Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:5331

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
13-07-2017
Datum publicatie
15-08-2017
Zaaknummer
ROT 16/5400
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2018:2291, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wob. Misbruik van recht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1

zaaknummer: ROT 16/5400

uitspraak van de meervoudige kamer van 13 juli 2017 in de zaak tussen

[naam] , te [woonplaats] , eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Albrandswaard, verweerder,

gemachtigden: mr. R.W.J. Roef en M. El Hayatlekkioui.

Procesverloop

Bij besluit van 31 augustus 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder beslist op eisers verzoek op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) om openbaarmaking van diverse stukken.

Bij besluit van 5 juli 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder eisers bezwaar deels niet‑ontvankelijk, deels ongegrond en deels gegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 april 2017, waarbij deze zaak gevoegd is behandeld met de zaken ROT 14/6352, ROT 14/6353, ROT 14/4253 en ROT 14/7590. Eiser is - hoewel opgeroepen - niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Na sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de gevoegde zaken gesplitst.

Overwegingen

1. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser zich schuldig maakt aan misbruik van recht. In dit verband is onder meer aangevoerd dat eiser verweerder bestookt met Wob‑verzoeken zonder enig ander doel dan verweerders administratie met zijn omvangrijke verzoeken te belasten en om dwangsommen te incasseren vanwege het niet tijdig kunnen beslissen op de grote hoeveelheid omvangrijke verzoeken om informatie. Daarbij heeft verweerder er op gewezen dat eiser veel herhaalde verzoeken indient en dat hij niet ingaat op voorstellen van verweerder om stukken in te zien. Voorts heeft verweerder opgemerkt dat eiser ieder overleg met verweerder uit de weg gaat.

2. Gelet op vaste rechtspraak (bijvoorbeeld ABRvS 19 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4129 en ABRvS 20 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1620) volgt uit de artikelen 3:13 en 3:15 van het Burgerlijk Wetboek (BW) dat de bevoegdheid om bij de bestuursrechter beroep in te stellen, niet kan worden ingeroepen, voor zover deze bevoegdheid wordt misbruikt. Deze artikelen verzetten zich derhalve tegen inhoudelijke behandeling van een bij de bestuursrechter ingesteld beroep dat misbruik van recht behelst en bieden dan ook een wettelijke grondslag voor niet-ontvankelijkverklaring van een zodanig beroep. Daartoe zijn zwaarwichtige gronden vereist die onder meer aanwezig zijn indien rechten of bevoegdheden zodanig evident zijn aangewend zonder redelijk doel of voor een ander doel dan waartoe zij zijn gegeven, dat het aanwenden van die rechten of bevoegdheden blijk geeft van kwade trouw.

3. Bij de beantwoording van de vraag of in dit geval sprake is van misbruik van recht kan mede acht worden geslagen op het eerdere procedeergedrag van eiser (vergelijk bijvoorbeeld ABRvS 27 januari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:157). De rechtbank stelt ambtshalve vast dat eiser een groot aantal procedures heeft gevoerd en thans nog voert tegen verweerder en tegen het college van burgemeester en wethouders van Ridderkerk. Sommige van die zaken zien op inhoudelijke beroepen, maar grotendeels gaat het om beroepen wegens het niet tijdig beslissen op de vele Wob-verzoeken van eiser.

4. De rechtbank stelt vast dat eiser in deze zaak en in andere Wob-zaken zeer omvangrijke verzoeken tot openbaarmaking heeft gedaan. Niet duidelijk is waarin het belang van eiser bij die verzoeken is gelegen. Hoewel eiser in het kader van zijn Wob-verzoeken geen belang hoeft te stellen, kan de achterliggende motivatie voor het doen van die verzoeken wel een rol spelen bij de beantwoording van de vraag of sprake is van misbruik van recht (zie bijvoorbeeld ABRvS 7 oktober 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3118 en ABRvS 5 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2640). In dit verband stelt de rechtbank verder vast dat eiser - zelfs wanneer hij daartoe is opgeroepen - nimmer op zittingen van de rechtbank verschijnt. Evenmin reageert eiser op verzoeken om gebruik te maken van mediation of om anderszins in gesprek te raken met verweerder. Een gesprek over de achterliggende reden van zijn vele Wob-verzoeken aan verweerder is daarom, niet mogelijk. Deze proceshouding kan bij de beoordeling van de vraag of sprake is van misbruik van recht in het nadeel van eiser uitvallen (vergelijk ABRvS 7 oktober 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3118). Ook in deze zaak is eiser ondanks de oproeping daartoe niet op zitting verschenen. Evenmin heeft hij in zijn beroepschrift en de aanvulling daarop zijn motieven uiteengezet.

5. Voorts stelt de rechtbank vast dat de wijze waarop eiser zijn verzoeken en vooral zijn ingebrekestellingen indient, het lastig maakt om steeds te onderkennen om welke zaken het gaat. De eindeloze reeksen codes die eiser aan zijn stukken geeft en het daarbij hanteren van nieuwe codes voor ingebrekestellingen waarnaar hij in vervolgstukken wijst, in plaats van op de codes bij de oorspronkelijke verzoeken, leidt, in samenhang met de grote hoeveelheid verzoeken die hij doet, gevolgd door reeksen ingebrekestellingen, tot een grote mate van ondoorzichtigheid van de door eiser gevoerde correspondentie. Deze wijze van corresponderen vergroot de kans dat verweerder wegens niet tijdig beslissen dwangsommen verbeurt.

6. Voorts zijn de volgende aspecten van belang. Het Wob-verzoek van eiser is zeer ruim geformuleerd en bevat een niet-limitatieve opsomming van de door hem gewenste stukken, waardoor een besluit op dit verzoek vatbaar wordt voor discussie in bezwaar, beroep en hoger beroep. Daarnaast constateert de rechtbank dat een procedure die eiser voert bij hem weer een nieuwe procedure uitlokt. Eiser start met het indienen van een Wob-verzoek en tegen het besluit daarop gaat hij procederen. Over die procedure dient eiser vervolgens weer een Wob-verzoek in en zo procedeert hij steeds door. Voorts dient eiser zijn Wob-verzoeken op verschillende wijzen in, niet alleen bij het college maar ook bij de commissie voor de bezwaarschriften, en hij zendt de verzoeken altijd per email, per post en per fax naar alle collegeleden en de griffier van de gemeenteraad. Ook dient eiser stelselmatig heel kort voor het verstrijken van de in artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht genoemde termijn van tien dagen nadere gronden in bij de rechtbank, voorzien van een grote hoeveelheid bijlagen. Tenslotte is van belang dat eiser beroep blijft instellen tegen kwesties waarover de rechtbank en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State al diverse malen uitspraak hebben gedaan.

7. Het voorgaande brengt de rechtbank tot het oordeel dat eiser bij het instellen van zijn beroep en zijn verdere wijze van procederen in deze zaak misbruik maakt van recht. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Brugman, voorzitter, en mr. M.G.L. de Vette en mr. A. Douwes, leden, in aanwezigheid van mr. I. Geerink-van Loon, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 juli 2017.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.