Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:538

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
11-01-2017
Datum publicatie
20-01-2017
Zaaknummer
C/10/497931 / HA ZA 16-301
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bestuurdersaansprakelijkheid

Een douane-expeditiebedrijf X heeft voor rechtspersoon Y, die deel uitmaakte van een groep waar X al kwart eeuw zaken mee deed, aangifte ten invoer gedaan van knoflook van een klant van Y uit China.

X wist niet dat de klant uit China ook voor Y onbekend was. De knoflook zat in reefer (koelcontainer), X vroeg aan Y of het gedroogde knoflook betrof (in dat geval lager tarief). Y heeft hierop de door haar klant uit China opgegeven code (voor gedroogde knoflook) opgegeven. Zowel X als Y hanteren Fenex-voorwaarden. Deze gang van zaken heeft zich een aantal keren herhaald totdat de douane controleerde en vaststelde dat een hoger tarief verschuldigd was. Na procedures tussen X en de inspecteur en tussen X en Y staat vast dat X aan naheffing € 1.304.910,- moest betalen en dat Y dit aan X diende te vergoeden. Y bood evenwel geen verhaal. Y heeft hangende de procedures haar activiteiten gestaakt en haar activa verkocht voor € 40.000,-.

X stelt thans bestuurders (feitelijke beleidsbepalers) van Y aansprakelijk. De vordering jegens de bestuurders is toewijsbaar. Bestuurders van Y moeten bij opdracht aan X hebben begrepen dat X aan een zeer aanzienlijk risico op naheffing werd blootgesteld dat Y aan X zou dienen te vergoeden. Bestuurders van Y wisten dat Y daarvoor nauwelijks verhaal bood en hadden dit risico – bijv. met een bankgarantie van haar klant uit China - dienen af te dekken. De schade is dan ook niet beperkt tot het bedrag waarvoor Y zelf verhaal zou hebben geboden.

Omdat X de schade ook voor een deel aan zichzelf te wijten heeft - ook X had tevoren zekerheden kunnen bedingen maar is mogelijk afgegaan op haar vertrouwen in de groep en is daarbij door bestuurders van Y op het verkeerde been gezet - is de aansprakelijkheid van Y vastgesteld op 50%.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OR-Updates.nl 2017-0060
AR 2017/383
RO 2017/42

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team haven en handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/497931 / HA ZA 16-301

Vonnis van 11 januari 2017

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

EUROTRANSIT B.V.,

gevestigd te Rozenburg ZH,

eiseres,

advocaat mr. M.J. Goedhart te Rotterdam,

tegen

1 [gedaagde sub 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats] ,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

LV VLAARDINGEN HOLDING B.V.,

gevestigd te Vlaardingen,

gedaagden,

advocaat mr. F.J.H. Krumpelman te Rotterdam.

Partijen zullen hierna Eurotransit, [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en Vlaardingen Holding genoemd worden. Gedaagden worden gezamenlijk aangeduid met: [gedaagden]

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding alsmede een akte met producties;
- de conclusie van antwoord met producties;

  • -

    het tussenvonnis van 6 juli 2016 waarbij een comparitie is bevolen;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 31 oktober 2016, waarbij door Eurotransit tevoren toegezonden producties in het geding zijn gebracht;
    - de brieven van 15 november 2016 zijdens Eurotransit en [gedaagden] , elk houdende opmerkingen op het proces-verbaal.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of niet voldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre onbetwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen het volgende vast:

2.1.

Eurotransit voert een douane-expeditiebedrijf en hanteert de Fenex-voorwaarden. Eurotransit verricht al ongeveer 25 jaar lang douane-expeditiewerkzaamheden voor vennootschappen uit de Lensveld groep, een groep onder leiding van Vlaardingen Holding (hierna de Lensveld groep).

Vlaardingen Holding heeft voor een aantal dochtervennootschappen in de Lensveld groep een zogenoemde 403-verklaring afgegeven.

2.2.

LV Ahlers B.V. (later genaamd: LA Container Import B.V., hierna steeds: Ahlers) is opgericht op 17 december 2003 als een joint venture tussen Vlaardingen Holding en Ahlers International S.A.

De 403-verklaring van Vlaardingen Holding gold nooit voor Ahlers.

[gedaagde sub 2] was bestuurder van Ahlers vanaf de oprichting tot 17 juli 2004.

[gedaagde sub 1] was bestuurder van Ahlers vanaf de oprichting tot 1 januari 2011. [gedaagde sub 2] is sinds 1992 ook bestuurder van Vlaardingen Holding.

Ahlers voerde een bedrijf in transport en logistiek. Ook Ahlers hanteerde de Fenex-voorwaarden.

2.3.

In de periode van 9 december 2004 tot en met 6 juni 2005 heeft Eurotransit in opdracht van Ahlers aangifte ten invoer gedaan met betrekking tot 13 uit China afkomstige zendingen knoflook die werden geïmporteerd van een klant van Ahlers, East World Trade Ltd. (hierna EWT).

De fax van 8 december 2004 van Ahlers waarmee aan Eurotransit de eerste opdracht werd gegeven luidde, voor zover relevant:

Company: Eurotransit B.V.

t.a.v. Frank

(...)

Betr. 1 x40 ft. Reefer BCBHU 295982-4

(...)

Beste Frank,

Gaarne bijgevoegde zending inklaren op naam van East World trade LTd - UK.

Zie bijgaande Power of attorney.

(…)

Met vriendelijke groet,

[persoon] ”.

Op de fax heeft Eurotransit vervolgens teruggeschreven:

8/12 12.30

BTW nr. op volmacht is onbekend.

Gaarne opgaaf eerste vier cijfers van goederencode. Dit ivm eventuele keuring etc.

(Ik kan niet met 100% zekerheid zien of het nu echt gedroogd knoflook is gezien deze in een reefer zit.)”

Ahlers heeft hierop - en desgevraagd ook bij volgende zendingen - aan Eurotransit een HS-code doorgegeven op basis van de aan haar door EWT gegeven inlichting dat het hier gedroogde knoflook betrof. Eurotransit heeft op de fax van 8 december 2004 genoteerd “0712 9090 20 danny 8/12 tel.

Na de eerste twee zendingen van enkele containers volgden zendingen voor grotere aantallen containers,. Eurotransit heeft op 10 maart 2005 nog eens gevraagd of het ging om verse of gedroogde knoflook. Daarop heeft Ahlers een op ‘07/09/04’ aan ‘LV Shipping’ (voluit: LV Shipping & Logistics B.V., rb.) gerichte fax van EWT doorgeleid waarin stond vermeld:

Ref. Commodity Code

All the containers of garlic we import from China are dry garlic. The commodity code is 0712 9090 20.”

Ook op 30 mei 2005 heeft Ahlers, blijkens een aantekening op de betreffende faxopdracht telefonisch medegedeeld “gedroogd zoals altijd”.

Voor knoflook die niet als “gedroogde knoflook” kan worden aangemerkt, geldt een aanmerkelijk hoger tarief voor invoerrechten.

2.4.

De douane heeft op of kort na 15 juni 2005 aan [persoon] van Ahlers (blijkens de stukken ook werkzaam voor LV Shipping) laten weten dat bij de 13e zending en dus ook ten aanzien van de eerdere zendingen knoflook een verkeerde HS-code is opgegeven, waardoor de knoflook (telkens) voor een te laag bedrag is aangeslagen voor de heffing van invoerrechten. De betreffende zending werd door de douane geblokkeerd op de terminal en is vervolgens door Ahlers en/of LV Shipping, nadat zij aan de douane op 22 juni 2005 om toestemming had(den) verzocht, naar een andere opslagfaciliteit overgebracht. De brief van 22 juni 2005 van (?) de douane waarin deze toestemming op voorwaarden werd verleend, is gericht aan ‘Lensveld Shipping & Logistics BV, [persoon]’, en door [persoon] namens LV Shipping voor akkoord getekend en gestempeld met het bedrijfsstempel van LV Shipping.

2.5.

Op 15 juli 2005 vond een overleg plaats tussen vertegenwoordigers van Eurotransit, Ahlers en EWT over de te verwachten douane naheffing - toen geschat op een bedrag van € 1.700.000,- - en is na overleg met Eurotransit door Ahlers besloten een onderzoek te doen naar de vraag of het hier gedroogde knoflook betrof.

Hierover is door Van Ameyde Marine op 25 juli 2005 rapport uitgebracht ‘t.a.v. [persoon]’ - zonder vermelding van bedrijfsnaam - met de conclusie: “Alhoewel gedroogd zal de knoflook nog altijd voor de meerderheid uit water bestaan…”. Ahlers heeft dit op 26 juli 2005 aan Eurotransit toegezonden.
Eurotransit heeft naar aanleiding van dit rapport aan Ahlers om een bankgarantie gevraagd omdat de knoflook niet volkomen vochtvrij was.

2.6.

Op 18 juli 2005 heeft Ahlers International S.A. haar aandelen (50%) in Ahlers overgedragen aan haar medeaandeelhouder Vlaardingen Holding.
Vlaardingen Holding heeft daartoe het (50%) aandeel van Ahlers International S.A. in het verlies van Ahlers in 2004 van € 59.244,- op zich genomen en daarenboven aan Ahlers International S.A. een vergoeding ad € 9.000,- betaald, zijnde de nominale waarde van de aandelen van Ahlers International S.A in Ahlers.

Op 28 juli 2005 verkreeg Vlaardingen Holding alle aandelen in LV Agencies B.V., tot op dat moment geheten Tomar Equipment Supply Services B.V. (hierna: Agencies). Vanaf diezelfde datum is [gedaagde sub 2] zelfstandig bevoegd bestuurder van deze vennootschap. Tot 28 juli 2005 waren persoonlijke vennootschappen van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] bestuurder van Agencies.

De activiteiten van Ahlers en daaraan gerelateerde activa zijn overgedragen aan Agencies. Het betreft een softwarepakket (in rekening gebracht bij factuur van 1 juli 2005 ad € 3.453,40) en een (indertijd bij oprichting van Ahlers door Ahlers International S.A. in Ahlers ingebracht) agentschap van de Portline-rederij (hierna: het Portline-agentschap) (in rekening gebracht bij factuur van 10 juli 2005 ad € 38.167,- conform een taxatie door de accountant van Ahlers).

2.7.

Bij brief van 23 mei 2005 heeft [gedaagde sub 2] namens Ahlers de jaarstukken 2004 bij de Kamer van Koophandel gedeponeerd.

Blijkens de winst- en verliesrekening over 2004 bedroeg de omzet binnen Ahlers vanaf de start in maart/april 2004 € 3.409.169,- met een brutomarge van € 261.107,- en is na aftrek van kosten een verlies geleden van € 59.244,-.

2.8.

Op 4 augustus 2005 is [persoon] verhoord door de FIOD. Hij heeft onder meer verklaard dat Ahlers een samenwerkingsverband is met het bedrijf Ahlers in België welk samenwerkingsverband begin 2005 is opgeheven, en ook “Wij zijn op dit moment het enige bedrijf LV Ahlers BV.”.

Verder heeft [persoon] onder meer verklaard dat EWT via zijn collega’s in Engeland klant is geworden van Ahlers, dat ‘[directeur/eigenaar]’ de directeur/eigenaar van EWT is, dat hij deze eenmaal heeft ontmoet, dat [directeur/eigenaar] vrijwel geen Engels spreekt maar Engelssprekende collega’s op kantoor heeft, en dat [directeur/eigenaar] de te gebruiken goederencode heeft verstrekt waaronder moest worden ingeklaard, welk nummer aan Eurotransit is doorgeleid.

2.9.

Eurotransit heeft in augustus/september 2005 terzake de aangiften ten invoer van knoflook voor Ahlers, drie uitnodigingen tot betaling (hierna utb’s) ontvangen voor een naheffing van invoerrechten van in totaal € 1.304.910,-. Eurotransit was op grond van de wet als douane-expediteur gehouden tot betaling daarvan en heeft dit bedrag voldaan.

2.10.

Na 2005 zijn er in Ahlers geen activiteiten meer ontplooid.

Op 4 januari 2007 is de jaarrekening 2005 van Ahlers gedeponeerd.
Na belasting was het resultaat € 40.447,- negatief.

Over (de eerste zeven maanden van) 2005 bedroeg de omzet € 2.680.940,-, met een brutomarge van € 288.141,- en een (positief) resultaat van € 26.905,-.

In dit jaarverslag is - evenals in latere jaarverslagen - opgenomen:
“De vennootschap is verwikkeld in een juridisch geschil inzake invoerrechten. De directie is van mening, mede op basis van gesprekken met haar juridisch adviseur en eerdere uitspraken van de rechtbank Rotterdam en het Hof Den Haag dat de onderneming niet aansprakelijk is voor enige navordering en dat er derhalve geen verplichtingen voor de onderneming zullen voortkomen.”
2.11. Zowel tussen Eurotransit en de Inspecteur als tussen Eurotransit en Ahlers is een aantal juridische procedures gevoerd naar aanleiding van de utb’s. De uitkomst daarvan was dat de utb’s in stand zijn gebleven en dat Ahlers bij arrest van het gerechtshof in Den Haag van 24 september 2013 veroordeeld om aan Eurotransit te voldoen, meergemeld bedrag van de utb’s ad € 1.304.910,-, vermeerderd met rente ad € 17.481,42; € 130.491,04 wegens administratiekosten; € 20.040,- wegens proceskosten in kort geding en € 50.000,- aan buitengerechtelijke incassokosten en kosten rechtsbijstand. Het arrest is in kracht van gewijsde.

