Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:5335

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
05-07-2017
Datum publicatie
11-07-2017
Zaaknummer
10/650324-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De veroordeelde heeft zich schuldig gemaakt aan het witwassen van het geldbedrag van: € 99.150,00. Een gevangenisstraf van drie maanden is opgelegd. De veroordeelde is partieel vrijgesproken voor het witwassen van het in de woning aangetroffen geldbedrag van € 41.205,00.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/650324-13

Datum uitspraak: 5 juli 2017

Verstek

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte] : [woonplaats verdachte] .

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 21 juni 2017.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. E. Ahbata heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden met aftrek van voorarrest;

  • -

    verbeurdverklaring van het in beslag genomen geldbedrag van € 41.205,00.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Bewijswaardering: partiële vrijspraak

4.1.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat – onder meer – wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte een bedrag van € 41.205,00 voorhanden heeft gehad. De officier van justitie heeft er op gewezen dat dit bedrag is aangetroffen in de woning van de verdachte en dat de verdachte heeft verklaard dat geld in de woning lag.

4.1.2.

Beoordeling

Naar het oordeel van de rechtbank kan op basis van het dossier niet worden vastgesteld dat de verdachte het bedrag van € 41.205,00 voorhanden heeft gehad.

Uit het dossier blijkt dat de verdachte samen met zijn ouders, broer en zussen, in de woning waar het geldbedrag is aangetroffen verbleef1 en dat dit bedrag is aangetroffen in slaapkamer van de zussen van de verdachte2.

Naar het oordeel van de rechtbank kan op basis van het dossier niet worden vastgesteld dat de verdachte wist dat het bedrag van € 41.205,00 in de woning lag. De rechtbank kan de stelling van de officier van justitie dat de verdachte meteen wist te vertellen dat geld in de woning lag3 niet volgen. Uit het proces-verbaal van verhoor van de verdachte blijkt immers dat door de verbalisanten aan de verdachte is voorgehouden dat in zijn woning geld is aangetroffen en dat de verdachte daarop verklaart “Geld??”4. Daaruit kan bezwaarlijk worden afgeleid dat de verdachte wist te vertellen dat het geldbedrag in de woning lag. Nu niet kan worden vastgesteld dat de verdachte wist dat het geldbedrag van € 41.205,00 in zijn woning lag, kan evenmin worden vastgesteld dat de verdachte feitelijke zeggenschap had, zoals vereist om tot een bewezenverklaring van voorhanden te kunnen komen, over het eerder genoemde bedrag. Het voorgaande leidt tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewijs ontbreekt.

4.1.3.

Conclusie

Niet bewezen is dat de verdachte een geldbedrag van € 41.205,00 voorhanden heeft gehad. De verdachte zal van het deel van de tenlastelegging dat daarop ziet worden vrijgesproken.

4.2.

Bewijsoverweging

Aan de verdachte is – kort gezegd – verder ten laste gelegd dat hij een geldbedrag van

€ 99.150,00 voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist althans had moeten vermoeden dat dat geldbedrag van misdrijf afkomstig was.

De rechtbank stelt vast dat zich in het dossier geen direct bewijs bevindt voor het bestaan van een zogenoemd brondelict. Dan dient allereerst te worden vastgesteld of de aangedragen feiten en omstandigheden van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen. Als dat zo is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld. Een dergelijke verklaring dient concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk te zijn. Indien het door de verdachte geboden tegenwicht daartoe aanleiding geeft, ligt het op de weg van het Openbaar Ministerie om nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaringen van de verdachte blijkende, alternatieve herkomst van het geld. Uit de resultaten van een dergelijk onderzoek zal dienen te blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de geldbedragen waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst hebben en dat dus een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.

Onder de verdachte is een zeer grote hoeveelheid contant geld, te weten een bedrag van

€ 99.150,00, aangetroffen. Dit bedrag is op de vloer achter de bestuurdersstoel in de auto van de verdachte in een plastic tas aangetroffen5 en bestond uit 1983 briefjes van € 50,006. Het is, gelet op de risico’s die daarmee gepaard gaan, hoogst ongebruikelijk om een dergelijk bedrag fysiek te vervoeren. Naar het oordeel van de rechtbank rechtvaardigen deze omstandigheden een vermoeden van witwassen, zodat van de verdachte kon worden verlangd dat hij een verklaring gaf voor de herkomst van het bedrag.

Die verklaring is door de verdachte niet gegeven. Hij heeft zich ten aanzien van het geld dat in zijn auto is aangetroffen beroepen op zijn zwijgrecht7,8 dan wel aangegeven dat hij niet weet waar het geld vandaan komt9.

De rechtbank is gezien het voorgaande van oordeel dat het niet anders kan zijn dan het bedrag van € 99.150,00 – middellijk of onmiddellijk – afkomstig was uit enig misdrijf en dat de verdachte daarvan op de hoogte was.

4.3.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij op of omstreeks 30 april 2014, te Rotterdam en/of Amsterdam, althans in

Nederland,

- van een of meer geldbedrag(en), te weten 99.150,- euro en/of 41.205,- euro,

de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de

verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, en/of heeft hij, verdachte,

verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op de/het geldbedrag(en)

was/waren, en/of

- een of meer geldbedrag(en), te weten 99.150,- euro en/of 41.205,- euro,

verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of overgedragen en/of gebruikt,

terwijl hij, verdachte, wist, althans had moeten vermoeden, dat dat/die

geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - (mede) afkomstig was/waren uit

een of meer misdrijven

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

witwassen

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

De straffen die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het witwassen van een geldbedrag. Door zijn handelen heeft hij kennelijk opbrengsten uit misdrijf aan het zicht van justitie willen onttrekken. De rechtbank acht dit een ernstig strafbaar feit. Het vormt een aantasting van de legale economie en is, mede vanwege de ondermijnende invloed ervan op het legale handelsverkeer, een bedreiging voor de samenleving.

De rechtbank houdt bij de bepaling van de strafmodaliteit en de duur daarvan rekening met het voorgaande en met het volgende.

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 7 april 2017, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

Gezien de ernst van het feit kan in beginsel niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd.

Bij de berechting van een zaak, waarbij geen sprake is van bijzondere omstandigheden heeft als uitgangspunt te gelden dat de behandeling van de zaak op de terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar na aanvang van de redelijke termijn. De redelijke termijn vangt aan op het moment dat een verdachte rechtspersoon in redelijkheid de verwachting kan hebben dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. De inverzekeringstelling van een verdachte kan als een zodanige handeling worden aangemerkt. De verdachte is in de onderhavige zaak op 1 mei 2014 in verzekering gesteld. Op deze datum is de redelijke termijn derhalve aangevangen.

Naar het oordeel van de rechtbank is in deze zaak geen sprake van bijzondere omstandigheden.

Tussen 1 mei 2014 en de datum van het eindvonnis ligt een periode van ruim drie jaar en twee maanden. Nu in deze zaak, zoals hiervoor is overwogen, wordt uitgegaan van een redelijke termijn van twee jaar, is sprake van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) van zeven maanden. De rechtbank zal hiermee rekening houden bij de vaststelling van de omvang van de op te leggen straffen.

Alles afwegend acht de rechtbank na te noemen straffen passend en geboden.

8 In beslag genomen voorwerpen

De officier van justitie heeft gevorderd het in beslag genomen bedrag van € 41.205,00 verbeurd te verklaren.

Nu de rechtbank de verdachte zal vrijspreken van het – kort gezegd – voorhanden hebben van het bedrag van € 41.2015,00, zal ten aanzien hiervan de bewaring worden gelast ten behoeve van de rechthebbende. Thans kan immers geen persoon als rechthebbende worden aangemerkt.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op het artikel 420bis van het Wetboek van Strafrecht.

10 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

beslist ten aanzien van het geld, geplaatst op de lijst van inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, als volgt:

- gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M.V. Scheffers, voorzitter,

en mrs. F.W.H. van den Emster en R.H. Kroon, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C. Ihataren, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 5 juli 2017.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 30 april 2014, te Rotterdam en/of Amsterdam, althans in

Nederland,

- van een of meer geldbedrag(en), te weten 99.150,- euro en/of 41.205,- euro,

de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de

verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, en/of heeft hij, verdachte,

verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op de/het geldbedrag(en)

was/waren, en/of

- een of meer geldbedrag(en), te weten 99.150,- euro en/of 41.205,- euro, heeft

verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of gebruikt,

terwijl hij, verdachte, wist, althans had moeten vermoeden, dat dat/die

geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - (mede) afkomstig was/waren uit

een of meer misdrijven;

(artikel 420ter/bis/quater Wetboek van Strafrecht)

art 420bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

art 420ter lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 420bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

1 Proces-verbaal van bevindingen van 3 december 2013, p. 2 van de doorgenummerde bijlagen.

2 Proces-verbaal van verhoor verdachte van 2 mei 2014, p. 55 van de doorgenummerde bijlagen.

3 P. 1 van het requisitoir

4 Proces-verbaal van verhoor verdachte van 1 mei 2014, p. 49 van de doorgenummerde bijlagen.

5 Proces-verbaal van bevindingen van 1 mei 2014, p. 19 van de doorgenummerde bijlagen.

6 Proces-verbaal afstorten geld van 2 mei 2014, p. 73 van de doorgenummerde bijlagen.

7 Proces-verbaal van verhoor verdachte van 1 mei 2014, p. 49 van de doorgenummerde bijlagen.

8 Proces-verbaal van verhoor van verdachte van 2 mei 2014, p. 52 van de doorgenummerde bijlagen

9 Proces-verbaal van verhoor van verdachte van 2 mei 2014, p. 55 van de doorgenummerde bijlagen.