Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:5499

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
14-07-2017
Datum publicatie
17-07-2017
Zaaknummer
zaaknummer /rekestnummer C/10/521424/FA RK 17-1586
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek tot eenhoofdig gezag toegewezen. Inmiddels sprake van volledige afwezigheid van communicatie tussen ouders. Voor die tijd zeer slechte communicatie.

Al lange tijd geen contact tussen de minderjarige en de man. Werkelijke band tussen minderjarige en de man is verbroken.

Vooruitzicht op herstel van het contact lijkt uitgesloten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie

zaaknummer / rekestnummer: C/10/521424 / FA RK 17-1586

Beschikking van 14 juli 2017 betreffende het ouderlijk gezag

in de zaak van:

[naam verzoeker] , de vrouw,

wonende op een bij de advocaat bekend adres,

advocaat mr. C.W.M. Jansen te Rotterdam,

t e g e n

[naam verweerder] , de man,

wonende te [woonplaats verweerder] , [adres verweerder] .

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 21 februari 2017;

- de brief van de man van 23 maart 2017.

1.2.

De minderjarige is, gelet op haar leeftijd, in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken. Zij heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt.

1.3.

De behandeling heeft plaatsgevonden ter zitting van 5 juli 2017, ter gelegenheid waarvan de man een pleitnota heeft overgelegd.

Bij die gelegenheid zijn verschenen:

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

- de man;

- de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), ter zitting vertegenwoordigd door [naam vertegenwoordiger RvK] .

2 De vaststaande feiten

2.1.

Het huwelijk van partijen is op 13 juli 2006 door echtscheiding ontbonden.

2.2.

Partijen zijn de ouders van de minderjarige:

[naam minderjarige] , geboren [geboortejaar 2003] te [geboorteplaats minderjarige] ,

hierna te noemen de minderjarige.

2.3.

Het ouderlijk gezag over de minderjarige wordt door de ouders gezamenlijk uitgeoefend.

2.4.

Bij beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 27 mei 2011 is de minderjarige onder toezicht gesteld, met benoeming van Stichting Bureau Jeugdzorg te Rotterdam tot gezinsvoogdijinstelling. De ondertoezichtstelling is verlengd, laatstelijk tot 27 juli 2013.

2.5.

Bij beschikking van deze rechtbank van 26 april 2013 is een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken bepaald, in die zin dat het de man met ingang van 26 april 2013 is verboden contact te hebben met de minderjarige.

2.6.

Partijen hebben de Nederlandse nationaliteit.

3 De beoordeling

3.1.

Verzoek uitstel beslissing

3.1.1.

De man persisteert bij zijn eerder gedaan verzoek (in voormelde brief van 23 maart 2017) de beslissing in de onderhavige zaak aan te houden totdat op de door hem gedane aangiften tegen de rechtbank wegens discriminatie en tegen de raad voor de kinderbescherming wegens valsheid in geschrifte, is beslist. Dit verzoek wordt afgewezen, omdat de beslissingen met betrekking tot deze aangiften geen invloed hebben op de beslissing van de rechtbank ten aanzien van de verzoeken van de vrouw in onderhavige zaak.

3.2.

Ouderlijk gezag

3.2.1.

De vrouw verzoekt primair haar met het eenhoofdig gezag over de minderjarige te belasten.

3.2.2.

De vrouw legt aan haar verzoek ten grondslag dat de man het ouderlijk gezag al meer dan zeven jaar niet invult en op geen enkele wijze betrokken is bij de verzorging en opvoeding van de minderjarige. Het ouderlijk gezag is al die jaren door haar alleen ingevuld. De man heeft de minderjarige sinds oktober 2009 niet meer gezien en hij weet op dit moment niets over de minderjarige. De man heeft nooit om informatie over de minderjarige verzocht. Verder is er al lange tijd geen communicatie tussen partijen geweest. De communicatie daarvoor was slecht. Het is in het belang van de minderjarige om de juridische situatie in overeenstemming te brengen met de feitelijke situatie, aldus de vrouw.

3.2.3.

De man voert gemotiveerd verweer. Hij bepleit afwijzing van het verzoek van de vrouw.

3.2.4.

De raad adviseert het verzoek van de vrouw toe te wijzen.

3.2.5.

Het gezamenlijk gezag kan ingevolge artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) worden beëindigd bij gewijzigde omstandigheden sinds de aanvang van het gezamenlijk gezag of als bij de beslissing tot gezamenlijk gezag van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Als één van deze gevallen zich voordoet, zal vervolgens beoordeeld moeten worden of er reden is voor beëindiging van het gezamenlijk ouderlijk gezag. Van toepassing is het in artikel 1:251a BW vermelde criterium dat er een onaanvaardbaar risico is dat een kind klem of verloren dreigt te raken tussen de ouders en dat niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen dan wel dat wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is. Doet dit zich voor, dan bepaalt de rechtbank aan wie van de ouders voortaan het gezag over de minderjarige toekomt.

3.2.6.

Gezien het bepaalde in artikel 1:253n BW zal allereerst beoordeeld moeten worden of voldaan is aan de voorwaarde dat sprake is van een wijziging van omstandigheden.

Omdat de man geen contact meer met de minderjarige heeft, communicatie tussen partijen ontbreekt en de man geen of nauwelijks inhoud meer geeft aan zijn gezag, is sprake van een wijziging van omstandigheden.

3.2.7.

De rechtbank overweegt verder als volgt. De rechtbank heeft in haar beschikking van 26 april 2013 onder meer overwogen dat de voortdurende strijd die partijen met elkaar voeren over de minderjarige ondanks de ingezette hulpverlening aan de zijde van de vrouw en de minderjarige in het gedwongen kader niet is doorbroken en dat het niet is gelukt om partijen in het belang van de minderjarige nader tot elkaar te brengen. Tussen partijen is sprake van een ernstig verstoorde communicatie en een volledig gebrek aan wederzijds vertrouwen. Partijen zijn niet in staat om beslissingen ten aanzien van de minderjarige in onderling overleg te nemen.

De situatie is sindsdien niet gewijzigd in die zin, dat het contact tussen de man en de minderjarige veranderd is. Het laatste contact tussen de man en de minderjarige dateert van oktober 2009. Nog steeds ontbreekt iedere communicatie tussen partijen. Doordat partijen al jarenlang niet met elkaar communiceren, geeft de man feitelijk al langere tijd geen invulling meer aan het ouderlijk gezag. Dit wordt bevestigd door het feit dat de vrouw tot heden beslissingen ten aanzien van de minderjarige alleen heeft genomen. De vrouw geeft feitelijk al jarenlang alleen invulling aan het ouderlijk gezag. De vrouw heeft voorts onbetwist aangevoerd dat zij hinder ondervindt van het feit dat de man het gezag deelt met de vrouw. Zo weigert de man toestemming te verlenen aan de vrouw om met de minderjarige naar het buitenland te reizen. Daarnaast heeft de minderjarige al lange tijd geen contact meer met de man waardoor de werkelijke band met de man is verbroken. Vooruitzicht op herstel van het contact tussen de man en de minderjarige alsmede tussen de man en de vrouw lijkt uitgesloten. Uit niets volgt dat de man op enigerlei wijze (nog) betrokken is bij het leven van de minderjarige en onduidelijk is wat de minderjarige nog van de man als gezaghebbende ouder kan verwachten. De minderjarige zelf zoekt op geen enkele wijze contact met de man en spreekt daar ook niet de wens toe uit. Het ouderlijk gezag van de man is een lege huls geworden.

3.2.8.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat het belang van de minderjarige het noodzakelijk maakt dat de vrouw alleen met het gezag over de minderjarige wordt belast. Het verzoek van de vrouw wordt dan ook toegewezen. Toewijzing van het verzoek van de vrouw zal er naar verwachting toe leiden dat zij met de minderjarige naar Turkije zal verhuizen. Dit staat toewijzing van het eenhoofdig gezag aan de vrouw niet in de weg, onder andere omdat de minderjarige heeft aangegeven dat deze verhuizing (ook) haar wens is.

3.3.

Verzoek tot verhuizing

3.3.1.

De vrouw verzoekt subsidiair vervangende toestemming te verlenen om met de minderjarige naar Turkije te verhuizen. Omdat het primaire verzoek van de vrouw tot eenhoofdig gezag wordt toegewezen, heeft de vrouw geen belang meer bij dit verzoek. Dit verzoek wordt afgewezen.

3.4.

Hoofdverblijfplaats

3.4.1.

De man heeft ter zitting in de pleitnota verzocht te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij hem zal zijn. Dit verzoek wordt afgewezen, omdat op grond van artikel 282, lid 1 en 4 juncto artikel 278 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering indiening van een dergelijk (zelfstandig) verzoek dient te geschieden door indiening van een (verweerschrift tevens zelfstandig) verzoekschrift door een advocaat.

3.4.1.

Voorts heeft de man ter zitting de rechtbank gevraagd om, in het geval de rechtbank de zaak niet wil aanhouden totdat op zijn aangiften is beslist (zie onder rechtsoverweging 3.1.1.), een onafhankelijke instantie onderzoek te laten doen waar de minderjarige het beste kan wonen. De rechtbank ziet daarvoor geen aanleiding. Er zijn in het verleden al meerdere onderzoeken door verschillende instanties uitgevoerd en de uitkomsten daarvan zijn meegewogen in de eerder genoemde, door de rechtbank gewezen, beschikkingen.

3.5.

Proceskosten

1.1.1.

Gelet op de aard van de procedure bepaalt de rechtbank dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.

4 De beslissing

De rechtbank:

4.1.

beëindigt het gezamenlijk gezag en bepaalt dat het gezag over de minderjarige voortaan aan de vrouw toekomt;

4.2.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

4.3.

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

4.4.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. H.I. Kernkamp-Maathuis, voorzitter, tevens kinderrechter, mr. H. Mol en mr. C.A. Schreuder, rechters, tevens kinderrechters, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier C. Brasser op 14 juli 2017

Voor zover in deze beschikking een of meer eindbeslissingen zijn opgenomen, staat tegen deze beschikking hoger beroep open bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.

Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden voor het instellen van hoger beroep.