2.12.

Bij mail van 9 oktober 2013 is door de advocaat van Ahlers aan Eurotransit meegedeeld dat Ahlers geen verhaal biedt omdat de activiteiten van Ahlers medio 2005 zijn beëindigd, de aandelen van Ahlers International S.A. in Ahlers op 18 juli 2005 zijn overgedragen aan Vlaardingen Holding tegen betaling van de nominale waarde en vervolgens de activa van Ahlers zijn overgedragen aan Agencies.

2.13.

Eurotransit heeft [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] , elk bij brief van 3 oktober 2014, aansprakelijk gesteld voor haar schade terzake de utb’s, hier weergegeven onder 2.9.

2.14.

Ahlers is per 31 december 2014 ontbonden ex artikel 2:19 BW.

2.15.

Eurotransit heeft Vlaardingen Holding op 4 november 2015 aansprakelijk gesteld.

2.16.

Eurotransit heeft op 11 en 14 maart 2016 beslagen doen leggen ten laste van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] .

3 Het geschil

3.1.

Eurotransit vordert:
“bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
- gedaagden hoofdelijk te veroordelen, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, om aan eiseres, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, te voldoen een bedrag van

€ 1.328.762,31, althans een bedrag door U E.A. in goede justitie vast te stellen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 augustus 2008, althans vanaf een datum door U E.A. in goede justitie vast te stellen, tot aan de dag der algehele voldoening;
- gedaagden hoofdelijk, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, te veroordelen om aan eiseres te voldoen de buitengerechtelijke kosten, de beslagkosten en de proceskosten, met daarbij de bepaling dat indien deze kosten niet binnen vijf dagen na het wijzen van het vonnis zijn voldaan, daarover de wettelijke rente verschuldigd zal zijn.”

3.2.

[gedaagden] voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Juridisch kader

4.1.

Vast staat dat Ahlers een schuld heeft aan Eurotransit van ruim € 1,3 miljoen met rente en kosten omdat Eurotransit uit hoofde van door Ahlers verstrekte opdrachten tot inklaring van zendingen knoflook nageheven invoerrechten aan de fiscus heeft moeten voldoen. Vast staat ook dat Ahlers daarvoor geen verhaal biedt.

4.2.

Eurotransit verwijt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] dat zij onrechtmatig jegens Eurotransit hebben gehandeld door het er als (feitelijk) bestuurder van Ahlers welbewust en opzettelijk toe te leiden dat Ahlers na juli 2005 niet meer in staat was om haar verplichtingen jegens Eurotransit na te komen, terwijl zij ernstig rekening hadden moeten houden met de verschuldigdheid daarvan en in dat kader een voorziening hadden moeten treffen. Zij verwijt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] ook dat zij het risico van het ook voor hen onbekende EWT bewust bij Ahlers hebben ondergebracht, wetende dat Ahlers geen verhaal zou bieden. Hun handelwijze was zo onzorgvuldig jegens Eurotransit dat hen persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Zij waren beiden verantwoordelijk voor Ahlers, beiden actief betrokken bij het verhangen van de activiteiten van Ahlers naar Agencies en konden beiden voorzien welke gevolgen hun handelen zou hebben voor de verhaalbaarheid van de vordering van Eurotransit, aldus Eurotransit.

Eurotransit maakt een vergelijkbaar verwijt aan Vlaardingen Holding en stelt meer in het bijzonder dat zij als aandeelhouder haar medewerking heeft verleend aan het frustreren van verhaal en aldus haar zorgplicht jegens Eurotransit als schuldeiser van Ahlers schond.

Zodra [gedaagden] rekening moesten houden met een naheffing, zijn de activiteiten binnen Ahlers gestaakt en de activa van Ahlers overgedragen aan een in allerijl daartoe geschikt gemaakte zustermaatschappij en ter verhulling van het oogmerk verhaal te frustreren zijn de ter zake verzonden facturen geantedateerd, aldus Eurotransit.

4.3.

Indien een vennootschap - hier Ahlers - tekortschiet in de nakoming van een verbintenis of een onrechtmatige daad pleegt, is uitgangspunt dat alleen de vennootschap aansprakelijk is voor daaruit voortvloeiende schade. Onder bijzondere omstandigheden is evenwel, naast aansprakelijkheid van die vennootschap, ook ruimte voor aansprakelijkheid van een bestuurder van de vennootschap. Voor het aannemen van zodanige aansprakelijkheid is vereist dat die bestuurder ter zake van de benadeling persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. (HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2628, Tulip Air).

Van zodanig persoonlijk ernstig verwijt is, behoudens tegenbewijs, sprake indien de bestuurder namens de vennootschap verplichtingen cq een overeenkomst is aangegaan, terwijl hij wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet of niet binnen redelijke termijn aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden voor de als gevolg van niet-nakoming door de wederpartij te lijden schade (HR 6 oktober 1989, ECLI:NL:HR:1989:AB9521, Beklamel).

Ook het bewerkstelligen of toelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt terwijl de bestuurder weet of redelijkerwijze behoort te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zal hebben dat deze haar verplichtingen niet of niet binnen redelijke termijn zal nakomen, en ook geen verhaal zal bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade, kan een persoonlijk ernstig verwijt opleveren. (Vgl. HR 8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0758, Ontvanger/Roelofsen)

Voor een persoonlijk ernstig verwijt aan de bestuurder kan ook aanleiding bestaan indien hij de schuldeiser ertoe heeft gebracht een risico voor aansprakelijkheid tegenover een derde op zich te nemen dat wezenlijk groter was dan de schuldeiser wist of kon begrijpen, ook wat betreft de eventuele mogelijkheid van regres op de vennootschap, terwijl de bestuurder wist of redelijkerwijze moest begrijpen, dat de vennootschap niet of niet binnen een redelijke termijn aan haar verplichtingen jegens de derde zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden voor de schade die de schuldeiser dientengevolge zou leiden (HR 20 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI0468, Eurocommerce).

Het gaat steeds om de concrete omstandigheden van het geval en de voorzienbaarheid dat de crediteur niet zal worden voldaan en schade zal lijden (HR 18 februari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4873, New Holland Belgium/Oosterhof).

Een vergelijkbare maatstaf geldt voor aansprakelijkheid van de aandeelhouder van een vennootschap (vgl. HR 11 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH4033, Comsystems).

4.4.

De rechtbank zal de vorderingen van Eurotransit en de daartegen gevoerde verweren met inachtneming van deze normen beoordelen.

Het beroep op verjaring

4.5.

[gedaagden] beroept zich in de eerste plaats op verjaring. Indien en voor zover dit verweer slaagt, behoeven de overige standpunten geen beoordeling meer.

4.6.

