Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:5455

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
11-07-2017
Datum publicatie
24-07-2017
Zaaknummer
C/10/528408/ FT RK 17/331
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Faillissement, aanhoudingsverzoek van verweerder teneinde de mogelijkheid te krijgen een minnelijk traject te doorlopen niet gehonoreerd.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/3851
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie

Insolventienummer: [nummer]

Uitspraak: 11 juli 2017

VONNIS op het op 6 juni 2017 ingekomen verzoekschrift, met bijlage(n), van:

GEMEENTE ROTTERDAM,

zetelend te Rotterdam,

verzoekster,

advocaten mr. S.J. Huith en mr. J.P. van der Valk,

strekkende tot faillietverklaring van:

[naam] ,

[adres]

,

verweerder.

1 De procedure

Verzoekster, bij monde van haar advocaat, mr. J.P. van der Valk, en verweerder zijn in raadkamer gehoord.

2 De beoordeling

Aanhoudingsverzoek

De griffier heeft verweerder op 9 juni 2017 per brief gewezen op de mogelijkheid om - binnen veertien dagen - een verzoekschrift als bedoeld in artikel 284 van de Faillissementswet (Fw) in te dienen, een en ander als voorgeschreven in artikel 3 lid 1 Fw. Door verweerder is een dergelijk verzoekschrift niet ingediend.

De rechtbank kan, indien de feiten en omstandigheden daartoe aanleiding geven, de behandeling van een faillissementsverzoek aanhouden om een verweerder in de gelegenheid te stellen met zijn schuldeisers een minnelijk traject op te starten en eventueel een verzoek tot toepassing van de Wet schuldsanering natuurlijke personen (Wsnp) te doen. Verweerder heeft voorafgaande aan de zitting verzocht het tegen hem gerichte faillissementsverzoek aan te houden om hem in de gelegenheid te stellen een minnelijk traject bij de gemeentelijke Kredietbank van Rotterdam op te starten. Ter terechtzitting heeft verweerder ter onderbouwing van zijn verzoek een door hem op 7 juli 2017 ingediende aanvraag voor schuldhulpverlening overgelegd, alsmede een brief van de Kredietbank van de gemeente Rotterdam van 10 juli 2017, waarin de gemeente hem uitnodigt voor een gesprek op 3 augustus 2017.

Verzoekster heeft gemotiveerd bezwaar gemaakt tegen het aanhoudingsverzoek van verweerder. Daartoe heeft verzoekster – zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd: verweerder heeft niet binnen de in artikel 3 Fw genoemde termijn van veertien dagen een verzoek als bedoeld in artikel 284 Fw ingediend.

Daarnaast heeft verweerder op een dermate laat moment een schuldhulpverleningsaanvraag ingediend en is de haalbaarheid van een schuldhulpverleningstraject dan wel een Wsnp-traject dermate kansloos dat verweerder misbruik maakt van recht indien hij met het oog daarop aanhouding van de faillissementsprocedure vraagt, aldus verzoekster.

Voorts heeft de gemeente aangevoerd dat uit het - inmiddels onherroepelijke - vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam van 17 maart 2017 blijkt dat de vordering van verzoekster, die thans circa € 700.000,- bedraagt, niet te goeder trouw is ontstaan nu verweerder, naar het oordeel van de kantonrechter, een voldoende ernstig verwijt gemaakt kan worden om hem persoonlijk aansprakelijk te houden voor de schade van verzoekster. Een verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling zou dan ook bij voorbaat kansloos zijn. In dat verband heeft verzoekster ook naar voren gebracht dat de belastingschuld van verweerder thans € 194.955,- bedraagt en dat ook die vordering aan toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling in de weg staat.

Op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting stelt de rechtbank vast dat verweerder pas enige weken na ontvangst van de brief van de griffier een schriftelijk verzoek tot schulddienstverlening heeft ingediend. Dit verzoek is nog niet door de Kredietbank beoordeeld. In het licht van hetgeen in dit verband door verzoekster naar voren is gebracht, zowel in het faillissementsrekest als ter zitting, leidt de rechtbank af dat het hoogst onaannemelijk is dat (de Kredietbank van) de gemeente Rotterdam bereid zal zijn een minnelijk traject te starten. De gemeente Rotterdam is voor zover thans bekend de grootste schuldeiser van verzoekster. Uit de overgelegde stukken leidt de rechtbank af dat er nog geen intakegesprek heeft plaatsgevonden en een minnelijk traject ook nog niet is opgestart.

Tegen deze achtergrond en met inachtneming van de aard en omvang van de vordering van verzoekster, de vermoedelijke onhaalbaarheid van een minnelijk traject en het verwijt dat verzoekster ten aanzien van de vordering van verzoekster kan worden gemaakt, acht de rechtbank het niet opportuun om verweerder na de inmiddels verstreken termijn van artikel 3 lid 1 Fw een langere termijn te gunnen om een minnelijk traject en een Wnsp-traject op te starten. Zij wijst het aanhoudingsverzoek van verweerder dan ook af.

Faillissementsverzoek

De rechtbank oordeelt dat summierlijk is gebleken van het vorderingsrecht van verzoekster en van het bestaan van feiten of omstandigheden die aantonen dat verweerder in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen.

De rechtbank is, gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 Verordening (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie, bevoegd deze insolventieprocedure als hoofdprocedure te openen nu het centrum van voornaamste belangen van verweerder in Nederland ligt.

3 De beslissing

De rechtbank,

- wijst het verzoek tot aanhouding af;

- verklaart [naam] voornoemd in staat van faillissement;

- benoemt tot rechter-commissaris mr. J.C.A.M. Los, lid van deze rechtbank;

- stelt aan tot curator mr. R. Le Grand, advocaat te Rotterdam;

- geeft last aan de curator tot het openen van brieven en telegrammen aan de gefailleerde gericht.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.C.A.M. Los, rechter, en in aanwezigheid van

mr. A.M. Pieters-Boelhouwer, griffier, in het openbaar uitgesproken op 11 juli 2017

te 16:00 uur. 1

1 Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.