Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:5453

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
14-07-2017
Datum publicatie
15-01-2018
Zaaknummer
ROT 17/3927
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Naar vaste rechtspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank is de beslissing op een verzoek om een voorlopige voorziening tijdens de bezwaarprocedure in beginsel bedoeld om te gelden totdat op het bezwaar is beslist en – wanneer vervolgens beroep wordt ingesteld – de rechtbank op dat beroep heeft beslist. Als hangende dat beroep opnieuw om een voorlopige voorziening wordt verzocht, terwijl verweerders standpunt bij de beslissing op bezwaar ongewijzigd is gebleven, is er in beginsel geen aanleiding het eerder gegeven voorlopig oordeel over de uitkomst van de bodemprocedure opnieuw te bezien. Dit leidt slechts uitzondering als er sprake is van bijzondere omstandigheden dan wel van nieuwe aspecten, die niet eerder naar voren konden worden gebracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 4

zaaknummer: ROT 17/3927

uitspraak van de voorzieningenrechter van 14 juli 2017 als bedoeld in artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[Naam], te Rotterdam, verzoeker,

gemachtigde: mr. M. el Idrissi,

en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 14 april 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder verzoekers aanvraag van 10 april 2017 om bijzondere bijstand voor verhuiskosten op grond van de Participatiewet (Pw) afgewezen.

Bij besluit van 31 mei 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Tevens heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Overwegingen

1. Indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.1.

Bij uitspraak van 16 mei 2017 (zaaknummer ROT 17/2472) heeft de voorzieningenrechter een eerder door verzoeker gevraagde voorlopige voorziening tijdens de bezwaarprocedure afgewezen.

2.2.

Bij het bestreden besluit heeft verweerders standpunt na heroverweging geen wijziging ondergaan.

2.3.

Naar vaste rechtspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank (onder meer de uitspraak van 22 juli 2010, ECLI:NL:RBROT:2010:BN2496) is de beslissing op een verzoek om een voorlopige voorziening tijdens de bezwaarprocedure in beginsel bedoeld om te gelden totdat op het bezwaar is beslist en – wanneer vervolgens beroep wordt ingesteld – de rechtbank op dat beroep heeft beslist. Als hangende dat beroep opnieuw om een voorlopige voorziening wordt verzocht, terwijl verweerders standpunt bij de beslissing op bezwaar ongewijzigd is gebleven, is er in beginsel geen aanleiding het eerder gegeven voorlopig oordeel over de uitkomst van de bodemprocedure opnieuw te bezien. Dit leidt slechts uitzondering als er sprake is van bijzondere omstandigheden dan wel van nieuwe aspecten, die niet eerder naar voren konden worden gebracht.

2.4.

Bij brief van 30 juni 2017 is aan verzoeker gevraagd toe te lichten of er sprake is van bijzondere omstandigheden dan wel van nieuwe aspecten, die niet eerder naar voren konden worden gebracht. Verzoeker heeft daarop gereageerd bij brief van 8 juli 2017 en heeft daarbij verwezen naar een brief van PsyQ van 27 juni 2017 en naar de beslissing op bezwaar.

2.5.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is niet gebleken van bijzondere omstandigheden of van nieuwe aspecten, die bij de eerdere behandeling niet naar voren hadden kunnen worden gebracht. Ten tijde van eerdere behandeling was al bekend dat verzoeker psychische klachten had en dat hij daarvoor onder behandeling was bij een psycholoog. Niet valt in te zien dat verzoeker niet toen reeds een brief van PsyQ heeft kunnen overleggen. Overigens blijkt uit de brief van PsyQ van 27 juni 2017 niet dat sprake was van een dringende en acute medische noodzaak om te verhuizen. Verweerders standpunt is bij de beslissing op bezwaar ongewijzigd gebleven, zodat daarin evenmin een grond is gelegen het eerder gegeven voorlopig oordeel over de uitkomst van de bodemprocedure opnieuw te bezien.

3. Uit het voorgaande volgt dat het verzoek om voorlopige voorziening kennelijk ongegrond is, zodat de voorzieningenrechter, gelet op artikel 8:83, derde lid, van de Awb, uitspraak kan doen zonder zitting.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.G.L. de Vette, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.M.P. Meijer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

14 juli 2017.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.