Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:5425

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
22-06-2017
Datum publicatie
13-07-2017
Zaaknummer
10/681054-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling van twee medeverdachten voor het medeplegen van een woninginbraak waarbij een kluis is weggenomen uit de woning. Het medeplegen is, ondanks dat de veroordeelden zich op hun zwijgrecht hebben beroepen en geen opheldering hebben verschaft over de kennelijke rolverdeling (en in het licht van het onlangs verschenen arrest van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2017:1019)), door de rechtbank bewezen verklaard. Hoewel niet is vast te komen staan wie van de veroordeelden daadwerkelijk bij de woning naar binnen zijn geweest, blijkt uit de gebezigde bewijsmiddelen dat de veroordeelden nauw en bewust hebben samengewerkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/681054-17

Datum uitspraak: 22 juni 2017

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,
ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in
de Penitentiaire Inrichting Dordrecht,

raadsman mr. J.M.J.H. Coumans, advocaat te Amsterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 8 juni 2017.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. P.A. Willemse heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 2 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar met als bijzondere voorwaarden een meldplicht en de inspanningsverplichting om mee te werken aan het project [naam project] of een soortgelijke instelling.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Bewijswaardering

4.1.1.

Standpunt verdediging

Aangevoerd is dat het ten laste gelegde ‘medeplegen’ van de inbraak niet wettig en overtuigend bewezen kan worden. De verdediging stelt zich op het standpunt dat niet uit het dossier valt te destilleren wat de rolverdeling is geweest tussen de drie medeverdachten. De melder van de inbraak verklaart in zijn getuigenverklaring door een verrekijker te hebben gekeken om de inbraak te kunnen waarnemen. Tevens blijkt zowel uit het technisch als forensisch onderzoek niet wie van de verdachten in de auto is gebleven en wie in de woning zijn geweest. Deze feiten en omstandigheden dienen te leiden tot vrijspraak van het medeplegen van de inbraak.

4.1.2.

Beoordeling

Op 26 februari 2017 is omstreeks 13:37 uur een melding gemaakt van een inbraak in een woning aan de [adres delict] te Sommelsdijk. Hierbij is een kluis weggenomen door drie personen die in een grijze Ford Focus zijn weggereden. Na een achtervolging door de politie zijn de twee verdachten [naam verdachte] en [naam medeverdachte] aangehouden. In de kofferbak van de Ford Focus werd een kluis aangetroffen. Deze kluis is op de foto door de aangever herkend als zijn kluis. Tevens is er in de auto gereedschap aangetroffen, waaronder een breekijzer waarmee de inbraak is gepleegd. De getuige [naam getuige] heeft verklaard dat hij bij de woning twee mannen de achterdeur zag openbreken, de woning in zag gaan en dat de derde man bij de auto achterbleef.

Centraal staat de vraag of het ten laste gelegde medeplegen van de inbraak bewezen kan worden verklaard. Het dossier biedt onvoldoende aanknopingspunten om vast te stellen welke verdachten in de woning zijn geweest. Dit staat echter niet aan een bewezenverklaring van het tezamen en in vereniging plegen van de woninginbraak in de weg. [naam verdachte] en [naam medeverdachte] hebben zich beiden beroepen op hun zwijgrecht en hebben geen opheldering gegeven over de kennelijke rolverdeling.

Hoewel niet is vast komen te staan dat de verdachte daadwerkelijk zelf bij de woning aan de [adres delict] te Sommelsdijk naar binnen is geweest en aldaar de kluis heeft weggenomen, heeft hij door middel van de uit de gebezigde bewijsmiddelen volgende handelingen toch een aanzienlijke en substantiële bijdrage aan de inbraak geleverd. De verdachte is samen met zijn twee medeverdachten in een Ford Focus naar de woning gereden, waar zij met de auto het erf van de familie [naam slachtoffer] zijn opgereden. Vervolgens zijn tenminste twee van de drie personen die in de auto zaten bij de woning gezien, waarbij zij de achterdeur van de woning hebben opengebroken en de woning in zijn gegaan. De derde persoon bleef achter bij de auto. De twee personen die de woning zijn ingegaan tilden een kluis uit de woning. De derde persoon reed achteruit de tuin in om dichterbij de andere twee personen te komen en tilde samen met hen de kluis in de auto. De drie verdachten reden vervolgens hard weg en twee van de drie verdachten zijn na een achtervolging door de politie in de auto en te voet aangehouden.

Mede in het licht van het onlangs verschenen arrest van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2017:1019) acht de rechtbank op grond van het voorgaande wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte en zijn medeverdachten nauw en bewust hebben samengewerkt, waarbij er tevens sprake kan zijn van onderling uitwisselbare rollen, en dat zij derhalve tezamen en in vereniging hebben ingebroken in de woning aan de [adres delict] te Sommelsdijk.

4.1.3.

Conclusie

Het verweer wordt verworpen.

