Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:5340

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
14-06-2017
Datum publicatie
11-07-2017
Zaaknummer
C/10/522646 / HA ZA 17-267
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Betaling griffierecht. Art. 127 Rv. Tweemaal gedagvaard als gevolg van een fout aan de zijde van eiser. Dat een tweede griffierechtnota door de raadsman van eiser ten onrechte is aangemerkt als zijnde betaald, als gevolg van een onoverzichtelijke administratieve situatie, afwezigheid van de persoon die binnen kantoor is belast met de betaling van griffierechten en een interne miscommunicatie, komt voor risico van eiser.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2017/242
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Haven & handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/522646 / HA ZA 17-267

Vonnis van 14 juni 2017

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te Kampenhout, België,

eiser,

advocaat mr. T. Kressin te Arnhem,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

GLOBAL FOUNDATION EUROPE B.V.,

zonder bekende plaats van vestiging dan wel kantooradres binnen en buiten Nederland,
gedaagde.

Partijen zullen hierna [eiser] en GFE genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het faxbericht van [eiser] van 25 januari 2017 met de beslissing van de voorzieningenrechter van 26 januari 2017;

  • -

    de dagvaarding van 30 januari 2017, met producties;

  • -

    de akte uitlaten zijdens [eiser] van 3 mei 2017.

1.2.

Op 19 april 2017 heeft de griffier aan de advocaat van [eiser] , mr. Kressin, bericht dat de griffie van de rechtbank heeft geconstateerd dat het door [eiser] verschuldigde griffierecht niet is voldaan binnen de daarvoor in artikel 3 lid 1 Wet griffierechten burgerlijke zaken (hierna: Wgbz) bepaalde termijn. De zaak is verwezen naar de rol van 3 mei 2017 waarbij [eiser] in de gelegenheid is gesteld om zich hierover desgewenst bij akte uit te laten.

1.3.

Bij akte uitlaten van 3 mei 2017 heeft [eiser] op de brief van de griffier gereageerd.

1.4.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De overwegingen

2.1.

Op grond van artikel 3 lid 1 Wgbz is iedere verschenen partij in een civiele procedure een griffierecht verschuldigd. Op grond van het derde lid van voornoemd artikel dient de eiser ervoor te zorgen dat het verschuldigde griffierecht binnen vier weken na de eerstdienende dag op de rekening van de rechtbank is bijgeschreven. Voor de gedaagde geldt een termijn van vier weken na zijn verschijning.

2.2.

De zaak diende voor het eerst op 15 maart 2017. Uit de administratie van de rechtbank blijkt dat het griffierecht van [eiser] op 20 april 2017 is ontvangen. Dat is buiten de in artikel 3 lid 1 Wgbz bepaalde termijn.

2.3.

Op grond van artikel 127a lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) ontslaat de rechter de gedaagde van de instantie, met veroordeling van de eiser in de kosten, als de eiser het griffierecht niet tijdig heeft voldaan. Op grond van het derde lid van voornoemd artikel laat de rechter deze consequentie buiten toepassing als hij van oordeel is dat dit, gelet op het belang van één of meer van de partijen bij toegang tot de rechter, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

2.4.