Vorderingen als de onderhavige verjaren krachtens het bepaalde in artikel 3:310 BW door verloop van vijf jaar na aanvang van de dag waarop de schuldeiser - hier Eurotransit - zowel met de schade als de daarvoor aansprakelijke perso(o)n(en) bekend is geworden.

4.7.

[gedaagden] stelt primair dat Eurotransit al in 2005 wist dat Ahlers geen verhaal bood en dat sindsdien meer dan vijf jaar zijn verlopen.
Dit standpunt is onvoldoende om tot verjaring te leiden. Ook als Eurotransit al in 2005 wist dat Ahlers geen verhaal bood, betekent dat niet - althans niet automatisch - dat Eurotransit toen bekend was met de aansprakelijkheid van de thans aangesproken bestuurders respectievelijk aandeelhouder.

Onjuist is voorts het (subsidiaire) standpunt dat Eurotransit zodra zij wist dat Ahlers geen verhaal bood, zelf onderzoek had moeten doen naar de vraag of de bestuurders of aandeelhouder van Ahlers daarvoor mogelijk aansprakelijk waren op straffe van verjaring van haar rechten. Voor die verplichting is, anders dan [gedaagden] betoogt, geen steun in het recht.

Het gaat dus om het moment dat Eurotransit daadwerkelijk bekend was met haar schade en voldoende zekerheid had verkregen dat de schade was veroorzaakt door tekortschietend of foutief handelen van de betrokken persoon (o.a. HR 9 oktober 2009, ECLI:NL:HR:BJ4850). Eurotransit stelt zich op het standpunt dat zij niet eerder dan bij mail van 9 oktober 2013 op de hoogte is gesteld van de handelingen van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] respectievelijk Vlaardingen Holding waardoor Ahlers geen verhaal bood.

De rechtbank is echter - met [gedaagden] - van oordeel dat Eurotransit in een akte van 1 december 2009 in de procedure bij het Hof Den Haag het inzicht tentoonspreidt niet alleen dat Ahlers geen verhaal biedt maar ook hoe dat zo gekomen is zodat uit de akte van 1 december 2009 volgt dat Eurotransit toen bekend was zowel met de schade als met de betrokkenheid daarbij van de thans door haar aangesproken personen. Met name hetgeen hierna onder 4.20 en 4.21 is weergegeven, was voor Eurotransit immers kennelijk aanleiding om bestuurders ook persoonlijk aansprakelijk te stellen.
Eurotransit stelt - onbetwist - dat zij de gegevens voor haar akte in november 2009 kreeg. Dit betekent dat de verjaringstermijn toen is gaan lopen.

De verjaring is jegens [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] tijdig gestuit bij brieven van 3 oktober 2014. Het beroep op verjaring van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] faalt om die reden.

Ten aanzien van Vlaardingen Holding ontbreekt een tijdige stuitingshandeling, nu Vlaardingen Holding pas op 4 november 2015 aansprakelijk is gesteld. Het beroep op verjaring van Vlaardingen Holding slaagt. De vordering tegen Vlaardingen Holding zal om die reden worden afgewezen.

De posities van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2]

4.8.

Hiermee komt de vraag aan de orde of [gedaagde sub 1] en/of [gedaagde sub 2] aansprakelijk zijn als bestuurder dan wel feitelijk leidinggevende/beleidsbepaler van Ahlers.

4.9.

De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde sub 2] in de voor deze zaak relevante periode - vanaf de eerste opdracht van Ahlers aan Eurotransit tot het doen van aangifte ten invoer van de knoflook van EWT - als feitelijk beleidsbepaler van Ahlers dient te worden aangemerkt.

[gedaagde sub 2] was weliswaar per 17 juli 2004 uitgeschreven als statutair bestuurder van Ahlers maar was - mede blijkens zijn verklaring ter comparitie - ook nadien feitelijk steeds betrokken bij de door en inzake Ahlers te nemen beslissingen, en ook bij - in zijn woorden - ‘het knoflookverhaal’. [gedaagde sub 2] was voorts (enig) bestuurder van Vlaardingen Holding, die eerst de helft en vervolgens alle aandelen van Ahlers hield, en voorts ook alle aandelen hield van Agencies, aan wie Ahlers in 2005 haar activa overdroeg. Ahlers heeft bovendien aan Vlaardingen Holding - met [gedaagde sub 2] als bestuurder - in 2004 een bedrag van € 70.000,- en in 2005 een bedrag van € 51.000,- voldaan als vergoeding voor het gevoerde beheer over huisvesting en personeel van Ahlers. Het verweer dat het geen “managementvergoeding” voor [gedaagde sub 2] betreft, miskent dat [gedaagde sub 2] ook aldus via Vlaardingen Holding zicht en invloed had op het reilen en zeilen van Ahlers. Het oordeel dat [gedaagde sub 2] ook lang na zijn uitschrijving als statutair bestuurder in feite het beleid van Ahlers bepaalde vindt voorts bevestiging in de omstandigheid dat [gedaagde sub 2] de jaarstukken 2004 van Ahlers heeft ondertekend en in de afgelopen ruim tien jaar in procedures tussen Ahlers en Eurotransit, optrad namens Ahlers.

4.10.

De rechtbank maakt bij de beoordeling van de aansprakelijkheid van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] als bestuurders geen verschil tussen hen. Door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] is daarvoor ook geen reden aangevoerd, afgezien van de hiervoor beoordeelde periode van inschrijving als statutair bestuurder.

[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zullen kortheidshalve hierna beiden als bestuurder worden aangeduid.
4.11. Voor de beoordeling van de aansprakelijkheid van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] als bestuurders van Ahlers acht de rechtbank de navolgende, niet of onvoldoende weersproken, feiten van belang:

  • -

    [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en Eurotransit zijn allen al jarenlang actief in de expeditiebranche;

  • -

    [gedaagde sub 2] is bestuurder van Vlaardingen Holding;

  • -

    Vlaardingen Holding staat aan het hoofd van de Lensveld groep;

  • -

    vennootschappen in de Lensveld groep hebben ongeveer 25 jaar lang Eurotransit ingeschakeld om te hunnen behoeve (of van hun klanten) op eigen naam aangifte ten invoer te doen, welke aangifte op eigen naam op grond van toen geldende regelgeving ook verplicht was;

  • -

    ook Ahlers was actief in expeditie en logistiek;

  • -

    [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] bestuurden Ahlers;

  • -

    Ahlers heeft een opdracht van EWT aanvaard voor het doen van aangifte ten invoer van een aantal zendingen knoflook;

  • -

    EWT was een in Londen gevestigde vennootschap met Chinese belanghebbenden, die noch bij Ahlers noch bij de Lensveld groep bekend was;

  • -

    Ahlers heeft het doen van aangifte ten invoer voor deze knoflook opgedragen aan Eurotransit;

  • -

    Eurotransit is de overeenkomst van opdracht met Ahlers aangegaan in het vertrouwen dat Ahlers ‘gewoon’ onderdeel uitmaakte van de Lensveld groep;