4.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij op of omstreeks 26 februari 2017 te Sommelsdijk, gemeente Goeree-Overflakkee,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

in/uit een woning/pand, gelegen aan de [adres delict] , met het oogmerk van

wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een kluis (inhoudende: sieraden

en/of (eigendoms)papieren en/of 4000 euro), in elk geval enig(e) goed(eren)

en/of een geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer] , in elk

geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte, en/of zijn

mededader(s), zulks nadat hij, verdachte, en/of zijn mededader(s), die/dat weg te nemen goed(eren) en/of geldbedrag onder zijn/hun bereik had(den) gebracht

door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feiten waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een brutale woninginbraak. Samen met zijn medeverdachten heeft de verdachte uit een afgelegen woning een kluis gestolen, waarin belangrijke documenten, een geldbedrag en sieraden zaten. Dit soort feiten vormen een grove inbreuk op de privacy en hebben doorgaans een enorme impact op het slachtoffer. De verdachte heeft aldus blijk gegeven van een tekort aan respect voor de persoonlijke eigendommen van anderen en hun persoonlijke levenssfeer. Woninginbraken en pogingen daartoe zorgen in het algemeen bovendien voor onrust en gevoelens van onveiligheid in de buurt. De verdachte heeft zich om al deze gevolgen niet bekommerd en heeft alleen aan zijn eigen financiële gewin gedacht. Daarbij komt dat hij tot op heden geen enkele verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn daad.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 12 mei 2017, waaruit blijkt dat de verdachte in de afgelopen vijf jaren niet is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

7.3.2.

Rapportage

Reclassering Nederland, afdeling reclassering, heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 23 mei 2017. Dit rapport houdt het volgende in.

In het onderzoek naar de verdachte zijn criminogene factoren naar voren gekomen op het gebied van werk, financiën, opleiding en familie. De reclassering acht het, ook om het recidiverisico te beperken, van belang dat de verdachte wordt geholpen bij het vinden van een betaalde baan. Indien de verdachte schuldig wordt bevonden adviseert de reclassering hem een (gedeeltelijk) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, met de bijzondere voorwaarden een meldplicht en de verplichting om mee te werken aan het project [naam project] of een soortgelijke instelling.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van het feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd. De rechtbank heeft in het nadeel van de verdachte meegewogen dat hij geen enkele verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn daad.

Nu de reclassering begeleiding en bijzondere voorwaarden noodzakelijk acht, zal de rechtbank een deel van de voorgenomen straf voorwaardelijk opleggen, met de voorwaarden die hierna worden genoemd. Dit voorwaardelijk strafdeel dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

8 Vordering benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregel

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [naam benadeelde] ter zake van het ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 270,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 februari 2017.

8.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering van de benadeelde partij genoegzaam is onderbouwd, zodat de vordering in beginsel kan worden toegewezen. De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van het gehele gevorderde bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente. Voorts heeft de officier van justitie oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd.

8.2.

Standpunt verdediging

De verdediging stelt zich primair op het standpunt dat de vordering niet-ontvankelijkheid dient te worden verklaard en subsidiair dat deze dient te worden afgewezen. Daartoe is gesteld dat de vordering niet voldoende is onderbouwd; er is ‘slechts’ gewezen naar een uitspraak. Tevens is er niet in voldoende mate aangetoond dat het geestelijk letsel een ernstig karakter heeft zoals bepaald in het vonnis van de rechtbank Limburg (ECLI:NL:RBLIM:2014:6322).

8.3.

Beoordeling

Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde strafbare feit, rechtstreeks immateriële schade is toegebracht, de gevorderde schadevergoeding de rechtbank ook overigens niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt en door de verdachte niet voldoende gemotiveerd is weersproken, zal de vordering worden toegewezen.

Nu de verdachte het strafbare feit, ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend, samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover de mededader benadeelde partij betalen is de verdachte in zoverre jegens de benadeelde partij van deze betalingsverplichting bevrijd.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 26 februari 2017.

Nu de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

8.4.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 270,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 februari 2017.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 47 en 311 van het Wetboek van strafrecht.

10 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) maanden,
bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 2 (twee) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt gesteld op 2 jaar, na te melden voorwaarden overtreedt;

stelt als algemene voorwaarden:

de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;

de veroordeelde zal medewerking verlenen aan reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

stelt als bijzondere voorwaarden:

de veroordeelde zal zich melden bij Reclassering Nederland, zolang en frequent als die reclasseringsinstelling noodzakelijk vindt;

de veroordeelde zal meewerken aan het project [naam project] of een soortgelijke instelling en/of dagbesteding, gedurende de proeftijd, of zoveel korter als de reclassering in overleg met de instelling/behandelaar verantwoord vindt;

geeft aan genoemde reclasseringsinstelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

veroordeelt de verdachte hoofdelijk met diens mededader, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam slachtoffer] , te betalen een bedrag van € 270,00 (zegge: tweehonderd en zeventig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 26 februari 2017 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij [naam slachtoffer] gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam slachtoffer] te betalen € 270,00 (zegge: tweehonderd en zeventig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 februari 2017 tot aan de dag van de algehele voldoening; beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van € 270,00 vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 5 dagen; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, waaronder begrepen betaling door zijn mededader, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J. van der Groen, voorzitter,

en mrs. L. Amperse en H. de Doelder, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C. Ihataren, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 22 juni 2017.

De voorzitter en de jongste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 26 februari 2017 te Sommelsdijk, gemeente Goeree-Overflakkee,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

in/uit een woning/pand, gelegen aan de [adres delict] , met het oogmerk van

wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een kluis (inhoudende: sieraden

en/of (eigendoms)papieren en/of 4000 euro), in elk geval enig(e) goed(eren)

en/of een geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer] , in elk

geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte, en/of zijn

mededader(s), zulks nadat hij, verdachte, en/of zijn mededader(s), die/dat weg te nemen goed(eren) en/of geldbedrag onder zijn/hun bereik had(den) gebracht

door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht