Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:5426

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
20-07-2017
Datum publicatie
20-07-2017
Zaaknummer
17/22
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CBB:2019:187, Overig
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Niet-ontvankelijk in bezwaar. Verweerder heeft een schriftelijk reactie gegeven op eisers zienswijze. Deze brief kan niet worden aangemerkt als een besluit waartegen bezwaar en beroep openstond. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een ander besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1

zaaknummer: ROT 17/22

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 juli 2017 in de zaak tussen

[naam] , te [woonplaats] , eiser,

en

de minister van Economische Zaken, Agentschap Telecom, verweerder,

gemachtigde: mr. R.A. Huiskens.

Procesverloop

Op 29 mei 2013 heeft eiser een vergunning aangevraagd voor een Personal Locator Beacon (PLB). Hierbij heeft hij een machtiging afgegeven om jaarlijks de verschuldigde vergoeding voor de vergunning af te schrijven.

Op 7 juni 2013 is aan eiser, onder dossiernummer 6818667, een vergunning verleend voor het gebruik van frequentieruimte door middel van een PLB (PLB-vergunning).

Bij factuur van 2 februari 2016, met factuurnummer 2160302090, heeft verweerder het jaartarief PLB voor de PLB-vergunning bij eiser in rekening gebracht.

Op 10 februari 2016 heeft eiser tegen deze factuur bezwaar gemaakt, waarbij hij ter betaling van de factuur een doorlopende machtiging afgeeft en alle eerdere incassomachtigingen intrekt.

Op 25 februari 2016 heeft verweerder op basis van de door eiser verleende machtiging

€ 28,- bij eiser geïncasseerd.

Op 20 april 2016 heeft eiser het door verweerder geïncasseerde bedrag van € 28,- laten storneren.

Op 13 mei 2016 is aan eiser een betalingsherinnering verzonden met het verzoek binnen veertien dagen alsnog het bedrag van € 28,- te betalen.

Op 10 juni 2016 is aan eiser een laatste betalingsverzoek verzonden met het verzoek binnen zeven dagen € 28,- voor de PLB-vergunning en € 7,- administratiekosten te betalen. Hierbij heeft verweerder aangegeven dat hij bij het uitblijven van betaling voornemens is de

PLB-vergunning in te trekken. Eiser is in de gelegenheid gesteld een zienswijze tegen dit voornemen in te dienen.

Bij brief van 23 juni 2016 heeft eiser een zienswijze ingediend tegen verweerders voornemen om eisers PLB-vergunning in te trekken. Volgens eiser heeft verweerder onrechtmatig gehandeld en heeft hij daardoor schade geleden.

Bij brief van 18 augustus 2016, kenmerk AT-EZ/723181, heeft verweerder gereageerd op eisers zienswijze. Eiser is hierbij in de gelegenheid gesteld binnen vier weken alsnog € 35,- over te maken. Verweerder heeft daarbij vastgesteld dat van een onrechtmatige handelswijze door verweerder jegens eiser geen sprake is, noch van schade.

Bij brief van 29 september 2016 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen de brief van 18 augustus 2016.

Bij brief van 15 november 2016 heeft eiser verweerder in gebreke gesteld als gevolg van het niet binnen de gestelde termijn nemen van een beslissing op zijn bezwaar van 29 september 2016.

Bij besluit van 21 november 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder eisers bezwaar van 29 september 2016 niet-ontvankelijk verklaard.

Bij besluit van 28 november 2016 heeft verweerder gesteld aan eiser geen dwangsom verschuldigd te zijn.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 juli 2017. Eiser is niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard, omdat de brief van 18 augustus 2016 niet kan worden aangemerkt als een besluit waartegen bezwaar en beroep openstond. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de brief niet op enig rechtsgevolg is gericht. Voorts heeft verweerder bij het bestreden besluit het verzoek om vergoeding van de proceskosten afgewezen, omdat er geen sprake is van het herroepen van een besluit wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.

2. Eiser heeft - kort gezegd - aangevoerd dat verweerders brief van 18 augustus 2016 tot intrekking van de PLB-vergunning wel een besluit is in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Verder voert eiser aan dat het dictum ‘kennelijk niet-ontvankelijk’ inhoudelijk onjuist is. Het bestreden besluit is na het verstrijken van de beslistermijn genomen. De ‘kennelijkheid’ impliceert dat niet-ontvankelijkheid aanstonds blijkt, waardoor het geven van een dergelijk dictum na afloop van de beslistermijn beschouwd moet worden als misbruik van recht.

3. Artikel 1:3, eerste lid, van de Awb bepaalt dat onder besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

4. De rechtbank komt tot het oordeel dat de brief van 18 augustus 2016 niet op rechtsgevolg is gericht. Met de brief van 18 augustus 2016 heeft verweerder een schriftelijke reactie gegeven op eisers zienswijze van 23 juni 2016. Daarnaast heeft verweerder eiser alsnog in de gelegenheid gesteld om alsnog het verschuldigde bedrag te voldoen, waarbij verweerder eiser er op heeft gewezen dat (vooralsnog) de PLB-vergunning niet ingetrokken zal worden.

Hieruit volgt dat eiser nog een herstelkans wordt geboden en dat er geen sprake is , zoals eiser stelt, een intrekking van de PLB-vergunning. Verweerder heeft de PLB-vergunning ook nooit ingetrokken.

De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat de brief van 18 augustus 2016 niet als besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb kan worden aangemerkt. Eisers stelling dat het dictum ‘kennelijk niet-ontvankelijk’ misbruik van recht zou opleveren, kan niet worden gevolgd. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een ander besluit. Verweerder heeft dit standpunt ook op 21 november 2016 nog kunnen innemen.

5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.I. van Strien, rechter, in aanwezigheid van

R.P. Evegaars, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 juli 2017.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.