  • -

    zowel Ahlers als Eurotransit waren lid van de Fenex en gebruikten de Fenex-voorwaarden;

  • -

    in de Fenex-voorwaarden is vastgelegd dat de expediteur zijn werkzaamheden voor rekening en risico van zijn opdrachtgever verricht;

  • -

    de aangiften ten invoer door Eurotransit in opdracht van Ahlers geschiedden (dus) voor rekening en risico van Ahlers;

  • -

    bij het doen van aangiften ten invoer van de goederen in afgesloten containers was Eurotransit voor wat de goederenomschrijving en de daarvoor te hanteren goederentariefcode afhankelijk van door Ahlers te verstrekken inlichtingen, en Ahlers was daarvoor op haar beurt afhankelijk van EWT;

  • -

    de juistheid van de door EWT verstrekte inlichtingen kon Ahlers noch Eurotransit zelf controleren, hoewel Eurotransit daar nog wel vragen over heeft gesteld aan Ahlers;

  • -

    de door EWT via Ahlers aan Eurotransit aangereikte goederenomschrijving en de daarvoor te hanteren HS-code bleken onjuist;

  • -

    aan Eurotransit zijn als gevolg daarvan naheffingen invoerrechten opgelegd van ruim € 1,3 miljoen;

  • -

    Ahlers noch EWT biedt verhaal voor de door Eurotransit betaalde naheffingen.

4.12.

Voorts acht de rechtbank het volgende van belang.

Met het doen van aangifte bij de belastingdienst zijn financiële belangen gemoeid. Algemeen bekend is dat de fiscus naheffingen kan opleggen indien de aangifte op basis van onjuiste gegevens is gedaan. Voor een bewustzijn van een risico op naheffing is geen speciale douane-expertise vereist.

Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat met het doen van aangiften ten invoer doorgaans zeer grote bedragen zijn gemoeid, en dat dus aan onjuiste of onvolledige aangiften ten invoer het risico is verbonden dat zeer hoge naheffingen worden opgelegd. Gelet op de jarenlange ervaring van partijen in de expeditiebranche veronderstelt de rechtbank ook hen hiermee bekend.

Deze omstandigheden voeren in samenhang met de onder 4.11 genoemde feiten tot de conclusie dat Ahlers en haar bestuurders reeds voor of ten tijde van het geven van de opdrachten om aangifte ten invoer te doen, begrepen dat Eurotransit zichzelf met het doen van aangiften ten invoer bloot zou stellen aan zeer aanzienlijke financiële risico’s.

4.13.

Vast staat dat deze risico’s in de verhouding tussen Eurotransit en Ahlers voor rekening en risico van Ahlers kwamen (en in de verhouding tussen Ahlers en EWT voor rekening en risico van EWT). Dit volgde immers uit de door zowel Eurotransit als Ahlers jegens hun opdrachtgever gehanteerde Fenex-voorwaarden.

Dit brengt mee dat Ahlers en haar bestuurders wisten althans moesten begrijpen dat zodra Eurotransit door de fiscus zou worden aangesproken tot betaling van invoerrechten, uit hoofde van heffing dan wel naheffing, daaruit rechtstreeks voor Ahlers een verbintenis zou ontstaan om deze invoerrechten aan Eurotransit te vergoeden. Bijzondere omstandigheden die dit anders zouden maken zijn niet gesteld of gebleken.

4.14.

Met de aangiften ten invoer van de knoflook van EWT was, naar is gebleken, feitelijk een risico op naheffing tot ruim € 1,3 miljoen gemoeid. Ook indien partijen zich niet vooraf realiseerden dat Eurotransit een risico van deze omvang liep, dan nog is niet gesteld of aannemelijk geworden dat zij meenden en mochten menen dat Eurotransit een beduidend kleiner risico liep.

Indien juist is, zoals [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] stellen, dat de activa en activiteiten van Ahlers in juli 2005 voor omstreeks € 40.000 zijn verkocht en dat dit een reële prijs was, volgt hieruit dat zij namens Ahlers in 2003 en 2004 overeenkomsten met EWT zijn aangegaan ter zake van het doen invoeren van knoflook waaraan risico’s waren verbonden die de draagkracht van Ahlers zelf verre overstegen.

Maar ook indien de waarde van de activa en activiteiten substantieel hoger was dan € 40.000, zoals Eurotransit betoogt, dan nog is niet gesteld of gebleken dat Ahlers over voldoende vermogen beschikte om zelf de aan de aangiften inherent verbonden risico’s te dragen.

De kans dat deze risico’s zich zouden verwezenlijken was niet slechts denkbeeldig, zeker gelet op de achtergrond van de invoerrechtentarifering, het voorkomen van dumping van niet-droge knoflook op de Europese markt. Dit moet de bestuurders van Ahlers, gezien hun ervaring binnen de Lensveld groep met het voor derden (doen) invoeren van goederen in de Europese Unie, ook zonder specifieke kennis van regelgeving over import en export, voorzienbaar zijn geweest.

Onder deze omstandigheden lag het op de weg van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] als prudent bestuurders van Ahlers om het aan deze transacties voor Ahlers verbonden risico af te dekken, bijvoorbeeld door vooraf zekerheden van hun opdrachtgever EWT te bedingen of door afspraken met hun aandeelhouders over (eventuele) aanvullende financiering. Gesteld noch gebleken is dat dit is gebeurd. Naar zeggen van [gedaagde sub 1] c.s. heeft Ahlers pas na 15 juli 2005 aan EWT om een (bank)garantie verzocht, aan welk verzoek geen gehoor is gegeven. Aan het betoog dat niet Ahlers maar EWT de opdrachtgever van Eurotransit was gaat de rechtbank voorbij, nu dit standpunt tussen Ahlers en Eurotransit reeds in hoogste instantie als onjuist is verworpen.

4.15.

De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] bij het bepalen van het doen en laten van Ahlers zich onvoldoende rekenschap hebben gegeven van de belangen van Eurotransit, met wie de Lensveld groep al decennialang zaken deed. Juist gelet op die langdurige zakelijke banden paste het de bestuurders van Ahlers om oog te hebben voor de belangen van Eurotransit en hun handelen mede daardoor te laten bepalen.

4.16.

Uit r.o. 4.14 volgt dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] als bestuurders van Ahlers hebben bewerkstelligd, of in ieder geval toegelaten, dat Ahlers de voor EWT aangenomen douane-expeditieopdrachten aan Eurotransit doorgeleidde, in de wetenschap dat Eurotransit daarmee werd blootgesteld aan grote financiële risico’s waarvoor Ahlers zelf niet of nauwelijks regres bood.

