Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:5220

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
10-07-2017
Datum publicatie
14-02-2018
Zaaknummer
ROT 16/6580
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CRVB:2018:977, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Onvoorwaardelijk strafontslag, plichtsverzuim tien euro gesloten tijdens werk bij kringloopwinkel, camerabeelden, beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 2

zaaknummer: ROT 16/6580

uitspraak van de meervoudige kamer van 10 juli 2017 in de zaak tussen

[naam 1], te [woonplaats], eiseres,

gemachtigde: mr. J.J.E. Stout,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, verweerder,

gemachtigde: mr. M.H.E. van Veeren.

Procesverloop

Bij besluit van 18 maart 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder eiseres met onmiddellijke ingang onvoorwaardelijk strafontslag opgelegd.

Bij besluit van 16 september 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juni 2017. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde en vergezeld door [naam 2]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld door [naam 3] en [naam 4].

Overwegingen

1.1

Eiseres was sinds 1 augustus 2000 in dienst van de gemeente [woonplaats] als assistent medewerker verkoop bij de voormalige dienst [naam 5] (thans onderdeel van het cluster Stadsbeheer). Sinds 2013 voerde zij als herplaatsingskandidaat werkzaamheden uit in de tweedehandswinkel [naam 6] te [woonplaats] [plaats].

1.2

Op 2 december 2015 is verweerder een (integriteits)onderzoek gestart naar de gedragingen van eiseres in de winkel op 24 november 2015. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 11 januari 2015. Geconcludeerd is dat eiseres zich op 24 november 2015 schuldig heeft gemaakt aan diefstal of verduistering (in dienstbetrekking) van een geldbedrag van tien euro.

2. Verweerder heeft aan het primaire besluit ten grondslag gelegd dat eiseres schuldig is aan ernstig plichtsverzuim. Eiseres wordt verweten dat zij op 24 november 2015 geld (tien euro) heeft gestolen.

3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder, in afwijking van het advies van de bezwaarschriftencommissie van 13 juni 2016, het primaire besluit gehandhaafd.

Gedraging

4. Eiseres betwist dat zij zich met opzet tien euro heeft toegeëigend.

4.1

Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad), zoals de uitspraak van 27 juni 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:755), behoort een disciplinair ontslag wegens plichtsverzuim te berusten op een eigenstandige feitenvaststelling door de werkgever. In het ambtenarentuchtrecht gelden niet de strikte bewijsregels die in het strafrecht van toepassing zijn. Voor de constatering van plichtsverzuim dat tot disciplinaire bestraffing aanleiding kan geven is voldoende dat op basis van de beschikbare, deugdelijk vastgestelde, gegevens de overtuiging is verkregen dat de ambtenaar zich aan de hem verweten gedragingen heeft schuldig gemaakt.

4.2

Op de camerabeelden is, ook volgens de rechtbank, duidelijk te zien dat eiseres het bankbiljet dat de klant heeft neergelegd in haar linkerhand neemt, voor zich neerlegt op de kassa, daarna (nadat de klant is weggelopen) om zich heen kijkt (naar links en naar rechts), vervolgens achter de kassa vandaan loopt met het geld in haar linkerhand en het geld in de linker zak van haar fleecejack stopt. Op de camerabeelden is te zien dat eiseres, anders dan zij eerst heeft verklaard, niet met de klant is meegelopen om de kachel te testen.

Tijdens het gesprek op 17 december 2015 heeft eiseres, geconfronteerd met de camerabeelden, over haar handelen wisselende verklaringen afgelegd die bovendien niet overeenstemmen met de camerabeelden. Zo verklaart zij eerst dat zij, geschrokken van de vraag van haar collega [naam 7] of de klant een bon heeft gehad, alsnog zeven euro voor de twee schilderijen en tien euro voor de kachel heeft aanslagen en het geld, ook de tien euro, in de kassalade heeft gestopt. De twee bonnen heeft zij voor de kassa neergelegd. Even later verklaart zij de kachel te hebben aangeslagen op de kassa voordat de klant terugkwam met de twee schilderijen. Weer later zegt zij dat zij de kachel en de schilderijen heeft gescand en zeven en tien euro op de kassa heeft aangeslagen. De tien euro heeft zij aangeslagen toen de klant voor de eerste keer kwam met de kachel. Pas nadat eiseres werd geconfronteerd met de camerabeelden, waaruit bleek dat de door haar afgelegde verklaringen niet klopten, heeft zij gezegd dat ze het biljet dan zal hebben weggenomen. Ook ter zitting heeft eiseres verklaringen afgelegd die niet overeenkomen met dat wat op de camerabeelden is te zien. Zo heeft zij verklaard dat ze met de klant meeliep om de deur voor hem open te houden, terwijl uit de camerabeelden blijkt dat ze eerst naar links liep, weg van de toonbank, dat zij daar bleef staan waarna zij het geld in haar zak deed en dat zij pas nadat de klant met de kachel kwam aanlopen om de toonbank liep naar de deur rechts. De verklaring dat zij op het moment dat zij naar links liep dat deed met het doel om de toonbank heen te lopen en de klant te helpen wordt niet ondersteund door het beeldmateriaal. Misschien heeft eiseres de deur voor de klant opengehouden toen hij wegging met de kachel, maar dat is pas later gebeurd.

