluiting van het café, omdat verweerder de sluiting van het café mede ten grondslag heeft gelegd aan de intrekking van de drank- en horecavergunning, de exploitatievergunning en de aanwezigheidsvergunning. Verweerder heeft ter zitting evenwel verklaard dat hij aan de intrekking van de drank- en horecavergunning, de exploitatievergunning en de aanwezigheidsvergunning uitsluitend het levensgedrag van eiser ten grondslag heeft willen leggen en dat hij daarom de sluiting van het café als grond voor de intrekking van de vergunningen laat vallen. Gelet hierop stelt de rechtbank vast dat de sluiting van het café in juridisch opzicht geen gevolg heeft voor de intrekking van de drank- en horecavergunning, de exploitatievergunning en de aanwezigheidsvergunning, zodat ook in die zin belang bij het beroep tegen het bestreden besluit ontbreekt.

6. Uit het voorgaande volgt dat het beroep niet-ontvankelijk is.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Brugman, voorzitter, en mr. H. Bedee en mr. R.H.L. Dallinga, leden, in aanwezigheid van mr. P.B. Thiemann, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 juli 2017.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.