Niet in geschil is dat Ahlers als joint venture niet viel onder de reikwijdte van de zogenoemde 403-verklaring die ten aanzien van andere vennootschappen in de Lensveld groep gold. Ook deze kennis moeten [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] als bestuurders van Ahlers hebben gehad. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] wisten dus ook dat Eurotransit evenmin regres zou kunnen nemen op anderen binnen de Lensveld groep.

Onder de hier beschreven omstandigheden was voor [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] voorzienbaar dat Ahlers en Eurotransit beiden, ingeval zij met een aanzienlijke naheffing van invoerrechten zouden worden geconfronteerd, zouden moeten afwachten of EWT bereid en in staat zou zijn om deze te vergoeden. EWT was voor Ahlers en de hele Lensveld groep een nieuwe relatie, een in Londen gevestigde onderneming met Chinese belanghebbenden waarmee niet eerder zaken was gedaan. Bij gebreke van een bestendige zakelijke relatie en een vestigingsplaats in Nederland was dus onzeker of EWT tot betaling van substantiële naheffingen zou overgaan. Ook van die zijde mocht dus niet op regres voor Eurotransit of Ahlers worden gerekend.

Ook dit aspect van de risico-inschatting was aan Ahlers en haar bestuurders wel, maar aan Eurotransit niet bekend.

4.17.

Uiteraard is het op de eerste plaats aan Eurotransit zelf om de aan haar bedrijfsactiviteiten verbonden risico’s in te schatten en te bepalen of en op welke voorwaarden zij die risico’s aanvaardbaar vindt.

Vast staat echter dat Eurotransit al decennia lang zaken deed met vennootschappen in de Lensveld groep. Het standpunt van Eurotransit impliceert, en [gedaagden] betwist niet, dat die transacties normaal gesproken wel vielen binnen de reikwijdte van de 403-verklaring van het moederbedrijf, zodat de rechtbank hiervan uitgaat. Eurotransit liep ter zake van de al decennia gebruikelijke gang van zaken dus veel minder risico dan bij de Ahlers-transacties.

Het standpunt van Eurotransit komt erop neer dat zij Ahlers als normaal onderdeel van de Lensveld groep beschouwde en er om die reden op vertrouwde dat zij kon steunen op de band met en de zekerheden van haar relatie met de Lensveld groep. [gedaagden] heeft dit niet bestreden, zodat dit vast staat.

De vraag rijst of dit vertrouwen van Eurotransit gerechtvaardigd was en of zij daaraan jegens [gedaagden] rechten kan ontlenen. De rechtbank beantwoordt deze vragen bevestigend.

De opdrachten waren informeel en geroutineerd van toon en inhoud (aangehaald onder 2.3) en werden verstrekt door [persoon] , die ook werkte voor LV Shipping. [persoon] was kennelijk een Eurotransit bekende contactpersoon binnen de Lensveld groep. (LV) Ahlers droeg net als andere Eurotransit bekende vennootschappen uit de Lensveld groep ‘LV’ in de naam, en had hetzelfde kantooradres als LV Shipping (Waterleidingstraat 4-6 te Vlaardingen, welk adres later ook Agencies op haar briefpapier vermeldde). Onder deze omstandigheden mocht Eurotransit er op vertrouwen dat de opdrachten op naam van Ahlers ‘gewoon’ onderdeel uitmaakten van haar samenwerking met de Lensveld groep. Zij mocht er om die reden in beginsel van uitgaan dat haar positie niet zou verslechteren door zaken te doen met Ahlers in plaats van met - bijvoorbeeld - LV Shipping.

Dit vertrouwen zou niet gerechtvaardigd zijn indien aan Eurotransit vooraf was medegedeeld dat Ahlers als joint venture vennootschap een bijzondere positie innam, in die zin dat zij formeel niet tot de Lensveld groep behoorde of dat contracten met Ahlers niet zouden vallen onder de 403-verklaring. Dat dit is gebeurd, is echter gesteld noch gebleken.

Evenmin is gesteld of gebleken dat aan Eurotransit is medegedeeld dat Ahlers zelf geen verhaal bood voor eventuele naheffingen en geen zekerheden had bedongen.

De rechtbank gaat er daarom vanuit dat geen van de genoemde mededelingen is gedaan.

4.18.

[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben aldus als bestuurders van Ahlers bewerkstelligd of in ieder geval toegelaten dat Eurotransit zich ingevolge de door Ahlers verstrekte opdrachten bloot stelde aan een aanzienlijk - voor rekening van Ahlers komend - risico van (na)heffingen door aangifte ten invoer te doen op basis van door Ahlers verstrekte en voor Eurotransit niet zelfstandig te controleren informatie, terwijl [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] wisten dat Ahlers niet zelf in staat was een eventuele substantiële schuld uit (na)heffing te voldoen en dat dit risico - anders dan Eurotransit onder de omstandigheden van het geval mocht verwachten - ook niet door een garantie of 403-verklaring was afgedekt.

Zeker gelet op de reeds jaren bestaande relatie tussen Eurotransit en de (mede) door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] bestuurde Lensveld groep, mocht Eurotransit erop rekenen dat zij niet zonder waarschuwing vooraf een voor haar veel risicovoller pad werd opgeleid dan tussen haar en de Lensveld groep gebruikelijk was. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hadden zich bij het bepalen van het doen en laten van Ahlers meer gelegen moeten laten liggen aan de belangen van Eurotransit.

4.19.

Gelet op de hierboven beschreven achtergronden lag het voorts op de weg van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] als bestuurders van Ahlers om EWT tot het alsnog stellen van zekerheid te bewegen, nadat Eurotransit reeds bij de eerste zending navroeg of de opgegeven goederenomschrijving ‘gedroogde knoflook’ correct was omdat de stuwage in een koelcontainer anders deed vermoeden (zie 2.3). Het belang van die vraag moet voor Ahlers en haar bestuurders glashelder zijn geweest. Indien Ahlers reeds toen zekerheid had verlangd alvorens voort te gaan met de verdere zendingen, zou invoerrechtennaheffing ten laste van Eurotransit voor de latere zendingen zijn voorkomen.

4.20.

[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben dit nagelaten en hebben vervolgopdrachten verstrekt en hebben tenslotte Ahlers in de periode na 15 juni 2005 ontmanteld en voor Eurotransit een nagenoeg lege huls achtergelaten.

Nadat de douane op 15 juni 2005 aangaf dat op basis van een verkeerde HS-code aangifte was gedaan, moet voor Ahlers en haar bestuurders duidelijk zijn geweest dat naheffing tot een aanzienlijk bedrag aanstaande was. Dat zij, zoals [gedaagden] betoogt, zich pas na 15 juli 2005 van een risico op een mogelijke naheffing bij invoer van knoflook bewust werden is mede gelet op hetgeen in 4.11 tot en met 4.14 is overwogen volstrekt onaannemelijk.