4.3

Verweerder heeft op basis van de camerabeelden, de hiervoor genoemde verklaringen van eiseres en het feit dat na het bekijken van alle camerabeelden en controle van de kassarol niet kon worden vastgesteld dat eiseres de verkoop van de kachel heeft geregistreerd en het bewuste biljet van tien euro op een later moment alsnog in de kassa heeft gestopt, terecht geconcludeerd dat zij zich aan de verweten gedraging (diefstal) schuldig heeft gemaakt.

Op de camerabeelden is duidelijk te zien dat eiseres een aantal malen om zich heen kijkt voordat ze het biljet van de kassa pakt. Dat eiseres dit zou hebben gedaan om de winkel in de gaten te houden wordt met verweerder niet gevolgd. In de periode hieraan voorafgaand keek eiseres voornamelijk op haar mobiele telefoon, hield de winkel daarmee niet in de gaten en bij het heen en weer kijken keek zij niet overduidelijk de winkel rond. Naar het oordeel van de rechtbank was dus sprake van een bewuste actie. De verklaring van eiseres dat zij een dringend telefoontje van haar zus verwachtte, heeft eiseres niet geconcretiseerd en maakt ook niet duidelijk waarom het in verband daarmee nodig was om langere tijd op het beeldscherm van de telefoon te kijken en daarop te drukken.

4.4

Het betoog van eiseres dat zij ten tijde van het incident medicijnen slikte die het concentratie- en reactievermogen sterk negatief kunnen hebben beïnvloed en dat zij ook last heeft van astma die tot vermoeidheid kan leiden, brengt de rechtbank niet tot het oordeel dat van opzet geen sprake was. Er zijn geen concrete aanwijzingen dat de door eiseres gebruikte medicatie haar gedrag zodanig heeft beïnvloed dat zij zich niet bewust was van het toe-eigenen van het geld.

De huisarts van eiseres, [naam 8], heeft niet verklaard dat de mogelijke bijwerkingen zich ook in het geval van eiseres hebben voorgedaan en hij heeft niet gezegd dat de genoemde bijwerkingen de oorzaak kunnen zijn geweest van het ongeoorloofd handelen in dit specifieke geval. De bedrijfsarts [naam 9] benoemt dat de Lyrica-tabletten en (met name) de Fentanyl-pleisters invloed kunnen hebben op het cognitief vermogen, maar vooral bij beginnend gebruik. Eiseres gebruikt deze medicatie echter al langere tijd (sinds 2014), zodat er volgens de bedrijfsarts al eerder signalen hadden moeten zijn van minder functioneren. Dat dit in het geval van eiseres anders is, heeft zij niet aannemelijk gemaakt.

4.5

De rechtbank komt tot de conclusie dat verweerder de diefstal van de tien euro terecht als ernstig plichtsverzuim heeft aangemerkt.

Toerekenbaarheid

5.1

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van de Raad van 11 juli 2002, ECLI:NL:CRVB:2002:BJ6222 en van 25 oktober 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BY1275) is bij de beantwoording van de vraag naar de toerekenbaarheid niet alleen van belang of de betrokkene ten tijde van zijn gedraging in staat was de ontoelaatbaarheid daarvan in te zien, maar ook of de betrokkene in staat was overeenkomstig dit inzicht te handelen en derhalve de gedraging achterwege te laten.

5.2

Mede gelet op hetgeen onder 4.4 is overwogen is de rechtbank van oordeel dat eiseres geacht kan worden de ontoelaatbaarheid van haar gedrag op 24 november 2015 in te zien en overeenkomstig dat inzicht te handelen en die gedraging achterwege te laten.

Evenredigheid

6. Eiseres betoogt dat het onvoorwaardelijk ontslag onevenredig is. Eiseres wijst op het kleine bedrag, haar persoonlijke (medische) omstandigheden, het gegeven dat zij al lange tijd bij de gemeente heeft gewerkt en niet eerder een disciplinaire straf heeft gekregen. Dit betoog faalt.

6.1

Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat eiseres door haar handelen ernstig afbreuk heeft gedaan aan de aan haar te stellen eisen van integriteit, betrouwbaarheid en verantwoordelijkheid. Verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat diefstal, welke waarde het gestolen goed ook heeft en onafhankelijk van de hoogte van het bedrag dat in geld wordt weggenomen, nimmer wordt geaccepteerd. Voorts heeft verweerder eiseres kunnen tegenwerpen dat zij diverse afwijkende en aantoonbare onjuiste verklaringen heeft afgelegd over het voorval.

De rechtbank is daarom van oordeel dat de aard en ernst van de verweten gedraging zodanig is dat de opgelegde disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag daaraan ondanks het zwaarwegende belang van eiseres bij behoud van haar werk niet onevenredig is te achten.

6.2

Het betoog van eiseres dat de uitspraak van de Raad van 28 april 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:1550) waarnaar verweerder heeft verwezen (ook) tot een lichtere straf voor eiseres zou moeten leiden, wordt niet gevolgd. Verweerder heeft de uitspraak aangehaald ter onderbouwing van zijn standpunt dat de geringe waarde van een weggenomen voorwerp in beginsel niet van belang is bij de beoordeling van de ernst van het plichtsverzuim. Zoals in het verweerschrift ook is uitgelegd, ging het in die zaak om twee appellanten. De rol van de tweede appellant, aan wie een lichtere straf werd opgelegd dan disciplinair ontslag, is niet te vergelijken met de rol van eiseres.

7. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Munsterman, voorzitter, en mr. B. van Velzen en

mr. A.M.E.A. Neuwahl, leden, in aanwezigheid van mr. E. Naaijen-van Kleunen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2017.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.