Bij akte heeft [eiser] een beroep gedaan op de hardheidsclausule van artikel 127a lid 3 Rv en heeft hiertoe het volgende aangevoerd. Er is sprake geweest van een miscommunicatie tussen de raadsman van eiser, mr. Kressin, en [kantoorgenoot x] , de medewerker van zijn kantoor die verantwoordelijk is voor de financiële administratie. Deze miscommunicatie komt voort uit de omstandigheid dat tegen GFE reeds eerder een onjuiste dagvaarding is uitgebracht. De deurwaarder heeft destijds GFE abusievelijk gedagvaard te verschijnen op de zitting van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam te Dordrecht tegen woensdag 25 januari 2017, zijnde de roldag van handel. Vanwege deze discrepantie heeft de rechtbank de zaak niet ingevoerd. Vervolgens heeft [eiser] GFE met toestemming van de voorzieningenrechter van deze rechtbank tegen verkorte termijn opnieuw gedagvaard tegen 15 maart 2017. De rechtbank heeft de eerste zaak echter alsnog ingevoerd, waarna [eiser] een factuur met betrekking tot het griffierecht in die zaak heeft ontvangen. De rechtbank heeft de eerste zaak in overleg met [kantoorgenoot x] doorgehaald. Telefonisch is afgesproken dat door de rechtbank in de eerste zaak een creditnota zou worden verstuurd. Toen [kantoorgenoot x] desondanks een herinnering voor de griffierechtfactuur ontving, heeft [kantoorgenoot x] wederom contact gehad met de rechtbank, waarbij door de rechtbank is meegedeeld dat na de eerste roldatum van de tweede zaak een nieuwe factuur zou worden verzonden en dat de oude factuur alsnog zou worden gecrediteerd. De creditnota van 2 maart 2017 is vervolgens door [kantoorgenoot x] ontvangen. De nieuwe factuur voor het griffierecht behorende bij onderhavige procedure is tijdens de vakantie van [kantoorgenoot x] door mr. Kressin ontvangen, die in de veronderstelling verkeerde dat deze factuur reeds was voldaan. Om die reden heeft mr. Kressin de betreffende factuur niet bij de administratie van [kantoorgenoot x] gevoegd. Het ongelukkige en rommelige verloop bij het aanbrengen van de zaak, waarbij verscheidene facturen en herinneringen zijn verstuurd, in combinatie met de afwezigheid van [kantoorgenoot x] , heeft geleid tot een onoverzichtelijke administratieve situatie, waardoor de factuur in onderhavige zaak geheel onbedoeld onbetaald is gebleven. Nu gedaagde reeds tweemaal openbaar is gedagvaard en reeds tweemaal niet is verschenen, zal naar alle waarschijnlijkheid een derde maal openbaar dagvaarden er niet toe leiden dat gedaagde thans wel zal verschijnen. Toepassing van artikel 127a lid 2 Rv zal voor eiser leiden tot de onbillijke situatie dat de procedure (wederom) door factoren buiten zijn schuld aanzienlijke vertraging zal oplopen, er opnieuw kosten gemaakt moeten worden voor de (openbare) dagvaarding, terwijl gedaagde met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid alsdan ook niet zal verschijnen. In dit geval zal een strikte toepassing van het rolreglement slechts gevolgen hebben voor eiser, nu gedaagde van de procedure kennelijk niet op de hoogte is en bij een volgende dagvaarding ook niet zal worden. [eiser] verzoekt zijn beroep op de hardheidsclausule van artikel 127a lid 3 Rv te honoreren en alsnog een verstekvonnis te wijzen.

2.5.

De rechtbank oordeelt als volgt. [eiser] is als eiser in deze procedure degene die het initiatief heeft genomen om de procedure te beginnen. Zeker nu [eiser] wordt bijgestaan door een advocaat, had van hem verwacht mogen worden dat hij rekening had gehouden met het gegeven dat hij binnen vier weken na het begin van de opnieuw aangebrachte zaak het griffierecht moest voldoen. Van een advocaat mag immers worden verwacht dat hij op de hoogte is van de aan de orde zijnde termijn en van de verstrekkende gevolgen die de wet verbindt aan de overschrijding daarvan. Dat de tweede griffierechtnota door mr. Kressin ten onrechte is aangemerkt als zijnde betaald, als gevolg van een onoverzichtelijke administratieve situatie, afwezigheid van de persoon die binnen kantoor is belast met de betaling van griffierechten en een interne miscommunicatie, komt naar het oordeel van de rechtbank voor risico van [eiser] . Juist in een geval als het onderhavige, waarbij tweemaal is gedagvaard als gevolg van een fout aan de zijde van eiser, had het op de weg van eiser gelegen extra oplettendheid te betrachten ten aanzien van de betaling van het griffierecht. Gesteld noch gebleken is dat [eiser] niet in staat is het verschuldigde griffierecht te betalen. De rechtbank oordeelt dat de aangevoerde omstandigheden geen omstandigheden zijn als bedoeld in artikel 127a lid 3 Rv, op grond waarvan toepassing van artikel 127a lid 2 Rv, gelet op het belang van één of meer partijen bij toegang tot de rechter, zou leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. Dat gedaagde tweemaal eerder niet is verschenen doet hier niet aan af.

2.6.

De rechtbank zal GFE dan ook overeenkomstig het uitgangspunt van de wet van de instantie ontslaan.

2.7.

Gelet op het bepaalde in artikel 127a lid 2 Rv wordt [eiser] veroordeeld in de proceskosten, te begroten op nihil aan de zijde van GFE.

3 De beslissing

De rechtbank

3.1.

ontslaat GFE van de instantie;

3.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van GFE tot op heden begroot op nihil.


Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling en in het openbaar uitgesproken op 14 juni 2017.
1774 / 1980