De bestuurders van Ahlers hebben medio juli 2005 de activiteiten van Ahlers daadwerkelijk gestaakt, haar activa verkocht voor omstreeks € 40.000 en - nog daargelaten of daar een reële prijs voor is betaald - geen enkele voorziening of verdiencapaciteit in Ahlers achtergelaten ten behoeve van Eurotransit, die op Ahlers een zeer aanzienlijke regresvordering uit de op handen zijnde naheffing zou verkrijgen.

Bij de hier bedoelde beslissingen is op geen enkele wijze rekening gehouden met het inmiddels voor Ahlers en haar bestuurders kenbare belang van haar schuldeiser Eurotransit.

4.21.

Dat de overheveling van activa en activiteiten naar Agencies samenhing met een mogelijk eerder geplande en voorbereide beëindiging van de joint venture - [gedaagden] betoogt dit al draagt hij daarvoor geen spoor van bewijs aan en wijst de onder 2.8 geciteerde verklaring van [persoon] daar niet op – doet (indien al juist) niet terzake. Feit blijft immers dat met het leeghalen van Ahlers, de mogelijkheid tot verhaal op die activa aan Eurotransit werd ontnomen.

4.22.

De hiervoor vanaf r.o. 4.11 omschreven gang van zaken laat in de omstandigheden van dit geval, in onderling verband en samenhang bezien, geen andere conclusie toe dan dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] als bestuurders van Ahlers welbewust en ten onrechte het concreet dreigende risico op zeer aanzienlijke naheffing van invoerrechten geheel bij Eurotransit hebben neergelegd waarbij zij - voor het geval van verhaal door Eurotransit - van meet af aan een situatie van betalingsonmacht hebben gecreëerd. Of de activa uiteindelijk voor een reëel bedrag zijn overgedragen, kan daarbij in het midden blijven.
De rechtbank is van oordeel dat de bestuurders aldus hebben gehandeld in strijd met de zorgvuldigheid die in het maatschappelijk verkeer en hier meer in het bijzonder in het handelsverkeer jegens Eurotransit betaamt. Onder de hiervoor geschetste omstandigheden treft hen terzake een ernstig, persoonlijk verwijt.

4.23.

Niet relevant is dat Ahlers in gerechtelijke procedures tegen Eurotransit aanvankelijk in het gelijk is gesteld. Zolang in het bodemgeschil niet onherroepelijk is beslist dient immers in ernstige mate rekening te worden gehouden met een andersluidende uitspraak. Het onrechtmatig handelen dateert bovendien van vóór die uitspraken.

4.24.

Het voorgaande brengt in beginsel mee dat de bestuurders persoonlijk en hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door hun handelwijze voor Eurotransit ontstane schade.

De omvang van die schade moet worden bepaald door de financiële positie waarin Eurotransit door het onrechtmatig handelen van [gedaagden] is komen te verkeren, te vergelijken met de financiële positie waarin zij zou hebben verkeerd zonder dit onrechtmatig handelen.

De rechtbank acht aannemelijk dat Eurotransit, indien zij voorafgaand aan de aanvaarding van de bewuste opdrachten van Ahlers te horen had gekregen dat Ahlers niet op de gebruikelijke wijze tot de Lensveld groep behoorde en dat contracten met Ahlers niet onder de 403-verklaring vielen, de opdrachten niet op deze voorwaarden voor Ahlers zou hebben willen uitvoeren. Aannemelijk is dat Eurotransit ofwel dan zou hebben aangedrongen op een opdrachtgever die wel op de gebruikelijke wijze tot de Lensveld groep behoorde, ofwel de opdrachten slechts zou willen uitvoeren mits zij een garantie kreeg die tenminste dezelfde zekerheid bood als de 403-verklaring. Eurotransit heeft onbetwist gesteld dat Vlaardingen Holding zonder meer in staat was om de utb’s te voldoen. De rechtbank neemt daarom als vaststaand aan dat de vordering van Eurotransit tot vergoeding van de door haar betaalde nageheven invoerrechten volledig zou zijn voldaan ingeval [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] niet onrechtmatig zouden hebben gehandeld. Dit bedrag groot € 1.304.910,43 levert derhalve schade op.

4.25.

Indien niet onrechtmatig was gehandeld, zou Eurotransit ook geen invorderingsrente hebben hoeven betalen. Eurotransit heeft gesteld dat het Hof in zijn arrest van 24 september 2013 per abuis een te laag bedrag aan invorderingsrente heeft toegewezen, en dat zij niet € 17.481,42 maar € 23.852,- had moeten toewijzen, welk bedrag Eurotransit ook heeft voldaan aan de belastingdienst. Zij verwijst in dit verband naar een brief van de belastingdienst aan de raadsman van Eurotransit van 2 juli 2008, die is overgelegd als (productie 3 bij de memorie die is overgelegd als) productie 18 bij conclusie van antwoord.

In die brief wordt bevestigd dat een bedrag groot € 17.481,42 aan rente door Eurotransit is betaald. Naar de rechtbank begrijpt, betoogt Eurotransit dat de rentebedragen in de brief niet juist zijn opgeteld, omdat deze samen € 23.852 belopen. Op zichzelf is dit juist. In de bewuste memorie, waarin een beroep op de brief is gedaan, betoogt Eurotransit echter ook zelf dat zij € 17.481,42 aan invorderingsrente heeft betaald, en uit het arrest van het hof blijkt dat de betaling van dit bedrag tussen partijen ook ter discussie is geweest. Niet blijkt dat daarbij door Eurotransit zou zijn gesteld dat een hoger rentebedrag zou zijn betaald, en bewijs van zodanige betaling is ook in deze procedure niet overgelegd.

Daarbij komt dat de rechtbank vermoedt dat het eerste in de brief van de belastingdienst genoemde rentebedrag onjuist kan zijn, nu de verhouding tussen rente en de eerstgenoemde hoofdsom sterk afwijkt van die tussen rente en de overige hoofdsommen, terwijl de eerste hoofdsom de laatst gedane aangifte betreft.

Om deze redenen gaat de rechtbank uit van het voor Ahlers door het Hof vastgestelde rentebedrag.

Dit betekent dat ter zake van hoofdsom en invorderingsrente in totaal € 1.328.762,31 als schade valt aan te merken.

4.26.

De rechtbank verwerpt het beroep van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] op jurisprudentie (Hof Den Bosch 22-12-2009) waarin zou zijn vastgesteld dat schadevergoeding die de bestuurder uit hoofde van onrechtmatige daad dient te betalen, nooit groter kan zijn dan de omvang van wat de vennootschap ten tijde van de vermeende onrechtmatige daad in staat was te betalen. Ter comparitie is in dit verband aandacht besteed aan de waardering van de door bestuurders aan een zustermaatschappij van Ahlers overgedragen activa van Ahlers.

Het Hof heeft in de hiervoor bedoelde uitspraak geoordeeld dat de bestuurder slechts gehouden is de schade te vergoeden die is ontstaan als gevolg van diens onrechtmatig handelen. Nu activa en activiteiten in die zaak niet voor juiste waarde te gelde waren gemaakt moest in dat geval worden vastgesteld welk verhaal de vennootschap zou hebben geboden als zij haar activa en activiteiten (wel) op gebruikelijke wijze zou hebben te gelde gemaakt.

[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] miskennen dat hen als bestuurders ook als de activa van Ahlers niet voor een te lage waarde - die van het Portline agentschap is overigens niet eenvoudig vast te stellen - zijn overgedragen, het verwijt treft dat zij welbewust, en ten onrechte zonder waarschuwing vooraf een veel groter (regres)risico dan gebruikelijk ter zake van naheffing bij Eurotransit hebben neergelegd, en zij er ook nadat dit risico zich begon te concretiseren niet voor hebben gezorgd dat Ahlers daarvoor verhaal biedt.

Het onrechtmatig handelen van hen als bestuurders betreft dus meer dan het staken van de activiteiten en de verkoop van activa, en hun aansprakelijkheid is dan ook niet beperkt tot de gevolgen daarvan. Het staken van activiteiten en verkopen van activa zijn weliswaar relevante omstandigheden voor de mate van verwijtbaarheid van hun handelen cq nalaten maar aan de waarde van de activa van Ahlers komt in dit geval geen (doorslaggevende) betekenis toe.

4.27.

Zijdens de bestuurders is ter comparitie aangevoerd dat (ook) Eurotransit van Ahlers tevoren geen garantie claimde. De rechtbank verstaat dit verweer als een eigen schuld verweer, dat ertoe strekt de schade geheel of ten dele voor rekening van Eurotransit te laten omdat zij deze mede aan zichzelf te wijten heeft.

Dit verweer is juist doch treft slechts ten dele doel.
Zoals reeds in 4.17 is overwogen, moet Eurotransit in de eerste plaats zelf de aan haar bedrijfsactiviteiten verbonden risico’s inschatten en bepalen of en op welke voorwaarden zij die risico’s aanvaardbaar vindt. Ook zij zelf droeg een verantwoordelijkheid om alert te zijn op de identiteit en financiële gegoedheid van haar nieuw aangedragen wederpartij Ahlers, en ook zonder waarschuwing vooraf had zij navraag kunnen doen naar diens positie ten opzichte van de Lensveld groep, de 403-verklaring en om zekerheden kunnen vragen. Zij heeft in dit opzicht onvoldoende haar eigen belangen bewaakt.

Waar Eurotransit hierin onverstandig handelde, hebben Ahlers en haar bestuurders Eurotransit op het verkeerde been gezet door de schijn te (laten) wekken en te laten voortbestaan dat Ahlers een gewoon lid was van de door Eurotransit vertrouwde Lensveld groep, en Eurotransit grote risico’s te laten nemen in het onterechte vertrouwen dat de schulden van Ahlers uit de bewuste transacties zouden zijn gedekt door de 403-verklaring.

4.28.

Nu Eurotransit het gebrek aan verhaal op Ahlers van de door Eurotransit betaalde naheffingen naar het oordeel van de rechtbank voor een deel ook aan zichzelf heeft te wijten, omdat zij zich tevoren - en ook na de eerste aarzeling over de vraag of het droge knoflook betrof - niet van enige zekerheid op verhaal heeft voorzien terwijl ook zij moest begrijpen dat zij een aanzienlijk risico nam dat zich heeft verwezenlijkt, acht de rechtbank het in dit geval redelijk dat Eurotransit vijftig procent van haar schade zelf draagt, dus € 664.381,15.

4.29.

Over het door Ahlers te betalen bedrag zal wettelijke rente vanaf 6 augustus 2008 worden toegewezen, nu dit is gevorderd en verder niet bestreden.

4.30.

[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben voorts nog verweer gevoerd tegen de gevorderde uitvoerbaarverklaring bij voorraad. Gelet op de beslagen op hun woningen zou er een onomkeerbare situatie ontstaan. De rechtbank ziet hierin geen reden tot afwijzing. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] kunnen dit voorkomen door te betalen. Dat zich bij Eurotransit een restitutierisico zou voordoen is gesteld noch gebleken.

4.31.

Eurotransit vordert tevens vergoeding van € 6.775,- voor buitengerechtelijke incassokosten. Door Eurotransit zijn echter geen werkzaamheden aangegeven, die anders zijn te duiden dan ter voorbereiding van de onderhavige procedure, waarvoor de proceskostenveroordeling een vergoeding pleegt in te houden. Deze vordering zal worden afgewezen.

4.32.

[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zullen als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van Eurotransit, die van het beslag alsmede de nakosten, daar onder begrepen. Deze kosten worden begroot op:
Griffierecht € 3.903,-
Exploten van dagvaarding en beslagen € 1.360,57
Salaris advocaat (3 punten tarief € 3.211,-) € 9.633,-
Totaal €14.896,57

De rechtbank merkt op dat aan Eurotransit voor het verzoekschrift € 619,- griffierecht in rekening is gebracht en dat dit bedrag abusievelijk door de rechtbank niet in mindering is gebracht op het na dagvaarding in rekening gebrachte griffierecht ad € 3.903,-. Inmiddels is deze fout hersteld en is een bedrag van € 619,- in mindering gebracht op de rekening courant van de rechtbank met de advocaat van Eurotransit.

De over de proceskosten gevorderde rente zal voorwaardelijk worden toegewezen als in het dictum vermeld.

4.33.

Voor een veroordeling van Eurotransit in de proceskosten aan de zijde van Vlaardingen Holding ziet de rechtbank onvoldoende aanleiding, nu gedaagden gezamenlijk verweer hebben gevoerd over dezelfde feiten en het debat zich vooral op de bestuurders heeft geconcentreerd.

5 De beslissing

De rechtbank,

- wijst af de vorderingen tegen Vlaardingen Holding;

- veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk, des dat de één betalende, de ander in zoverre zal zijn bevrijd, om aan Eurotransit te betalen een bedrag van € 664.381,15 (zegge: zeshonderdvierenzestig duizend driehonderdenéénentachtig euro en vijftien eurocent) vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 augustus 2008 tot aan de dag der algehele voldoening;
- veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk, des dat de één betalende, de ander in zoverre zal zijn bevrijd, in de proceskosten, die van de beslagen daaronder begrepen, tot op deze uitspraak aan de zijde van Eurotransit begroot op € 14.896,57, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze kosten met ingang van veertien dagen na dit vonnis tot aan de voldoening;

- veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk, des dat de één betalende, de ander in zoverre zal zijn bevrijd, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,- aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder voorwaarde dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis hebben voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening;

-
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.M.E. van der Hoeven, mr. J.W. Langeler en mr. P.A.M. van Schouwenburg-Laan en in het openbaar uitgesproken op 11 januari 2017.
39/182/1885